Column Binnenlands Bestuur, 21 januari 2005
Doet het er toe, wat goede doelenorganisaties op de bank hebben staan? Moeten ze net als andere organisaties het eigen voortbestaan borgen met een appeltje voor de dorst? Of komen ze daardoor te ver af te staan van de opvattingen van donateurs? Op www.geef.nl staat een overzicht welk percentage de vele honderden charitatieve organisaties daadwerkelijk hebben besteed aan de beoogde doelen in de achterliggende jaren, de ‘oppotratio’. Het is schrikbarend. Natuurlijk, een groot legaat dat wordt ontvangen in de week voor kerst kan niet direct worden besteed. Maar 5 jaar lang een kwart (of meer!) van de ontvangsten oppotten, is bedenkelijk en leidt tot een te grote vermogensvorming. Helaas staan er gerenommeerde organisaties in de lijst die de laatste 5 jaar gemiddeld minder dan 80% van de ontvangsten hebben uitgegeven en daarmee een hele jaaromzet hebben opgepot.
Wanneer deze organisaties worden bekeken door een economische bril, is het verdedigbaar te zorgen voor een zeker weerstandsvermogen. Zo kan ontslag van een dure directeur, te betalen schadevergoeding na een verloren rechtszaak of zelfs het vertrek van een kwart van de donateurs na het innemen van een radicaal standpunt hen niet de kop kosten. Bovendien zorgt een reservepotje ervoor dat noodzakelijke acties, bijvoorbeeld na het uitbreken van een ramp, snel opgestart kunnen worden. Noodhulp zou niet moeten hoeven wachten op tv-avondjes en ook bij drie tsunamies in een jaar zou men willen kunnen blijven helpen. Zo bezien is het verdedigbaar dat geld wordt opgepot, dat enige middelen worden geparkeerd of belegd in onroerend goed, landerijen obligaties of aandelen. Misschien geen aandelen van bedrijven met wie men zelf de degens kruist maar ook dan blijven er genoeg bedrijven over. Een organisatie die hier niet op let, wordt slecht gemanaged en verdient mijn steunt niet. Maar hoeveel oppotten is verdedigbaar? Anderhalve jaaromzet zoals een commissie van wijzen eens voorstelde ?
De schaduwzijde van oppotten is dat dit ertoe kan leiden dat donateurs terughoudender worden om middelen aan organisaties toe te vertrouwen, juist omdat men oppot. Waarom een kerk blijven doneren die een jaaromzet aan landerijen bezit via ooit ontvangen legaten? Of kinderen statiegeld laten sparen voor een milieuorganisatie die voor miljoenen op de bank heeft. Wat te denken van een onderzoeksstichting die fors in aandelen belegt? ‘Dan kan men het geld beter niet of elders doneren’, kan het gevoel van goede gevers worden. Bovendien maken beleggingen organisaties kwetsbaar en wordt een waardedaling van hun vermogen als gevolg van mislukte investeringen in bedrijven en projecten hen dubbel aangerekend; economisch en moreel. Vanuit een stakeholdersbenadering ligt het oppotten van teveel geld daarom juist niet voor de hand. Vermogensvorming moet worden beperkt, tot hooguit een halve jaaromzet gecombineerd met een conservatief beleggingsbeleid. Dat voorkomt reputatieverlies bij mislukte investeringen en nog belangrijker, verlies van de gunst van goede gevers. De toenemende transparantie, dankzij website als www.geef.nl en de www.donateursvereniging.nl kan wel eens flinke gevolgen gaan hebben voor de jaarlijkse miljardendonaties.