Column Binnenlands bestuur 29 oktober 2004
Er is een debat gaande of het kabinetsbeleid beter zou worden geaccepteerd wanneer het goed zou worden ‘uitgelegd’. Misschien gebeurt dat onvoldoende en zouden veel gevoelens van onrust of onzekerheid te voorkomen zijn via passende communicatie. Voor de Kamer is dit krijgen van uitleg over plannen van het kabinet expliciet geregeld. In principe wordt immers voordat een beleidsnota of begroting wordt behandeld, de Kamer in de gelegenheid gesteld schriftelijke vragen in te dienen. Daarnaast kan de Kamer te allen tijde zelf vragen stellen, bijvoorbeeld aan de hand van de ochtendkrant een werkbezoek of een TV-uitzending. Per jaar stellen kamerleden zo’n 1500 schriftelijke vragen. De jaarlijks te behandelen wetsvoorstellen, zo’n 200-300 per jaar, vergen ook eerst een schriftelijke behandeling, met tientallen tot honderden vragen per wet. Vooral begrotingen, die in de vorm van wetsvoorstellen deze weken door de Kamer worden behandeld, zijn een dankbare bron voor Kamervragen. De ingediende Miljoenennota riep 118 vragen op, de EZ-begroting 128 en de VWS-begroting 314, op die in ruim 100 bladzijden werden beantwoord. Een ruwe schatting leert dat er jaarlijks 10-15 duizend schriftelijke vragen worden gesteld.
Is dat allemaal nuttig en nodig ? En draagt het bij aan een bredere acceptatie van het kabinetsbeleid? Een kleine analyse van recent gestelde vragen leert, dat menige vraag zaken betreft die een meer ingevoerd Kamerlid redelijkerwijs zelf hand kunnen beantwoorden, omdat het antwoord op de volgende bladzijde van de nota stond of in een andere, beschikbare bron. Het stellen van kamervragen, een goed parlementair recht, is echter niet alleen bedoeld om informatie te verzamelen. Vragen worden ook benut om de minister een uitspraak te ontlokken. Zo is recent de behandeling van de EZ-begroting gebruikt als kapstok voor het voeren van een discussie over nut en noodzaak van een apart ministerie van Economische Zaken.
Vragen stellen is echter één, ze beantwoorden is twee. Voor de departementale beantwoording bestaat vaak weinig responstijd en sommige antwoorden zouden redelijkerwijs nader onderzoek vergen, maar desondanks worden ook heel relevante vragen niet altijd even passend beantwoordt. Gevolg is dat er nogal eens ‘kluitjes in het riet’-antwoorden voorkomen.
Zo vroeg de Kamer naar aanleiding van de Miljoenennota hoeveel externen bij de rijksoverheid werken, nu het staand beleid is om dit aantal terug te dringen. Het kabinetsantwoord luidt dat in het sociaal jaarverslag van mei 2004 is gemeld dat dit aantal in 2003 op budgetten personeel en materieel 68% lager lag dan in 2002. Met dit antwoord is iets raars aan de hand. Ofwel het rijk heeft een dramatisch effect bewerkstelligd en 2/3 van haar externe adviseurs bedankt. Dat zou groot nieuws zijn en hebben geleid tot een nieuwe kaste van behoeftige, werkloze adviseurs. Ik ken een enkele maar duizenden? Of dit antwoord is een listige wijze van het omzeilen van de vraag. De meeste externen drukken namelijk niet op budgetten voor personeel en materieel, maar worden geboekt op projecten en programma’s. De gerapporteerde daling zegt dus niets over de echte ontwikkelingen ten aanzien van externen. Niemand weet hoeveel externe adviseurs er zijn maar het geven van dat antwoord brengt het kabinet mogelijk meer in verlegenheid dan dit antwoord op een niet gestelde vraag. Zo mommuniceren kabinet en parlement voort.
Een overzicht van publicaties als onderzoeker aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Wil je reageren ? bestebreur@fsw.eur.nl of #bestebreur op Twitter
maandag, oktober 25, 2004
donderdag, oktober 14, 2004
Baten en – te veel - lasten
Column Binnenlands Bestuur 16 oktober 2004
Het rijk worstelt met de keuze van een nieuw begrotingsstelsel. Vorige week meldde minister Zalm dat hij de motie Mastwijk gaat uitvoeren: tenminste één departement gaat het werken met een baten-lastenstelsel uitproberen. Dat is de slechtst denkbare keuze.
In 2001 kondigde het kabinet aan het stelsel van baten en lasten rijksbreed te willen invoeren. Dat sloot goed aan bij andere ontwikkelingen zoals de nieuwe manier van verantwoord begroten VBTB. Het verplichtingen-kasstelsel deugt daar niet voor. Bovendien, de bijna veertig uitvoerende agentschappen moéten gebruikmaken van een bedrijfseconomische boekhouding. Een rijksbreed stelsel zou daarom transparanter zijn voor de Kamer, effectiever voor begrotingsbeslissingen en doelmatiger in de beheerskosten. Tot slot zou het eenvoudiger worden om prestaties van overheid en markt te vergelijken, bijvoorbeeld bij publiek-private samenwerking. Een ambtelijke studiegroep werkte het idee verder uit in het rapport ‘Eigentijds begroten’, de Algemene Rekenkamer juichte de keuze voor één stelsel toe en het voornemen werd daarna welwillend in het parlement ontvangen.
Echter in 2003 stelde het kabinet vast dat bij nader inzien een baten-lastenstelsel alleen zichtbare meerwaarde heeft voor agentschappen. Bovendien zou de invoering veel nieuwe regelgeving opleveren wat in tijden van ontbureaucratisering beter gemist kan worden. Ook kost een ander stelsel honderden miljoenen euro’s voor systeeminrichting en opleiding voor medewerkers. Nu stond het rijk er in 2003 veel minder florissant voor dan in 2001 dus dat geld voor een nieuw systeem ontbrak eigenlijk. En aan een baten-lastenstelsel kleeft een groot risico. Als het rijk in enig jaar eens wat meer investeert kan dit bedrijfseconomisch wel te verdedigen zijn, maar het kan tot gevolg hebben dat de kasuitgaven in dat jaar zo hoog worden dat Nederland boven de EMU-norm van drie procent komt. En dat wil het kabinet niet (te vaak).
Een baten-lastenstelsel is vooral nuttig om investeringsbeslissingen zuiverder te maken. De keuze tussen zelf doen of uitbesteden, huren of kopen, groot onderhoud of vervanging, en ‘mensen of machines’ wordt afgewogener. Verder kunnen betere tijdreeksanalyses van kosten worden gemaakt, is vergelijking van de uitvoeringskosten tussen organisaties eenvoudiger en wordt het bepalen van tarieven voor doorberekening secuurder. Een kasstelsel levert deze informatie niet en geeft zelfs perverse prikkels, bijvoorbeeld om te investeren omdat budget over is, duur leasen omdat er onvoldoende jaarbudget is om zelf te investeren, of uitstel van onderhoud hoewel dat leidt tot onvermijdelijk, duur groot onderhoud later. De Tweede Kamer heeft het kabinet in 2004 gemaand toch bij tenminste een departement het stelsel wel in te voeren. Dat is de slechtste denkbare keuze. Er worden geen schaalvoordelen mee behaald, we blijven werken met meerdere stelsels en de proef zal weinig nieuws opleveren. Er is inmiddels meer dan genoeg gestudeerd. Om de knoop ten principale door te hakken, is geen proefdraaien meer nodig. Je moet er niet aan denken dat het departement dat het lef heeft het stelsel bij wijze van proef in te voeren na enkele jaren wordt bedankt voor bewezen diensten en weer terug mag naar kas.
Het rijk worstelt met de keuze van een nieuw begrotingsstelsel. Vorige week meldde minister Zalm dat hij de motie Mastwijk gaat uitvoeren: tenminste één departement gaat het werken met een baten-lastenstelsel uitproberen. Dat is de slechtst denkbare keuze.
In 2001 kondigde het kabinet aan het stelsel van baten en lasten rijksbreed te willen invoeren. Dat sloot goed aan bij andere ontwikkelingen zoals de nieuwe manier van verantwoord begroten VBTB. Het verplichtingen-kasstelsel deugt daar niet voor. Bovendien, de bijna veertig uitvoerende agentschappen moéten gebruikmaken van een bedrijfseconomische boekhouding. Een rijksbreed stelsel zou daarom transparanter zijn voor de Kamer, effectiever voor begrotingsbeslissingen en doelmatiger in de beheerskosten. Tot slot zou het eenvoudiger worden om prestaties van overheid en markt te vergelijken, bijvoorbeeld bij publiek-private samenwerking. Een ambtelijke studiegroep werkte het idee verder uit in het rapport ‘Eigentijds begroten’, de Algemene Rekenkamer juichte de keuze voor één stelsel toe en het voornemen werd daarna welwillend in het parlement ontvangen.
Echter in 2003 stelde het kabinet vast dat bij nader inzien een baten-lastenstelsel alleen zichtbare meerwaarde heeft voor agentschappen. Bovendien zou de invoering veel nieuwe regelgeving opleveren wat in tijden van ontbureaucratisering beter gemist kan worden. Ook kost een ander stelsel honderden miljoenen euro’s voor systeeminrichting en opleiding voor medewerkers. Nu stond het rijk er in 2003 veel minder florissant voor dan in 2001 dus dat geld voor een nieuw systeem ontbrak eigenlijk. En aan een baten-lastenstelsel kleeft een groot risico. Als het rijk in enig jaar eens wat meer investeert kan dit bedrijfseconomisch wel te verdedigen zijn, maar het kan tot gevolg hebben dat de kasuitgaven in dat jaar zo hoog worden dat Nederland boven de EMU-norm van drie procent komt. En dat wil het kabinet niet (te vaak).
Een baten-lastenstelsel is vooral nuttig om investeringsbeslissingen zuiverder te maken. De keuze tussen zelf doen of uitbesteden, huren of kopen, groot onderhoud of vervanging, en ‘mensen of machines’ wordt afgewogener. Verder kunnen betere tijdreeksanalyses van kosten worden gemaakt, is vergelijking van de uitvoeringskosten tussen organisaties eenvoudiger en wordt het bepalen van tarieven voor doorberekening secuurder. Een kasstelsel levert deze informatie niet en geeft zelfs perverse prikkels, bijvoorbeeld om te investeren omdat budget over is, duur leasen omdat er onvoldoende jaarbudget is om zelf te investeren, of uitstel van onderhoud hoewel dat leidt tot onvermijdelijk, duur groot onderhoud later. De Tweede Kamer heeft het kabinet in 2004 gemaand toch bij tenminste een departement het stelsel wel in te voeren. Dat is de slechtste denkbare keuze. Er worden geen schaalvoordelen mee behaald, we blijven werken met meerdere stelsels en de proef zal weinig nieuws opleveren. Er is inmiddels meer dan genoeg gestudeerd. Om de knoop ten principale door te hakken, is geen proefdraaien meer nodig. Je moet er niet aan denken dat het departement dat het lef heeft het stelsel bij wijze van proef in te voeren na enkele jaren wordt bedankt voor bewezen diensten en weer terug mag naar kas.
Abonneren op:
Posts (Atom)