Column Binnenlands Bestuur dd 7 oktober 2005
Mag een overheidsorganisatie zelf marktactiviteiten gaan verrichten om zo de marktwerking te verbeteren? Mag een gemeente een eigen aannemersbedrijf starten, elders vuilnis gaan ophalen of gemeentelijke postbodes werven? Onverwacht is dit debat weer aangezwengeld.
Het debat of marktactiviteiten ook door overheidsorganisaties mogen (blijven) plaatsvinden loopt al meer dan 10 jaar. Waarom zouden we een gemeentelijk slachthuis in stand houden als er voldoende commerciële vleesverwerkers zijn? Waarom moeten ambtenaren de plantsoenen schoffelen wanneer voldoende hoveniers dit kunnen. Een tijdloos debat. Alles wat overheden thans aan taken uitvoeren is ooit eerder door bedrijven gedaan, en andersom, stelde beleidswetenschapper Aaron Wildavsky vast. Legers zijn lang privaat gefinancierd, bordelen en drugsverkoop zijn in overheidshanden geweest.
Toch is het debat vooral geformuleerd als kritiek op overheidsorganisaties die tegen betaling extra werkzaamheden verrichten. Voorbeelden te over. Het KNMI vermarktte weerinformatie, universiteiten verrichten betaald onderzoek, gemeentelijke vuilnisophaaldiensten knapten elders klusjes op en het gevangeniswezen heeft haar productenpakket buiten de traditionele wasknijpers om sterk verbreed.
Kritiek hierop betreft zowel economische als culturele aspecten. Economische bezwaren komen er in de kern op neer dat marktactiviteiten kunnen worden gekruissubsidieerd vanuit de publieke budgetten van overheidsorganisaties. Hierdoor worden private partijen oneigenlijk beconcurreert en tarieven met belastinggeld kunstmatig laag gehouden.
Als meer cultureel bezwaar geldt dat marktactiviteiten uiteindelijk publieke taken zouden verdringen. De beste krachten, de meeste energie en innovatie gaan zitten in markactiviteiten, de publieke taakvervulling wordt gaandeweg verwaarloosd.
Hoewel een door Economische Zaken ingediend wetsvoorstel 'Markt en Overheid' nooit door het parlement en de kritiek op ‘hybride organisaties’ niet onweersproken is gebleven, blijft de heersende teneur dat overheden terughoudend moeten zijn met marktactiviteiten.
Nu echter wakkert de kersverse VU-hoogleraar Gradus in zijn oratie dit debat weer aan. Hoewel hij in algemene zin tegen marktactiviteiten van 'hybride' organisaties is, ziet hij één reden om dit toch toe te staan, namelijk wanneer een markt slecht werkt door gebrek aan aanbieders. Via berekeningen en schattingen voor de gemeentelijke huisvuilinzameling maakt Gradus aannemelijk dat tal van gemeenten erg duur uit zijn door gebrek aan reële keuzen, nu in bepaalde provincies slechts een of enkele aanbieders de markt domineren en dus sprake lijkt van regionale monopolies of kartels. Dan zou de marktwerking in theorie dus juist verbeteren wanneer nog bestaande gemeentelijke huisvuilinzamelaars ook in andere gemeenten meedingen om opdrachten, in concurrentie met private aanbieders. Verbeterde marktwerking door nieuwe (publieke) toetreders zouden kunnen leiden tot besparingen bij opdrachtgevers in de ordegrootte van 1/6 van de kosten, aldus indicatieve becijferingen van Gradus.
Zijn zienswijze opent de weg voor veel aanvullende vragen die wel een antwoord verdienen. Zijn er ook andere remedies om de marktwerking te verbeteren dan publieke toetreders? Voor welke terreinen gaat de redenering van Gradus op? Is de beoogde postbezorging door sociale werkplaatsen nu economisch gelegitimeerd? Moet in geval van onvoldoende aanbieders of kartelvorming de overheid in het uiterste geval een eigen bedrijf beginnen of zelfs een private partij overnemen? Een goed debat is nodig voordat er gemeentelijke supermarkt komen, louter omdat de laatste buurtsuper in kleine dorpen zo duur is.