Column Binnenlands Bestuur dd 24 juni 2005
Al anderhalf jaar wachten ambtenaren in diverse sectoren op een nieuwe CAO. Is de rek uit het decentraal arbeidsvoorwaardenoverleg? Er zoemen inmiddels allerlei voorstellen rond die kunnen leiden tot uniformering (het salaris van de MP als plafond) of zelfs hernieuwde centralisatie van het overleg. Wat staat er op het spel?
Ruim tien jaar geleden werd de publieke sector in verschillende geledingen opgedeeld, waarbinnen werkgevers en werknemers overleg gingen voeren over de arbeidsvoorwaarden. Politie, gemeente, rijk, en meer. Forse onderlinge beloningsverschillen tussen sectoren zijn in die periode niet ontstaan, onderhandelaars letten nauwgezet op elkaars resultaten. De variatie in de loonontwikkeling in vrijwel alle sectoren blijft de laatste vijf jaar beperkt tot zestien a achttien procent. Echte verschillen doorvoeren zou ook lastig zijn; kijk maar naar Prorail-personeel. Zij voeren als reden voor de gewenste loonstijging aan dat de oude NS-collega's over de achterliggende jaren beter af waren met de eigen CAO.
Tegelijkertijd kost het uitonderhandelen van de arbeidsvoorwaarden in de diverse sectoren veel tijd en moeite. Zeker voor sectoren met weinig werknemers als rechtelijke macht, waterschappen en provincies en voor kleine zelfstandige bestuursorganen met maximaal duizend werknemers. Gewoon de uitkomsten van rijk of gemeenten overnemen, is hier best te verdedigen. Het scheelt ook in de kosten.
Verdergaande decentralisatie zou wel verdedigbaar zijn voor grote organisaties, zoals voor de drie grootste rijksuitvoeringsorganisaties, die alle tenminste tienduizend medewerkers tellen en zeer onderscheidenlijke taken verrichten. Arbeidsvoorwaarden zouden op maat gemaakt kunnen worden, afhankelijk van de verrichte werkzaamheden.
Behalve sectoraal overleg is ook normalisatie van arbeidsverhoudingen voortdurend het oogmerk geweest. In plaats van een dictaat van de overheidswerkgever zou 'open en reëel overleg' tussen werkgevers en werknemers moeten plaatsvinden. Verder zouden ambtenaren hun speciale status verliezen en een gewoon arbeidscontract krijgen, uiteindelijk zelfs een echte CAO. Hoever is het daarmee?
Er is formeel nog steeds geen sprake van een CAO, al wordt dit begrip alom gebruikt. Ambtenaren kennen ook nog steeds een apart soort aanstelling, geen gewoon arbeidscontract. Dat is overigens vooral een formaliteit. Veel specifieke en bovenwettelijke arrangementen zijn voor de meeste ambtenaren inmiddels verdwenen of gaan verdwijnen. Ambtenaar zijn wordt een gewone baan. Dus hoewel de aparte ambtenarenstatus materieel bijna is verdwenen, bestaat deze formeel nog wel. Aperte tegenstanders van afschaffing hechten vanuit het belang van een hoogstaande ambtelijke integriteit aan een symbolische maar blijvende 'aparte ambtenarenstatus'.
Vakbonden tenslotte beleven de huidige onderhandelingen met overheidswerkgevers nog steeds niet als echt 'open en reëel'. Zij botsen op dichtgetimmerde regeerakkoorden, waarin nullijnen voor de hele publieke sector zijn vastgelegd. Hoezo normalisatie, hoezo open en reëel overleg, vragen zij zich af.
Daarom zijn de meeste Nederlandse werkonderbrekingen dit jaar vooral in en rond de publieke sector. En dat recht tot staken is wel weer een grote verworvenheid. Recente oproepen tot een hernieuwd stakingsverbod voor sommige sectoren, zoals bij kamerleden en wetenschappers, zijn daarom te betreuren. Naarmate regeerakkoorden minder in dictaatvorm zijn geformuleerd en arbeidsvoorwaardenoverleg meer open en reëel van karakter is, zullen stakingen nog minder dan nu voorkomen. En hoeven onderhandelingen niet zo lang te duren