maandag, oktober 25, 2004

Vragen staat vrij

Column Binnenlands bestuur 29 oktober 2004

Er is een debat gaande of het kabinetsbeleid beter zou worden geaccepteerd wanneer het goed zou worden ‘uitgelegd’. Misschien gebeurt dat onvoldoende en zouden veel gevoelens van onrust of onzekerheid te voorkomen zijn via passende communicatie. Voor de Kamer is dit krijgen van uitleg over plannen van het kabinet expliciet geregeld. In principe wordt immers voordat een beleidsnota of begroting wordt behandeld, de Kamer in de gelegenheid gesteld schriftelijke vragen in te dienen. Daarnaast kan de Kamer te allen tijde zelf vragen stellen, bijvoorbeeld aan de hand van de ochtendkrant een werkbezoek of een TV-uitzending. Per jaar stellen kamerleden zo’n 1500 schriftelijke vragen. De jaarlijks te behandelen wetsvoorstellen, zo’n 200-300 per jaar, vergen ook eerst een schriftelijke behandeling, met tientallen tot honderden vragen per wet. Vooral begrotingen, die in de vorm van wetsvoorstellen deze weken door de Kamer worden behandeld, zijn een dankbare bron voor Kamervragen. De ingediende Miljoenennota riep 118 vragen op, de EZ-begroting 128 en de VWS-begroting 314, op die in ruim 100 bladzijden werden beantwoord. Een ruwe schatting leert dat er jaarlijks 10-15 duizend schriftelijke vragen worden gesteld.
Is dat allemaal nuttig en nodig ? En draagt het bij aan een bredere acceptatie van het kabinetsbeleid? Een kleine analyse van recent gestelde vragen leert, dat menige vraag zaken betreft die een meer ingevoerd Kamerlid redelijkerwijs zelf hand kunnen beantwoorden, omdat het antwoord op de volgende bladzijde van de nota stond of in een andere, beschikbare bron. Het stellen van kamervragen, een goed parlementair recht, is echter niet alleen bedoeld om informatie te verzamelen. Vragen worden ook benut om de minister een uitspraak te ontlokken. Zo is recent de behandeling van de EZ-begroting gebruikt als kapstok voor het voeren van een discussie over nut en noodzaak van een apart ministerie van Economische Zaken.
Vragen stellen is echter één, ze beantwoorden is twee. Voor de departementale beantwoording bestaat vaak weinig responstijd en sommige antwoorden zouden redelijkerwijs nader onderzoek vergen, maar desondanks worden ook heel relevante vragen niet altijd even passend beantwoordt. Gevolg is dat er nogal eens ‘kluitjes in het riet’-antwoorden voorkomen.
Zo vroeg de Kamer naar aanleiding van de Miljoenennota hoeveel externen bij de rijksoverheid werken, nu het staand beleid is om dit aantal terug te dringen. Het kabinetsantwoord luidt dat in het sociaal jaarverslag van mei 2004 is gemeld dat dit aantal in 2003 op budgetten personeel en materieel 68% lager lag dan in 2002. Met dit antwoord is iets raars aan de hand. Ofwel het rijk heeft een dramatisch effect bewerkstelligd en 2/3 van haar externe adviseurs bedankt. Dat zou groot nieuws zijn en hebben geleid tot een nieuwe kaste van behoeftige, werkloze adviseurs. Ik ken een enkele maar duizenden? Of dit antwoord is een listige wijze van het omzeilen van de vraag. De meeste externen drukken namelijk niet op budgetten voor personeel en materieel, maar worden geboekt op projecten en programma’s. De gerapporteerde daling zegt dus niets over de echte ontwikkelingen ten aanzien van externen. Niemand weet hoeveel externe adviseurs er zijn maar het geven van dat antwoord brengt het kabinet mogelijk meer in verlegenheid dan dit antwoord op een niet gestelde vraag. Zo mommuniceren kabinet en parlement voort.

Geen opmerkingen: