Column Binnenlands bestuur 12 november 2004
Willem Drees had geen sterke maag, was geheelonthouder, speelde korfbal, voerde de AOW in en faalde in de Indonesië-kwestie. Allemaal zaken die de laatste weken weer zijn opgerakeld in de KRO-verkiezing van de ‘grootste Nederlander’. Los van de zin en onzin van deze verkiezing is het buitengewoon leerzaam om ons te verdiepen in en verbazen over markante historische personen, zoals dr. Willem Drees.
Het meeste van wat is overgeleverd betreft de kracht van Drees als bestuurder. Reeds als twintiger werd hij partijbestuurder en lid van de Haagse gemeenteraad én Provinciale Staten. Als dertiger werd hij wethouder, op zijn 47e Kamerlid, op zijn 53e fractievoorzitter. Van zijn 62e tot 72e was hij premier van opeenvolgende kabinetten. Daarna Minister van Staat en binnen de PvdA lid voor het leven van het partijbestuur, al kon niemand voorzien dat hij in 1971, op 85-jarige leeftijd de partij verliet en daarna 17 jaar partijloos bleef. Maar als er iemand heeft genoten van de AOW, was het Drees zelf.
Het is geen wonder dat Wouter Bos de spreekstalmeester is voor Drees bij de lopende verkiezing en zich ongetwijfeld in veel van Drees herkend. Drees was geen visionair of ideoloog, maar vooral een pragmatisch bestuurder, die goed besefte dat het bereiken van resultaten samenwerking vergde met andere politieke minderheden. Dat Drees ‘boven de partijen stond’ valt enigszins te betwijfelen, alleen al gelet op het bisschoppelijk mandement uit 1954 dat katholieken ervan moest weerhouden anders dan KVP te stemmen en daarmee Drees bijna persoonlijk raakte.
Meest opvallend is de stellingname van Drees ten aanzien van de rol van de overheid in het maatschappelijk leven en de gewenste overheidsomvang. Drees wordt door velen allereerst herinnerd als totstandbrenger van de Noodvoorziening Ouden van Dagen in 1947 waardoor gepensioneerden ‘van Drees trekken’. Ook andere sociale wetgeving staat op zijn naam, waardoor het voor de hand ligt hem te vereenzelvigen met de opbouw van de verzorgingsstaat én daarmee gepaard gaande groeiende overheidsuitgaven.
Dat verdient echter een tweetal nuanceringen. Kabinetten onder Drees brachten de overheidsuitgaven veeleer omlaag dan omhoog. In 1946 besloegen de rijksuitgaven 46% van het nationaal inkomen, in 1952 nog maar 27%. Verder voerden kabinetten onder Drees lange tijd een strikte loonpolitiek, die aan de basis stond van de economische groei nadien. Belangrijker dan cijfertjes alleen is de door Drees consequent uitgedragen opvatting dat het beslag van de overheid en de omvang van de overheidsuitgaven niet té omvangrijk moest worden. Hij verschilde daarmee fundamenteel van zijn latere opvolger Den Uyl. In Drees opvatting zou hoge belastingheffing burgers teveel keuzevrijheid ontnemen. Een in omvang beperkte collectieve sector was daarom ook voor de socialist Drees verkieslijk boven een uitdijende staatsmoloch. Dit verschil van opvatting werd een van de redenen waarom Drees in 1971 de PvdA verliet.
Drees grootste Nederlander? Het was een man van zijn tijd, geen tijdloze man, daarvoor ontbrak het hem aan visie bijvoorbeeld in de dekolonisatieperiode. Het zou daarom verwondering wekken als hij ‘grootste Nederlander aller tijden’ werd. Maar wie dan wel? Als we geen betere hebben, doen we het gewoon met Drees. Bepaald geen schande.