woensdag, januari 19, 2005

Vermogen voor het goede doel

Column Binnenlands Bestuur, 21 januari 2005

Doet het er toe, wat goede doelenorganisaties op de bank hebben staan? Moeten ze net als andere organisaties het eigen voortbestaan borgen met een appeltje voor de dorst? Of komen ze daardoor te ver af te staan van de opvattingen van donateurs? Op www.geef.nl staat een overzicht welk percentage de vele honderden charitatieve organisaties daadwerkelijk hebben besteed aan de beoogde doelen in de achterliggende jaren, de ‘oppotratio’. Het is schrikbarend. Natuurlijk, een groot legaat dat wordt ontvangen in de week voor kerst kan niet direct worden besteed. Maar 5 jaar lang een kwart (of meer!) van de ontvangsten oppotten, is bedenkelijk en leidt tot een te grote vermogensvorming. Helaas staan er gerenommeerde organisaties in de lijst die de laatste 5 jaar gemiddeld minder dan 80% van de ontvangsten hebben uitgegeven en daarmee een hele jaaromzet hebben opgepot.
Wanneer deze organisaties worden bekeken door een economische bril, is het verdedigbaar te zorgen voor een zeker weerstandsvermogen. Zo kan ontslag van een dure directeur, te betalen schadevergoeding na een verloren rechtszaak of zelfs het vertrek van een kwart van de donateurs na het innemen van een radicaal standpunt hen niet de kop kosten. Bovendien zorgt een reservepotje ervoor dat noodzakelijke acties, bijvoorbeeld na het uitbreken van een ramp, snel opgestart kunnen worden. Noodhulp zou niet moeten hoeven wachten op tv-avondjes en ook bij drie tsunamies in een jaar zou men willen kunnen blijven helpen. Zo bezien is het verdedigbaar dat geld wordt opgepot, dat enige middelen worden geparkeerd of belegd in onroerend goed, landerijen obligaties of aandelen. Misschien geen aandelen van bedrijven met wie men zelf de degens kruist maar ook dan blijven er genoeg bedrijven over. Een organisatie die hier niet op let, wordt slecht gemanaged en verdient mijn steunt niet. Maar hoeveel oppotten is verdedigbaar? Anderhalve jaaromzet zoals een commissie van wijzen eens voorstelde ?
De schaduwzijde van oppotten is dat dit ertoe kan leiden dat donateurs terughoudender worden om middelen aan organisaties toe te vertrouwen, juist omdat men oppot. Waarom een kerk blijven doneren die een jaaromzet aan landerijen bezit via ooit ontvangen legaten? Of kinderen statiegeld laten sparen voor een milieuorganisatie die voor miljoenen op de bank heeft. Wat te denken van een onderzoeksstichting die fors in aandelen belegt? ‘Dan kan men het geld beter niet of elders doneren’, kan het gevoel van goede gevers worden. Bovendien maken beleggingen organisaties kwetsbaar en wordt een waardedaling van hun vermogen als gevolg van mislukte investeringen in bedrijven en projecten hen dubbel aangerekend; economisch en moreel. Vanuit een stakeholdersbenadering ligt het oppotten van teveel geld daarom juist niet voor de hand. Vermogensvorming moet worden beperkt, tot hooguit een halve jaaromzet gecombineerd met een conservatief beleggingsbeleid. Dat voorkomt reputatieverlies bij mislukte investeringen en nog belangrijker, verlies van de gunst van goede gevers. De toenemende transparantie, dankzij website als www.geef.nl en de www.donateursvereniging.nl kan wel eens flinke gevolgen gaan hebben voor de jaarlijkse miljardendonaties.

maandag, januari 03, 2005

Begroting en kalenderjaar

Column Binnenlands Bestuur, dd 7 januari 2005

Hoewel de Eerste Kamer de begrotingen 2005 (nog lang) niet heeft goedgekeurd, zijn de departementen deze week begonnen met het uitgeven van de geraamde 135 miljard euro, ofwel 2,5 miljard per week. Begrotingen zijn gerelateerd aan de jaarkalender maar de vraag is waarom begroting en kalenderjaar zo nauw verbonden zijn. Veel beleid heeft immers een heel andere tijdshorizon en zelden zal binnen een jaar of zelfs enkele jaren blijken wat de genomen beslissing waard is. Rotterdamse voorstanders van bijvoorbeeld de Betuwelijn lijken soms op middeleeuwse kathedralenbouwers; zelf weten ze dat ze een positieve rentabiliteit niet meer zullen meemaken, maar ze lijken te bouwen voor de eeuwigheid, volgende generaties zullen hen dankbaar zijn, horen we wel.

Van oudsher is het begrotingsjaar verbonden met de seizoenen, van zaaien en oogsten, waarna afhankelijk van de opbrengst nieuwe plannen konden worden gemaakt. Omdat door de eeuwen heen andere inkomstenbronnen belangrijker zijn geworden dan agrarische opbrengsten, hebben veel landen inmiddels het kalenderjaar gekozen als begrotingsjaar. Zo hebben recent van westerse donaties afhankelijke derde-wereldlanden deze stap richting jaarkalender gezet, omdat ze teren op per kalenderjaar verstrekte westerse ontwikkelingsgelden. Maar waarom hangen budgettaire beslissingen eigenlijk aan het jaarstelsel ? Soms is een jaarbenadering namelijk te kort, soms juist veel te lang.

Eigenlijk is een jaar heel lang voor begrotingsbeslissingen. Tussen het moment van opstellen van de begroting, wat een jaar voor het uitgaven aanvangt, en het verantwoorden over de uitgaven verandert zoveel, dat het autorisatierecht en de doelmatige besteding van geld zonder tussentijdse aanpassingen onder druk zou komen te staan. Het parlement moet steeds weten wat de actuele ramingen zijn en verschuivingen tussen beleidsterreinen vooraf kunnen autoriseren. Maar budgetbeheerders moeten met een zekere flexibiliteit kunnen inspelen op veranderende omstandigheden. De na de tsunami noodzakelijke en omvangrijke noodhulp laat zich niet plannen.

Er zijn verschillende oplossingen voor dit probleem uitgeprobeerd. Zo is ooit naast de gewone uitgavenposten een rijksbrede reserve aangehouden om onvoorziene uitgaven te financieren. Dit is een flexibele oplossing maar er zijn twee bezwaren. Het parlement heeft onvoldoende invloed op de besteding en ten tweede lokken reserves strategische gedrag uit. Een andere optie is om zonodig toch extra tussentijdse uitgaven te doen, zonder budgettaire herschikkingen, en het saldo van uitgaven en ontvangsten vrijer te laten fluctueren. Deze optie, onderdeel van de ideaaltypische Zalm-normatiek, kent een land eigenlijk alleen als het ver verwijderd is van de 3% EMU-tekortnorm. Die luxe kennen weinig landen, Nederland zeker niet. Onontkoombaar is daarom dat binnen een jaar tussentijdse bijstellingmomenten zijn, waarbij eerder onvoorziene uitgaven, of tegenvallende ontvangsten via herschikkingen worden ingepast. In het buitenland zijn wel wat vrijere vormen uitgeprobeerd, zoals strikte jaardiscipline op gebudgetteerde uitgaven gecombineerd met acceptatie van jaarfluctuaties op open-einderegelingen, zoals de Amerikaanse Federale overheid al jaren kent.

De sleutel van alle budgettaire sturing blijft betrouwbare bestuurlijke budgettaire informatie. De komende maanden zal blijken of gemeenten en rijk samen in staat zullen blijken betrouwbare informatie te presenteren over het EMU-saldo in het achterliggende en lopende jaar. Slechtere informatieverstrekking dan de achterliggende twee jaar kan toch bijna niet ?