Column Binnenlands Bestuur , 4 februari 2005
Economen zoals Nobelprijswinnaar Ronald Coase, betogen dat de afweging tussen taken zelf uitvoeren of uitbesteden, afhangt van de transactiekosten voor en na de verzelfstandiging. De Nederlandse praktijk gedraagt zich echter niet volgens hun theorie. Vooral de kosten van toezicht blijven na verzelfstandiging vaak zo hoog, dat het zeer de vraag is of de verzelfstandiging wel loont.
Bij verzelfstandiging spelen drie soorten transactiekosten een rol. De eerste zijn de toezichtkosten. Dit zijn alle kosten van interne hiƫrarchie, beheersregels en andere bureaucratiekosten die een opdrachtgever maakt om een interne uitvoerder aan te sturen. De leidende idee is dat deze kosten na verzelfstandiging flink afnemen. Er wordt immers gestuurd op hoofdlijnen, zonder bemoeienis met de details van de uitvoering.
Een tweede kostengroep vormen ‘bonding costs’, de kosten die de uitvoerder maakt om de opdrachtgever of verantwoordelijke te behagen, bijvoorbeeld het glanzende jaarverslag en alle andere ‘kijk-eens-hoe-goed-we-bezig-zijn’ acties. Deze kosten lijken op te lopen na verzelfstandiging.
De derde kosten zijn het verlies van ‘residuele rechten’ door de opdrachtgever. Niet de opdrachtgever maar de uitvoerder profiteert van efficiencywinst. Het mogen houden van die winst is de prikkel voor de uitvoerder om doelmatigheid na te streven. Natuurlijk kan in een volgend contract de opdrachtgever meeprofiteren van gestegen doelmatigheid. Hij kan een lagere prijs bedingen, zodat deze opbrengsten vaak niet structureel zijn. Ontnemen is echter geen sinecure. Toen bijvoorbeeld het Kadaster door de hausse op de woning- en hypotheekmarkt mooie jaarresultaten liet zien en flink vermogen vormde, kon het ministerie van Vrom noch het kabinet hier aankomen. Voor de verzelfstandiging zouden deze extra opbrengsten direct aan de schatkist ofwel de belastingbetaler zijn toegekomen, zo ze zouden zijn ontstaan natuurlijk. Vrom kon nu slechts iets rechtzetten door als regelgever fikse tariefsverlagingen door te voeren. Daarnaast liet Vrom het vermogen slinken door het kadaster opdracht te geven in de huidige mindere jaren met verlies te werken.
De daling van toezichtkosten moet per saldo dus opwegen tegen hogere ‘bonding costs’ en verlies aan residuele rechten. Dan pas is verzelfstandiging profijtelijk. En dat lukt niet goed.
Positief is dat uitvoerders zoeken naar andere verantwoordingsvormen. In geval van horizontale verantwoording berichten uitvoerders aan pers, publiek en politiek hoe zij hebben gepresteerd. Over kwaliteit- en kostenontwikkeling, over geleverde prestaties vergeleken met anderen, over de wijze waarop men ‘maatschappelijk verantwoord’ onderneemt, zie bijvoorbeeld www.publiekverantwoorden.nl . Bestuurskundigen berichten echter steeds vaker dat de omvang van de verticale verantwoordingsplicht van uitvoeringsorganisaties na verzelfstandiging niet wordt beperkt, alle horizontale vormen ten spijt. Omdat politiek verantwoordelijken nog steeds worden aangesproken op de details van de uitvoering wensen ze ook na verzelfstandiging gedetailleerd toezicht en inzicht in uitvoeringsdetails. Horizontale verantwoordingsvormen zijn er wel bijgekomen, maar beperken nog geenszins de verticale verantwoording.
Meer vertrouwen in uitvoeringsorganisaties, afstand van de politiek van uitvoeringsdetails en benutting van horizontale verantwoording als gedeeltelijke vervanging van verticaal toezicht zou pas echt helpen.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten