vrijdag, maart 04, 2005

Eén procent voor kunst.

Column Binnenlands Bestuur, 4 maart 2005
De VVD dicteerde vorige week het nieuws. De slaapvertrekken van Hirsi Ali, het pleidooi voor de doodstraf, de premierambities van Wiegel en als toetje het Liberaal Manifest. Daaruit was alvast een aantal ideetje gelekt om eerste reacties te peilen. Zoals het idee van één belastingtarief, de vlaktaks en het idee van een vaste bijdrage aan kunst van één procent van de overheidsuitgaven.
Zo’n norm voor een bepaalde hoogte van de uitgaven heeft aantrekkelijke kanten. De norm geeft houvast en zekerheid, omdat in goede en slechte tijden een stabiele omvang van bepaalde uitgaven wordt geborgd, uitgaven die in tijden van bezuinigingen anders kwetsbaar zouden zijn. Regelmatig wordt daarom, zoals nu door de VVD, gepoogd te komen tot normering van bepaalde uitgaven, op zichzelf een oude gewoonte.
Al lang geleden werd bijvoorbeeld het geven van tienden door burgers aan de charitas beschouwd als een redelijke afdracht, een praktijk die in christelijke kring nog steeds wordt geleerd, zij het minder geprakkiseerd. Deze bijbelse norm van tienden is zelfs tot ons fiscale stelsel doorgedrongen; giften zijn aftrekbaar tot maximaal tien procent van het inkomen. Meer geven mag altijd maar dat is geen bijbels gebod en fiscaal niet aftrekbaar. Is voor veel goede gevers die norm wel wat hoog, voor de echte gulle gevers is het ook een genadige norm; al ben je nog zo rijk, meer geven is niet geboden.
In deze fixatie schuilt ook het aantrekkelijke van budgettaire normen. Bij invoering wordt vaak een ambitieus niveau gekozen, maar de begrenzing tot dat bedrag kan ook het geweten vrijpleiten in tijden van overvloed. Aan bijvoorbeeld ontwikkelingssamenwerking geven we nooit genoeg om alle ellende te ledigen, maar wanneer we de afgesproken 0,8% geven pleiten we ons geweten vrij.
Toch zitten er addertjes onder het gras. Zo is er wel op gewezen dat landen die behoren tot de koplopers qua schoolprestaties niet minder dan 6% van het nationaal inkomen uitgeven aan onderwijs. Zou Nederland dat bedrag niet ook moeten besteden, zoals in onderwijskringen wel wordt bepleit? Voorheen haalde Nederland dit percentage wel maar het is gezakt tot minder dan 5%. Toch is zo’n 6-procent-streven voor onderwijsuitgaven betwistbaar. Koppeling van onderwijsuitgaven aan het nationaal inkomen houdt geen rekening met het aantal schoolgaande kinderen. Nu 6% nastreven is een ambitieus plan, maar het zou verspilling zijn in geval van teruglopende leerlingenaantallen en en juist weer te weinig ambitieus in geval van sterke bevolkingsgroei.
Maar het lastigst van begrotingsnormen is dat ze snel worden uitgehold en perverteren omdat definities zacht als boter zijn. Onze oude 1% norm voor ontwikkelingsuitgaven werd uitgehold doordat er oneigenlijke posten aan werden toegerekend, zoals Defensie-uitgaven en kosten voor opvang van asielzoekers.. Eén procent voor kunst zoals de VVD bepleit lijkt daarom een mooi streven, maar de definitie van kunstwerken zal als was zijn in de handen van politici. Alle bruggen, viaducten, tunnels, sluizen en stuwen in ons stelsel van wegen en vaarwegen zijn in het Haagse spraakgebruik immers ook kunstwerken. Zou de VVD dat bedoelen?

Geen opmerkingen: