Column Binnenlands Bestuur, 15 april 2005
Volgens de kranten heeft het kabinet recent op basis van de Kaderbrief de budgettaire keuzen gemaakt voor 2006. De verdeling van het overschietende bedrag kon tot op het miljoen nauwkeurig worden vermeld. Iedere lezer kan zich er een oordeel over vormen, behalve ons parlement. Die leven in zalige onwetendheid, tot de presentatie van de begrotingen op de derde dinsdag in september, wanneer de budgettaire verschuivingen worden toegelicht. De Kaderbrief, een niet-parlementair document is een van de laatste quasi-geheime stukken van onze verder ‘openbare’ financiën.
In de Kaderbrief komen drie gegevensstromen samen. Ten eerste de jaarresultaten van vorig jaar, dat eindigde met onvoorzien laag EMU-saldo door onderuitputting bij departementen. Ten tweede de macro-economische inzichten van het Centraal Planbureau. Ten derde beleidsbrieven vol budgettaire wensen van departementen.
Twee zaken frapperen bij deze besluitvorming. Er is geen enkele formele regeling waar de minister van Financiën zich in deze periode aan hoeft te houden. En het parlement staat volkomen buiten spel.
Besluitvorming over de Kaderbrief is een black box. De jaarresultaten van vorig jaar staan vast, maar de wijze van benutting van CPB-ramingen is geheel aan de discretie van Financiën. Misschien wel daarom laat ons parlement dit jaar een nieuw economisch comité van wijzen alles nog eens kritisch doorrekenen. De sterke positie van Financiën wordt verder veroorzaakt doordat departementen elkaar nauwelijks de maat nemen noch samen optrekken. In essentie is het altijd één tegen één, Financiën versus het vakdepartement.
Zodra alle informatie van departementen en CPB is verwerkt, wordt na afstemming met Algemene Zaken, het kabinet over het ‘budgettaire plaatje’ geïnformeerd in de zo cruciale Kaderbrief. ‘Zeer vertrouwelijk’, luidt het logo ervan. En net zo tranentrekkend als de beleidsbrieven van de departementen, zet een eerste versie van de Kaderbrief doorgaans de budgettaire rampspoed uiteen die ons land overspoelt. Niets zit mee, alles zit tegen. Zelfs het gezicht van de minister spreekt boekdelen bij het betreden van de Treveszaal. Lees het ‘Handboek voor de minister’ van Jo Ritzen hierover die zich jaren nadien nog vrolijk maakt over het gespeelde onderhandelingsspel.
Het dan gespeelde budgettaire spel leidt toch altijd binnen enkele weken weer tot budgettaire afspraken, al wordt er hier en daar wel eens wat opengelaten of doorgeschoven. Frappant is alleen dat weliswaar de pers royaal wordt bediend en binnen de departementen duizenden ambtenaren de begrotingstekstjes kunnen gaan schrijven, maar één groep betrokkenen moet bijna zes maanden wachten om mee te spreken: onze 150 parlementariërs. Kan dat niet anders? Ja, vrij eenvoudig. Het kabinet zou het parlement in april na de interne besluitvorming kunnen informeren over haar indicatieve prioriteiten voor het volgende jaar. De Kamer zou daarover in mei kunnen debatteren waarna het kabinet aansluitend gehoord het parlement en rekening houdend met eventuele moties de begroting 2006 in detail opmaakt.