Column Binnenlands Bestuur dd 22 december 2006
De komende kabinetswisseling vraagt van de nieuwe ministers straks de nodige lenigheid. Ze moeten eerst de oude begroting verdedigen. voordat ze nieuw beleid kunnen presenteren en waarschijnlijk ook snoeiplannen verdedigen juist nu de economie opbloeit en de overheidsfinanciën floreren. Staatsrechtelijke en beleidsmatige acrobaten gezocht kortom.
Ten eerste de staatsrechtelijk kant. Nieuwe ministers moeten waarschijnlijk direct vanaf het koninklijk bordes door naar de Senaat om de begrotingsvoorstellen van het vorige kabinet voor 2007 te verdedigen. De voorstellen zijn dit najaar aangenomen door de Tweede Kamer, deels in oude samenstelling,, deels door de nieuwe Kamer. Kan een nieuwe ministersploeg dan nog wel wat wijzigen voor 2007? Het is een goede en terechte vraag van iedere nieuwe bewindspersoon na zijn aantreden. ‘Wat is er nog te schuiven of moet ik eerst een jaar het beleid van het oude kabinet uitvoeren voordat ik zelf keuzen kan maken’?
Tja, uitgesloten is het niet dat terwijl intern hard gewerkt wordt aan bijstelling van de begrotingen 2007, binnen de smalle marges die er nu eenmaal zijn, eerst nog de oude voorstellen moeten worden verdedigd. Daarna, pas bij Voorjaarsnota 2007 kunnen eigen accenten worden gelegd. Een zekere gespletenheid moet zo’n bewindspersoon dus wel hebben. Met droge ogen de Senaat vragen in te stemmen met het ene begrotingswetvoorstel en ondertussen werken aan iets heel anders.
Kan het anders? Lastig. We kunnen de Senaat redelijkerwijs niet vragen om de begrotingen 2007 pas te behandelen wanneer de eerste suppletore wijzigingen zijn ingediend. Want een wijzigingwet bij de Tweede Kamer indienen op een door de Eerste kamer nog niet bekrachtigd wetsvoorstel is wel heel onstaatsrechtelijk. Andere optie voor de Senaat; : snel na kerst de begrotingen 2007 nog met het oude kabinet behandelen. Maar ja, dat is ook kermis, aftredende bewindslieden een begroting laten verdedigen die hun opvolger gaat wijzigen. Een snelle formatie dus graag.
In een ander opzicht is een lange formatie echter wel goed. Niets is namelijk zo heilzaam voor de rijksfinanciën als een demissionair kabinet. Hoe langer er geen nieuw kabinet wordt gevormd, des te minder nieuw beleid of uitgaven. Nu al overtreffen de ramingen voor het eindejaarssaldo van 2006 elkaar in hoog tempo. In september werd in de Miljoenennota een overschot van 0,1% verwacht. De laatste officiële ramingen uit de recent gepubliceerde Najaarsnota van Zalm voorspelt al een overschot van 0,4% . En de allernieuwste kasramingen van Financiën, die alleen op de Financiën-website worden gepubliceerd maar niet aan het parlement gemeld, laten een nog hoger komend miljardenoverschot zien. Historisch is ook dat onze staatsschuld eind 2006 onvoorzien onder de 50% BBP uitkomst. Gerekend naar schuldomvang en jaarsaldo behoort Nederland nu top de kopgroep van EU-landen. Het vergt heel wat acrobatische vaardigheiden voor het (nieuwe) kabinet om enerzijds dikke zwarte cijfers te publiceren, maar tegelijkertijd te blijven melden dat er weinig ruimte is voor de gevraagde loonsverhoging van rijksambtenaren. En conform de verkiezingsprogramma’s duizenden ambtenarenplekken schrappen bij dit budgettaire succes, het wordt nog even spannend dit voorjaar.
Een overzicht van publicaties als onderzoeker aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Wil je reageren ? bestebreur@fsw.eur.nl of #bestebreur op Twitter
maandag, december 18, 2006
maandag, december 04, 2006
Ondertussen bij de buren
Column Binnenlands Bestuur dd 8 december 2006
Het kan u niet zijn ontgaan, Gerrit Zalm vertrekt. De flipperaar (autocorrectie : liberaal). Zijn eigenheid maakte altijd al de tongen los. Zo leidde zijn tienjarig ministerschap medio 2005 tot een Liber Amicorum met hilarische foto’s en aardige briefjes, ‘Zalmsnippers’, waarin velen een laudatio mochten uitbrengen. De mooiste? Moeilijk, toch maar deze van een Britse journaliste. ‘I’m in awe of the remarks he’s making: Mr. Zalm would not last a week in British politics. It’s unbelievable that he has spend 10 years in office with such a lack of political correctness’. Je hoort het een Thatcher-typetje zeggen. Heerlijk!
Ook zijn komende afscheid maakte veel los. Toch is er een gapend gat tussen de officiële, evenwichtige commentaren op TV, radio, kranten en vooral de website van Financiën enerzijds en de laten we zeggen, vox populi, de talloze anonymi op het internet anderzijds.
Weblog Zalm zelf: ‘Zondag naar het TV-programma Buitenhof. Vertel dat ik me na de formatie zal terugtrekken uit de actieve politiek. Teletekst, radio en TV besteden er aandacht aan als ware ik overleden. (..) Luister naar het Oog op Morgen waar Rick van der Ploeg (PvdA), Bert de Vries (CDA) en Kees Vendrik (GL) mijn politieke dood en verleden bespreken. Als dode mag ik niet klagen’.
Op internet gaat het er ondertussen wilder aan toe. In plaats van de vijftig brave Hendrikken op de Financiën-site poppen op nieuwssites echt duizenden korte, krachtige, laten we zeggen zeer gemengde reacties op. Want ook daar is lof voor hem, deels uit ‘vrees voor de komende regering met (in internettaal) ‘Wouter Boslim’ en ‘communistenleider Marijnissen’. Maar klinken ook veel ‘andere’ geluiden, vrijwel altijd anonymi, helaas zonder uitzondering niet de bal maar de man spelend.
‘Het lijkt erop dat Zalmpje nu zijn zakken gaat vullen in het bedrijfsleven’.
‘Dag politiek. Hallo tien commissariaten.’
‘Eindelijk, dit is alleen 2 regeerperioden te laat. Creëert eerst de armoe en dan pleiten.’
‘Gaat die nu directeur worden van de vereniging van voedselbanken?’
‘De staatsschuld is nu hoger dan toen ie begon.’
‘Hij zal wel voor het grote geld naar de DSB Bank gaan.’
‘Topfunctie krijgt ie bij een zorgverzekeraar.’
‘Er is altijd wel een energiebedrijf dat een baas nodig heeft.’
‘Hij is de man die de gulden tegen een veel te lage prijs verkwanselt heeft.’
‘Weer een die vijf jaar zijn wachtgeld gaat opstrijken.’
‘Zalm heeft in 12 jaar Nederland verkocht aan buitenlandse aandeelhouders, nu Schiphol weer.’
Zijn ambtenaren, die hem al jaren op handen dragen, houden deze en ergere teksten waarschijnlijk een beetje voor hem weg.
Weblog Zalm, Woensdag 29 november: ‘Word er door voorlichters op geattendeerd dat het gastenboek vanaf zondag aardig gevuld raakt met meelevende positieve berichten. Hartelijk dank daarvoor, stel ik zeer op prijs.’ Aardig van de voorlichters. Laat een milde internetter daarom maar het laatste woord hebben. ‘Het ga je goed ouwe flipperaar’.
Of nog beter: Zalm zelf, die achterin een sportvliegtuigje de stuntende piloot eens boos toeriep : Hou daar onmiddellijk mee op! Ik ben een belangrijk man!!! En zo is het.
Het kan u niet zijn ontgaan, Gerrit Zalm vertrekt. De flipperaar (autocorrectie : liberaal). Zijn eigenheid maakte altijd al de tongen los. Zo leidde zijn tienjarig ministerschap medio 2005 tot een Liber Amicorum met hilarische foto’s en aardige briefjes, ‘Zalmsnippers’, waarin velen een laudatio mochten uitbrengen. De mooiste? Moeilijk, toch maar deze van een Britse journaliste. ‘I’m in awe of the remarks he’s making: Mr. Zalm would not last a week in British politics. It’s unbelievable that he has spend 10 years in office with such a lack of political correctness’. Je hoort het een Thatcher-typetje zeggen. Heerlijk!
Ook zijn komende afscheid maakte veel los. Toch is er een gapend gat tussen de officiële, evenwichtige commentaren op TV, radio, kranten en vooral de website van Financiën enerzijds en de laten we zeggen, vox populi, de talloze anonymi op het internet anderzijds.
Weblog Zalm zelf: ‘Zondag naar het TV-programma Buitenhof. Vertel dat ik me na de formatie zal terugtrekken uit de actieve politiek. Teletekst, radio en TV besteden er aandacht aan als ware ik overleden. (..) Luister naar het Oog op Morgen waar Rick van der Ploeg (PvdA), Bert de Vries (CDA) en Kees Vendrik (GL) mijn politieke dood en verleden bespreken. Als dode mag ik niet klagen’.
Op internet gaat het er ondertussen wilder aan toe. In plaats van de vijftig brave Hendrikken op de Financiën-site poppen op nieuwssites echt duizenden korte, krachtige, laten we zeggen zeer gemengde reacties op. Want ook daar is lof voor hem, deels uit ‘vrees voor de komende regering met (in internettaal) ‘Wouter Boslim’ en ‘communistenleider Marijnissen’. Maar klinken ook veel ‘andere’ geluiden, vrijwel altijd anonymi, helaas zonder uitzondering niet de bal maar de man spelend.
‘Het lijkt erop dat Zalmpje nu zijn zakken gaat vullen in het bedrijfsleven’.
‘Dag politiek. Hallo tien commissariaten.’
‘Eindelijk, dit is alleen 2 regeerperioden te laat. Creëert eerst de armoe en dan pleiten.’
‘Gaat die nu directeur worden van de vereniging van voedselbanken?’
‘De staatsschuld is nu hoger dan toen ie begon.’
‘Hij zal wel voor het grote geld naar de DSB Bank gaan.’
‘Topfunctie krijgt ie bij een zorgverzekeraar.’
‘Er is altijd wel een energiebedrijf dat een baas nodig heeft.’
‘Hij is de man die de gulden tegen een veel te lage prijs verkwanselt heeft.’
‘Weer een die vijf jaar zijn wachtgeld gaat opstrijken.’
‘Zalm heeft in 12 jaar Nederland verkocht aan buitenlandse aandeelhouders, nu Schiphol weer.’
Zijn ambtenaren, die hem al jaren op handen dragen, houden deze en ergere teksten waarschijnlijk een beetje voor hem weg.
Weblog Zalm, Woensdag 29 november: ‘Word er door voorlichters op geattendeerd dat het gastenboek vanaf zondag aardig gevuld raakt met meelevende positieve berichten. Hartelijk dank daarvoor, stel ik zeer op prijs.’ Aardig van de voorlichters. Laat een milde internetter daarom maar het laatste woord hebben. ‘Het ga je goed ouwe flipperaar’.
Of nog beter: Zalm zelf, die achterin een sportvliegtuigje de stuntende piloot eens boos toeriep : Hou daar onmiddellijk mee op! Ik ben een belangrijk man!!! En zo is het.
dinsdag, november 21, 2006
Wie komt er op Financiën ?
Column Binnelands Bestuur dd 24 november 2006
Twee dagen na de verkiezingen ligt de grote vraag ter tafel: Wie gaan de posten in het nieuwe kabinet bezetten? Het antwoord zal vast nog weken zo niet maanden op zich laten wachten, maar bij de selectie van kandidaten is de bezetting van de sleutelposten altijd een eerste opgave. Wie krijgt Financiën? Blijft Zalm, gesteld dat de VVD weer een vice-premier en de minister van Financiën mag leveren, of wordt het Rita Verdonk?
Voor de verkiezingen liet Rita Verdonk optekenen dat ze niet beoogde terug te keren op Integratie. Volksgezondheid leek haar wel wat. Of Veiligheid, Onderwijs of Verkeer. Maar waarom eigenlijk niet Financiën? Immers, de les van de afgelopen kabinetten is geweest dat een sterke tandem Algemene Zaken – Financiën, premier en vice-premier, de ruggengraat vormt van een kabinet. Wie echt de macht zoekt, moet Financiën ambiëren.
De eerste les die de PvdA in 1989 trok na de succesvolle jaren van het sterke span Lubbers-Ruding was dat ze haar eerste man, Wim Kok op Financiën moest zetten. ‘Te zwaar’, riepen de commentatoren destijds, Financiën, het vice-premierschap en partijleiderschap in een persoon verzameld. De geschiedenis leerde anders. Het kabinet zat de rit uit en Kok kon moeiteloos promoveren tot een achtjarig premierschap.
Ook internationaal wordt een zittende minister-president steeds vaker opgevolgd door zijn of haar minister van Financiën. In Canada is dit bijna de regel, Verhofstadt promoveerde in België langs die weg en ook in Groot-Brittannië werd eerst Margareth Thatcher verruild voor schatkistbewaarder John Major en wordt volgend jaar Tony Blair afgelost door Gordon Brown, al jaren ‘Chancellor of the Exchequer’.
Het pad richting premierschap loopt dus via Financiën, niet via Verkeer of Zorg. Toch noemde Verdonk die post niet. Waarom niet? Toegegeven, Nederland heeft nog nooit een vrouwelijke minister van Financiën gekend en ze is geen econoom. Maar dat moet geen obstakel zijn, we hebben ook nog geen vrouwelijke premier gekend. Wat dan wel? Een denkbare reden dat Verdonk Financiën niet expliciet noemde kan zijn geweest dat ze de zittende vice-premier niet te openlijk tegen zich in het harnas wilde jagen en voor de verkiezingen niet nog meer tweedracht wilde zaaien. Zalm heeft immers aangegeven pas rond de kerst uitsluitsel te willen geven over zijn toekomst. Maar eigenlijk was haar boodschap voor de goede verstaander duidelijk. Als de VVD gaat regeren wil zij de vice-premier zijn en is er geen plaats meer voor Gerrit Zalm als vice-premier. Die zal haar woorden op waarde hebben gewogen en zich afvragen of hij een degradatie tot gewoon kabinetslid onder Verdonk accepteert. En komt door Verdonks uitspraken zo de weg vrij voor haar naar Financiën, als tussenstap naar meer?
Twee dagen na de verkiezingen ligt de grote vraag ter tafel: Wie gaan de posten in het nieuwe kabinet bezetten? Het antwoord zal vast nog weken zo niet maanden op zich laten wachten, maar bij de selectie van kandidaten is de bezetting van de sleutelposten altijd een eerste opgave. Wie krijgt Financiën? Blijft Zalm, gesteld dat de VVD weer een vice-premier en de minister van Financiën mag leveren, of wordt het Rita Verdonk?
Voor de verkiezingen liet Rita Verdonk optekenen dat ze niet beoogde terug te keren op Integratie. Volksgezondheid leek haar wel wat. Of Veiligheid, Onderwijs of Verkeer. Maar waarom eigenlijk niet Financiën? Immers, de les van de afgelopen kabinetten is geweest dat een sterke tandem Algemene Zaken – Financiën, premier en vice-premier, de ruggengraat vormt van een kabinet. Wie echt de macht zoekt, moet Financiën ambiëren.
De eerste les die de PvdA in 1989 trok na de succesvolle jaren van het sterke span Lubbers-Ruding was dat ze haar eerste man, Wim Kok op Financiën moest zetten. ‘Te zwaar’, riepen de commentatoren destijds, Financiën, het vice-premierschap en partijleiderschap in een persoon verzameld. De geschiedenis leerde anders. Het kabinet zat de rit uit en Kok kon moeiteloos promoveren tot een achtjarig premierschap.
Ook internationaal wordt een zittende minister-president steeds vaker opgevolgd door zijn of haar minister van Financiën. In Canada is dit bijna de regel, Verhofstadt promoveerde in België langs die weg en ook in Groot-Brittannië werd eerst Margareth Thatcher verruild voor schatkistbewaarder John Major en wordt volgend jaar Tony Blair afgelost door Gordon Brown, al jaren ‘Chancellor of the Exchequer’.
Het pad richting premierschap loopt dus via Financiën, niet via Verkeer of Zorg. Toch noemde Verdonk die post niet. Waarom niet? Toegegeven, Nederland heeft nog nooit een vrouwelijke minister van Financiën gekend en ze is geen econoom. Maar dat moet geen obstakel zijn, we hebben ook nog geen vrouwelijke premier gekend. Wat dan wel? Een denkbare reden dat Verdonk Financiën niet expliciet noemde kan zijn geweest dat ze de zittende vice-premier niet te openlijk tegen zich in het harnas wilde jagen en voor de verkiezingen niet nog meer tweedracht wilde zaaien. Zalm heeft immers aangegeven pas rond de kerst uitsluitsel te willen geven over zijn toekomst. Maar eigenlijk was haar boodschap voor de goede verstaander duidelijk. Als de VVD gaat regeren wil zij de vice-premier zijn en is er geen plaats meer voor Gerrit Zalm als vice-premier. Die zal haar woorden op waarde hebben gewogen en zich afvragen of hij een degradatie tot gewoon kabinetslid onder Verdonk accepteert. En komt door Verdonks uitspraken zo de weg vrij voor haar naar Financiën, als tussenstap naar meer?
dinsdag, november 07, 2006
Ondertussen, in de Senaat
Column Binnenlands Bestuur dd 10 november 2006
Terwijl half Nederland uitkeek naar het debat van de kandidaat-premiers, deed de Eerste Kamer in alle stilte haar werk in het langverwachte debat over zelfstandige bestuursorganen. En eerlijk is eerlijk, hoewel minder glossy dan ‘politici on ice’ was het inhoudelijk ook enerverend.
Waar ging het ook al weer om? Nederland kent van oudsher talloze zelfstandige bestuursorganen als het UWV en Kadaster. Volgens de Algemene Rekenkamer zijn er zelfs zo’n 1900 instellingen, die 120 miljard euro publiek geld per jaar besteden, waarvan 60% gefinancierd uit tarieven. De snelle groei van het aantal ZBO’s in de jaren negentig gaf aanleiding tot het schrijven van een kaderwet. Die legt vast waarom ZBO’s mogen worden ingesteld en wat en soms hoe allerlei zaken in de instellingswetten van ZBO’s moeten worden geregeld.
Lang traineerden de departementen de totstandkoming van de Kaderwet, het ontbreken ervan gaf ruimte voor maatwerk, om uitvoeringsorganisaties wat lucht te geven, lastige of omvangrijke departementsonderdelen op afstand te zetten of beleid een beetje in de luwte te manoeuvreren.
De ooit ingediende ‘kale kaderwet’ is echter door de Tweede Kamer in 2002 via diverse amendementen flink aangevuld. Toch bleef de wet nog lang liggen, vooral omdat het kabinet Balkenende een voor ZBO’s vernietigend rapport van Kohnstam cs. had omarmd. Strekking hiervan is dat zowat alle ZBO-statussen worden ingetrokken. Publieke taken en publiek geld moeten weer onder de volledige politiek verantwoording. Einde van bijna alle ZBO’s kortom.
Nu was de Eerste Kamer aan zet. Daar signaleerde Van Thijn (PvdA), Van Raak (SP) en anderen terecht de ongerijmdheden in het wetsvoorstel. Er ligt een wet maar ook het beleidsvoornemen om vele statussen in te trekken. Er ontbreekt een visie op nut en noodzaak van ZBO’s ten opzichte van agentschappen, intern verzelfstandigde diensten. De kaderwet is nog steeds vrij kaal, een quasi-kaderwet, volgens sommigen en veel ZBO’s vallen nog buiten de definities van de kaderwet, heeft de wet dan wel zin?
Minister Nicolai, de zoveelste minister die zich voor de verdediging van de wet verantwoordelijk wist, had het niet makkelijk. Zijn charme redde hem echter. Hij vergat hier en daar wat vragen te beantwoorden maar verontschuldigde zich dan door te zeggen dat hij tijdens het debat ‘ook bezig was met de voorbereiding van een belangrijke bijeenkomst met de Antillen’. Hier was zelfs begrip voor in de Senaat (de goeierds).
Zijn verdediging was echter effectief. Neemt u de wet alstublieft aan, komend jaar zal voor ieder ZBO secuur worden nagegaan of de status niet wordt ingetrokken in lijn met het gedachtegoed Kohnstam, maar dan hebben we vast een wet. En verrassend, op het heikel punt van de bezoldiging: de nu vrijwel ongeregelde bezoldiging van bestuurders wordt voortaan expliciet door vakministers vastgesteld en moet per afzonderlijke bestuurder in het ZBO-jaarverslag worden geopenbaard. En zo was het glas voor de senatoren toch nog half vol en kon het wetsvoorstel zonder stemming worden aangenomen.
De echte strijd zal echter nu pas losbranden. Hoe zelfstandig blijven ZBO’s, dat is de sleutelvraag ? ZBO’s moeten hun voortbestaan komende maanden verdedigen bij de departementen, die op de huid worden gezeten door Binnenlandse Zaken en Financiën. Daarna mag het parlement met het (nieuwe) kabinet aan de slag in het parlement. Wordt vast vervolgd.
Terwijl half Nederland uitkeek naar het debat van de kandidaat-premiers, deed de Eerste Kamer in alle stilte haar werk in het langverwachte debat over zelfstandige bestuursorganen. En eerlijk is eerlijk, hoewel minder glossy dan ‘politici on ice’ was het inhoudelijk ook enerverend.
Waar ging het ook al weer om? Nederland kent van oudsher talloze zelfstandige bestuursorganen als het UWV en Kadaster. Volgens de Algemene Rekenkamer zijn er zelfs zo’n 1900 instellingen, die 120 miljard euro publiek geld per jaar besteden, waarvan 60% gefinancierd uit tarieven. De snelle groei van het aantal ZBO’s in de jaren negentig gaf aanleiding tot het schrijven van een kaderwet. Die legt vast waarom ZBO’s mogen worden ingesteld en wat en soms hoe allerlei zaken in de instellingswetten van ZBO’s moeten worden geregeld.
Lang traineerden de departementen de totstandkoming van de Kaderwet, het ontbreken ervan gaf ruimte voor maatwerk, om uitvoeringsorganisaties wat lucht te geven, lastige of omvangrijke departementsonderdelen op afstand te zetten of beleid een beetje in de luwte te manoeuvreren.
De ooit ingediende ‘kale kaderwet’ is echter door de Tweede Kamer in 2002 via diverse amendementen flink aangevuld. Toch bleef de wet nog lang liggen, vooral omdat het kabinet Balkenende een voor ZBO’s vernietigend rapport van Kohnstam cs. had omarmd. Strekking hiervan is dat zowat alle ZBO-statussen worden ingetrokken. Publieke taken en publiek geld moeten weer onder de volledige politiek verantwoording. Einde van bijna alle ZBO’s kortom.
Nu was de Eerste Kamer aan zet. Daar signaleerde Van Thijn (PvdA), Van Raak (SP) en anderen terecht de ongerijmdheden in het wetsvoorstel. Er ligt een wet maar ook het beleidsvoornemen om vele statussen in te trekken. Er ontbreekt een visie op nut en noodzaak van ZBO’s ten opzichte van agentschappen, intern verzelfstandigde diensten. De kaderwet is nog steeds vrij kaal, een quasi-kaderwet, volgens sommigen en veel ZBO’s vallen nog buiten de definities van de kaderwet, heeft de wet dan wel zin?
Minister Nicolai, de zoveelste minister die zich voor de verdediging van de wet verantwoordelijk wist, had het niet makkelijk. Zijn charme redde hem echter. Hij vergat hier en daar wat vragen te beantwoorden maar verontschuldigde zich dan door te zeggen dat hij tijdens het debat ‘ook bezig was met de voorbereiding van een belangrijke bijeenkomst met de Antillen’. Hier was zelfs begrip voor in de Senaat (de goeierds).
Zijn verdediging was echter effectief. Neemt u de wet alstublieft aan, komend jaar zal voor ieder ZBO secuur worden nagegaan of de status niet wordt ingetrokken in lijn met het gedachtegoed Kohnstam, maar dan hebben we vast een wet. En verrassend, op het heikel punt van de bezoldiging: de nu vrijwel ongeregelde bezoldiging van bestuurders wordt voortaan expliciet door vakministers vastgesteld en moet per afzonderlijke bestuurder in het ZBO-jaarverslag worden geopenbaard. En zo was het glas voor de senatoren toch nog half vol en kon het wetsvoorstel zonder stemming worden aangenomen.
De echte strijd zal echter nu pas losbranden. Hoe zelfstandig blijven ZBO’s, dat is de sleutelvraag ? ZBO’s moeten hun voortbestaan komende maanden verdedigen bij de departementen, die op de huid worden gezeten door Binnenlandse Zaken en Financiën. Daarna mag het parlement met het (nieuwe) kabinet aan de slag in het parlement. Wordt vast vervolgd.
dinsdag, oktober 24, 2006
WWW.GRATIS.NL
Column Binnelands Bestuur dd 27 oktober 2006
Het is verkiezingstijd. Er wordt veel beloofd. Wat het bedrijfsleven ons al veel eerder voorhield, wordt nu ook gemeengoed in de publieke sector. Nederland wordt gratis. Kijk maar. De weggeefmaatschappij in wording.
Metro.
Spits.
Boekhoorns koerier (incl. Wiegel).
Intermediair.
PM Den Haag.
Binnenlands Bestuur.
Reisgidsen.
Proefabonnementen.
Schoolboeken.
Rijksmusea (soms).
Kerkbezoek (wel collecte).
Overnachten in Oost-Duitse hotels (buiten het hoogseizoen).
Publieke zenders.
Talpa-voetbal.
You Tube-filmpjes.
Downloaden.
Skypen.
Mobiele telefoons (bij jaar abonnement).
Ringtones.
Trouwen (op dinsdagochtend).
De blije doos.
Consultatiebureau-bezoek.
Kinderopvang (drie dagen per week).
Bibliotheek (onder de 16).
Stemwijzer.nl.
Stemmen.
Bos (gratis bij een stem op Rouvoet, volgen Verhagen).
Balkenende (gratis bij een stem op Bos, volgen Marijnissen).
Liften.
Sommige vliegreizen (ex. luchthavenbelasting).
Openbaar vervoer (ouderen).
Parfumtesters.
XTC-test.
Methadon (mits verslaafd).
Heroïne (proef)
Gevangenisverblijf (nog wel).
Niet alles wat goed is, is gratis. En niet alles wat gratis is, is goed.
Het is verkiezingstijd. Er wordt veel beloofd. Wat het bedrijfsleven ons al veel eerder voorhield, wordt nu ook gemeengoed in de publieke sector. Nederland wordt gratis. Kijk maar. De weggeefmaatschappij in wording.
Metro.
Spits.
Boekhoorns koerier (incl. Wiegel).
Intermediair.
PM Den Haag.
Binnenlands Bestuur.
Reisgidsen.
Proefabonnementen.
Schoolboeken.
Rijksmusea (soms).
Kerkbezoek (wel collecte).
Overnachten in Oost-Duitse hotels (buiten het hoogseizoen).
Publieke zenders.
Talpa-voetbal.
You Tube-filmpjes.
Downloaden.
Skypen.
Mobiele telefoons (bij jaar abonnement).
Ringtones.
Trouwen (op dinsdagochtend).
De blije doos.
Consultatiebureau-bezoek.
Kinderopvang (drie dagen per week).
Bibliotheek (onder de 16).
Stemwijzer.nl.
Stemmen.
Bos (gratis bij een stem op Rouvoet, volgen Verhagen).
Balkenende (gratis bij een stem op Bos, volgen Marijnissen).
Liften.
Sommige vliegreizen (ex. luchthavenbelasting).
Openbaar vervoer (ouderen).
Parfumtesters.
XTC-test.
Methadon (mits verslaafd).
Heroïne (proef)
Gevangenisverblijf (nog wel).
Niet alles wat goed is, is gratis. En niet alles wat gratis is, is goed.
dinsdag, oktober 10, 2006
Geef burgers keuzen
Column Binnelands Bestuur dd 13 oktober 2006
Bestrijden van roken, alcoholgebruik, vetzucht, diabetes en depressies zijn de vijf speerpunten van VWS in haar beleidsplan : Kiezen voor een gezond leven. Het is roerend om te zien hoe de staat zich inzet voor het fysieke welzijn van haar onderdanen. Sommige burgers gaat dat nog niet vergenoeg. Ze drinken geen kraanwater maar flessenwater. Hun kinderen dragen vrijwillig fietshelmen en vader jogt een uurtje na zijn werk (hoewel de man het helemaal niet leuk vindt). Andere groepen burgers negeren alle welgemeende overheidsvoorlichting. Hoe daar op in te spelen ?
De staatsbemoeienis met ons leven begint vroeg. Seksuele voorlichting, voorlichting rond de zwangerschap, consultatiebureau en inentingen voor de jongsten. De nieuwe peutertoets van Rutte en leerplicht voor scholieren, maar ook tot het 16e jaar het verbod brommer te rijden en alcohol en sigaretten kopen of te werken. Daarentegen later zonodig wel methadon of zelfs heroïne. Autogordels, stoelverhogers, de staat heeft het beste met ons voor. Burgers zelf lang niet altijd zo risico-avers. Ze rijden ook massaal in auto’s zonder vijf veiligheidssterren, bellen onderweg, , vergeten gordels, roken en drinken, slikken, spuiten en snuiven. Blijkbaar accepteren velen dat niet altijd alles wat je doet helemaal goed voor je is. Niet altijd het beste willen is blijkbaar ook een optie.
Wanneer het echter op publiek dienstverlening aankomt, lijkt het echter, of alleen het beste goed genoeg is. En dat kan best anders. Als de burger zelf een afweging maakt tussen goed en minder goed, duurdere en goedkopere oplossingen, kan in de publieke dienstverlening ook veel meer dan nu gedifferentieerd worden in prijs en kwaliteit. Het is gewenst niet altijd alles altijd van topkwaliteit te leveren – tegen dito kosten.
Laat de burger daarom veel vaker dan nu een eigen afweging maken tegen welke prijs en kwaliteit hij publieke diensten wenst. En dat kan verrassende uitkomsten opleveren. Differentiatie kortom in de kwaliteit van de publieke dienstverlening, aansluitend bij de voorkeuren en betalingsbereidheid bij burgers, lijkt veel vaker dan nu mogelijk. Voorbeelden? Ze bestaan deels maar er kan veel meer. Langzame en snelle -maar duurdere- postbezorging. Gratis trouwen op maandagochtend, toptarief op vrijdag en zaterdag. Goedkoper leidingwater maar zelf consumptiewater optimaliseren via een filter. Vaker huisvuil inzamelen maar alleen voor wie een hogere vergoeding betaalt. We kennen al een sterke tariefdifferentiatie in de trein, de rest van het OV kan volgen.Zo wordt eindelijk ook extra maar dan wel duurdere service mogelijk. Recente boeken lenen in de bibliotheek maar tegen een (hogere) leenvergoeding. Een paspoort of rijbewijs aanvragen kost vijf dagen, kan dat niet op plaatsen als Schiphol en utrecht CS in een uur, zo nodig tegen dubbel tarief? Versnelde afhandeling van een bouwvergunning is een aanvrager vaak veel waard, maak het daarom mogelijk tegen een passend tarief. Vice versa, wanneer publieke dienstverleners niet de beloofde afhandelingtermijn nakomen, is een korting of vergoeding aan de aanvrager redelijk. De overheid hoeft niet altijd het beste te leveren, meer keus bieden aan burgers is vaker dan nu wenselijk.
Bestrijden van roken, alcoholgebruik, vetzucht, diabetes en depressies zijn de vijf speerpunten van VWS in haar beleidsplan : Kiezen voor een gezond leven. Het is roerend om te zien hoe de staat zich inzet voor het fysieke welzijn van haar onderdanen. Sommige burgers gaat dat nog niet vergenoeg. Ze drinken geen kraanwater maar flessenwater. Hun kinderen dragen vrijwillig fietshelmen en vader jogt een uurtje na zijn werk (hoewel de man het helemaal niet leuk vindt). Andere groepen burgers negeren alle welgemeende overheidsvoorlichting. Hoe daar op in te spelen ?
De staatsbemoeienis met ons leven begint vroeg. Seksuele voorlichting, voorlichting rond de zwangerschap, consultatiebureau en inentingen voor de jongsten. De nieuwe peutertoets van Rutte en leerplicht voor scholieren, maar ook tot het 16e jaar het verbod brommer te rijden en alcohol en sigaretten kopen of te werken. Daarentegen later zonodig wel methadon of zelfs heroïne. Autogordels, stoelverhogers, de staat heeft het beste met ons voor. Burgers zelf lang niet altijd zo risico-avers. Ze rijden ook massaal in auto’s zonder vijf veiligheidssterren, bellen onderweg, , vergeten gordels, roken en drinken, slikken, spuiten en snuiven. Blijkbaar accepteren velen dat niet altijd alles wat je doet helemaal goed voor je is. Niet altijd het beste willen is blijkbaar ook een optie.
Wanneer het echter op publiek dienstverlening aankomt, lijkt het echter, of alleen het beste goed genoeg is. En dat kan best anders. Als de burger zelf een afweging maakt tussen goed en minder goed, duurdere en goedkopere oplossingen, kan in de publieke dienstverlening ook veel meer dan nu gedifferentieerd worden in prijs en kwaliteit. Het is gewenst niet altijd alles altijd van topkwaliteit te leveren – tegen dito kosten.
Laat de burger daarom veel vaker dan nu een eigen afweging maken tegen welke prijs en kwaliteit hij publieke diensten wenst. En dat kan verrassende uitkomsten opleveren. Differentiatie kortom in de kwaliteit van de publieke dienstverlening, aansluitend bij de voorkeuren en betalingsbereidheid bij burgers, lijkt veel vaker dan nu mogelijk. Voorbeelden? Ze bestaan deels maar er kan veel meer. Langzame en snelle -maar duurdere- postbezorging. Gratis trouwen op maandagochtend, toptarief op vrijdag en zaterdag. Goedkoper leidingwater maar zelf consumptiewater optimaliseren via een filter. Vaker huisvuil inzamelen maar alleen voor wie een hogere vergoeding betaalt. We kennen al een sterke tariefdifferentiatie in de trein, de rest van het OV kan volgen.Zo wordt eindelijk ook extra maar dan wel duurdere service mogelijk. Recente boeken lenen in de bibliotheek maar tegen een (hogere) leenvergoeding. Een paspoort of rijbewijs aanvragen kost vijf dagen, kan dat niet op plaatsen als Schiphol en utrecht CS in een uur, zo nodig tegen dubbel tarief? Versnelde afhandeling van een bouwvergunning is een aanvrager vaak veel waard, maak het daarom mogelijk tegen een passend tarief. Vice versa, wanneer publieke dienstverleners niet de beloofde afhandelingtermijn nakomen, is een korting of vergoeding aan de aanvrager redelijk. De overheid hoeft niet altijd het beste te leveren, meer keus bieden aan burgers is vaker dan nu wenselijk.
maandag, oktober 02, 2006
Zagen of zaaien ? (essay)
Essay Binnelands Bestuur dd 6 oktober 2006
(met Peter van der Parre)
Tussen alle schermutselingen en aangezette tegenstellingen, tonen de politieke partijen in de aanloop naar de verkiezingen op één punt een opvallende eensgezindheid: er zijn te veel ambtenaren en er is te veel bureaucratie. Terwijl het mes boven het ambtenarenapparaat zweeft, zakt de basis scheef. De uittocht van oudere ambtenaren is veel massaler dan de jonge troepen die aan de poort rammelen. Niet zo zeer de vraag ‘Hoe komen we van ambtenaren af’, moet beantwoord worden, maar de vraag: ‘Hoe komen we er aan?’
Het Nederlandse overheidsapparaat is een van de beste ter wereld, oordelen het Internationaal Monetair Fonds en de OESO. Kwantitatief loopt Nederland evenmin uit de pas. In internationaal perspectief gezien is de publieke sector in Nederland niet buitensporig groot. Er zijn verscheidene Europese landen met hogere overheidsuitgaven of een groter deel van de beroepsbevolking werkzaam in de publieke sector. Bovendien, het beslag van de publieke sector op de nationale economie daalt. Zo is de omvang van de overheidsuitgaven als percentage van de totale economie in de laatste 25 jaar teruggebracht van zo’n 65% van het nationaal inkomen tot 45% nu.
Ondanks deze goede internationale recensies, heerst er binnen de grenzen ontevredenheid. Burgers willen een overheid die handelt waar nodig. Voorbeelden zijn naast de brandveiligheid op Schiphol, de jeugdzorg, de wachtlijsten en kwaliteit in de zorg, voortijdige schoolverlating. Bedrijven vragen om minder administratieve lasten, minder regels en minder bureaucratie. In de politiek vinden de politieke partijen elkaar in kritiek op het overheidsapparaat dat slecht politiek aanstuurbaar zou zijn, te weinig extern georiënteerd, te groot, te bureaucratisch, te verkokerd, en te weinig gericht op resultaat.
In hun verkiezingsprogramma’s gaan de politieke partijen een flinke lijst kwaden te lijf. Een korte opsomming waar het aan zou schorten:
· Er zijn te veel ambtenaren. Partijen pleiten voor vermindering van het aantal beleidsambtenaren, als contramal tegen het belang van uitvoerders die ontzien zouden moeten worden, ‘omdat daar het echte werk geschiedt’. Men doelt dan op de circa tienduizend Haagse beleidsambtenaren die zich in de vierkante kilometer rond het Binnenhof ophouden. Zij zijn de aanstichters van veel regelkwaad, aldus de Raad voor Economische aangelegenheden.
· Er is te veel toezicht. Soms wordt, in het verlengde van de idee van een teveel aan toezicht de reductie van Haagse inspecties bepleit, met als redenenring: minder inspecteurs, minder kosten en minder administratieve (over)last. Vaak wordt dan ook de gebrekkige samenwerking tussen rijks- en decentrale inspecties aangevoerd, die elkaar overlappen of juist tegenwerken zoals bij het gifschip Proba Koala.
· De overhead is te groot. De overhead binnen ambtelijke diensten zou op sommige departementen oplopen tot vijftig procent, wat wil zeggen dat er evenveel inhoudelijke medewerkers zijn als ondersteuners, zoals de koffiejuffrouw, chef, personeelsmedewerker, documentalist, secretaresse, of receptioniste. De definities en daarmee de schattingen van de omvang van deze ‘overhead’ lopen evenwel sterk uiteen. Simpelweg wordt geconcludeerd dat het wel met minder kan. De omvang is een probleem, maar het blijft efficiënter en goedkoper als administratief personeel en niet de duurbetaalde beleidsambtenaar kopietjes maakt en archieven bij houdt.
· Logge zbo’s. Een ander mikpunt vormen zelfstandige bestuursorganen (zbo’s), die te log of omvangrijk zouden zijn, in het bijzonder wordt in verkiezingsprogramma’s de UWV genoemd. De zelfstandigheid van dergelijke bestuursorganen is veel politici sowieso een doorn in het oog. Hoewel ze vrijwel geruisloos de uitvoering van wezenlijke publieke taken ter hand nemen, zijn ze mikpunt van aantijgingen omtrent loonontwikkeling van de directieleden, gebrek aan transparantie, onnodig oppotten van vermogens en meer. Of zbo’s eenvoudig kunnen worden aangepakt is echter de vraag, vaak ontbreekt daartoe de wettelijke basis. Bovendien staan departementen niet te popelen om alle honderden zbo’s weer onder hun directe supervisie te krijgen.
· Dure externen. De te veelvuldig ingehuurde externe consultants zijn ook reden om voor bezuinigingen te pleiten op de rijksdienst. Dit is een vierjaarlijks herhaalde oproep die weliswaar budgettaire effect sorteert, departementen worden taakstellend gekort, maar slechts tijdelijke effecten sorteert. Raamcontracten, eigen interim-pools zoals de groeiende ABD-Interim-pool van toppers op interimbasis en andere pogingen tot goedkoper werken door de departementen ten spijt, consultancy en interim-management blijft een bloeiende branche.
· Te veel beleidsonderzoek. Specifiek noemen diverse partijen dit keer ook de mogelijke beperking van het grote aantal (vaak uitbesteedde) beleidsonderzoeken. Het zal hierbij vooral de politiek zelf moeten zijn die zich beperkt; een aanzienlijk deel van de (juist extern!) uitgevoerde onderzoeken is op instigatie van de politiek. Ook het parlement liet en laat zich bij onderzoeken als de Tijdelijke Commissie Infrastructuur royaal bijstaan door wetenschappers en consultants, ook voor hen een vaak onmisbare groep.
Kritiek op de bureaucratie is geen eendagsvlieg. Bestuurskundige Arthur Ringeling constateerde in zijn werk al de wisselende waardering voor de publieke zaak. Na het positieve elan in de jaren zestig volgde de periode van verguizing ten tijde van Reagan en Thatcher. Onnodige ‘bureaucrat bashing’ volgens de gezaghebbende Amerikaan Charles Goodsell die als repliek het boek ‘A case for bureaucracy’ schreef, wijzend op de rechtszekerheid en -gelijkheid die een moderne bureaucratie burgers biedt. In Nederland heeft vooral Pim Fortuyn impulsen gegeven aan een kritischer bejegening van de bureaucratie. Fortuyn zag ‘een land zonder ambtenaren’ voor zich. Medewerkers van departementen zouden slechts via tijdelijke contractrelaties werkzaamheden verrichten, geen banen meer voor het leven. Een deel van zijn agenda lijkt nu vier jaar later gedeeltelijk gemeengoed te zijn geworden.
Oh, ironie. Terwijl de politieke partijen hun messen slijpen om te gaan snijden, lijkt het visioen van Fortuyn door demografische en economische ontwikkelingen akelig dichtbij te komen. De vijver waarin het rijk vist raakt leger.
Op de arbeidsmarkt worden de komende jaren stijgende tekorten verwacht van academici (7%), HBO’ers (5%) en in iets mindere mate MBO’ers (5%). De concurrentie om vooral de hoger opgeleiden zal de komende jaren sterker worden. De negatieve politieke bejegening en aanhoudende publiciteit over taakstellingen maakt samen met de beperkte ruimte voor loonontwikkeling bij het rijk dat de concurrentiepositie van het rijk wordt uitgehold. Niet voor niets hebben VNO/NVW en MKB-Nederland al gesuggereerd dat rijksambtenaren goed bruikbaar zijn in de marktsector die zit te springen om goed geschoold personeel.
De afgelopen jaren heeft het rijk een forse afslanking gerealiseerd. In de jaren 2002 - 2005 is het rijk met tienduizend fte gekrompen. In dezelfde periode hebben 35.000 medewerkers het rijk verlaten. Om de continuïteit van het werk te borgen hebben de ministeries daarom - parallel met de bezuinigingen – al een groot beroep op de arbeidsmarkt moeten doen. Deze trend zal zich de komende jaren doorzetten. Het is reëel te verwachten dat ook de komende jaren 8.000 à 10.000 medewerkers het rijk jaarlijks zullen verlaten richting pensioen, medeoverheden of marktsector. En dit aantal zal nog verder stijgen doordat de economie aantrekt en daardoor het aantal vacatures bij het bedrijfsleven en in de non-profit sector stevig toeneemt. Zelfs als een stevige taakstelling door personeelsafslanking moet worden gerealiseerd, zal het rijk dus een heel fors beroep moeten blijven doen op de arbeidsmarkt.
De concurrentie op de arbeidsmarkt heeft ook een kwalitatieve kant. De eisen die vanuit de samenleving en de politiek aan de rijksdienst worden gesteld leiden tot steeds zwaardere kwaliteitseisen aan medewerkers. Al jaren is sprake van een geleidelijke stijging van de opleidingseisen. Daarnaast wordt bij steeds meer functies verlangd dat medewerkers niet alleen hun vak goed beheersen maar ook beter presteren op gedragscompetenties (initiatief, durf, flexibiliteit, samenwerken, resultaat- en omgevingsgerichtheid). Lang niet iedere sollicitant zal geschikt zijn, veel instromers zullen eerst fors (bij)geschoold moeten worden om te slagen.
De ministeries worden de komende jaren gelijktijdig met deze ontwikkelingen geconfronteerd. Het ene organisatieonderdeel zal worden belast met een dusdanige taakstelling dat de natuurlijke uitstroom onvoldoende zal zijn om de krimp te realiseren. Andere onderdelen zullen verandertrajecten starten welke tot andere kwaliteitseisen aan de medewerkers leiden. Dan is om-, her- en bijscholing van belang, maar zullen vaak ook nieuwe medewerkers met andere expertise moeten worden aangetrokken en zittend personeel naar andere werk moeten worden doorgeleid. Tot slot zullen er departementsonderdelen zijn waar fors extern moet worden geworven, omdat door de natuurlijke uitstroom de continuïteit van het werk wordt bedreigd.
De basis voor het externe arbeidsmarktbeleid van het rijk wordt gevormd door de een imago- en wervingscampagne die in 2006 is gestart. Aanvullend op deze campagne zullen specifieke acties worden ondernomen, bijvoorbeeld om bepaalde expertise groepen als ICT-ers, civiel ingenieurs en accountants te vinden waar tekorten verwacht worden.
Een voorbeeld hiervan is de actie van de Belastingdienst. De Belastingdienst gaat de komende jaren haar toezichtfunctie versterken en het aantal arbeidsplaatsen met enkele honderden fte’s per jaar uitbreiden. Deze uitbreiding wordt op termijn weer afgebouwd. Men is dan echter beter in staat om, wanneer de dienst zijn grootste vervangingsvraag kent (vanaf 2010) en de arbeidsmarkt door vergrijzing zeer waarschijnlijk erg krap is, toch haar bezetting op peil te houden. Dit beseffende kiest de Belastingdienst voor een proactieve aanpak, waarbij al vanaf nu wordt ingezet op het werven van mensen met doorgroeipotentieel. Vanuit deze groep nieuw personeel kan op de middellange en lange termijn, met behulp van interne opleidingen, doorstroming plaatsvinden naar hogere functies.
Rijkswaterstaat heeft op basis van zijn Ondernemingsplan veel taken rond weg- en waterbouw aan de markt van ingenieursbureaus en aannemerij overgedragen, een brede politieke wens. Alleen staat de organisatie nu al jaren voor de opgaven om naast de gerealiseerde krimp van ruim 2000 mensen honderden talentvolle nieuwe mensen te vinden die civiel, economisch en juridisch vorm kunnen geven aan de contractering van marktpartijen. Dat is schaarse deskundigheid waar om geconcurreerd moet worden met diezelfde marktpartijen. Paradoxaal kan een verdere verplaatsing van (uitvoerend) werk naar de markt eigenlijk alleen als de Rijkswaterstaat ook haar deskundigheid en personeelsbestand vernieuwt, om zo een adequate opdrachtgever te blijven en nieuwe publiekprivate samenwerkingsverbanden succesvol vorm te geven. Op dit moment zoekt men daarvoor nog honderden nieuwe medewerkers.
Naast werving, zal echter ook werk gemaakt moeten worden van de personele mobiliteit binnen het rijk. Interdepartementaal is vorig jaar slechts drie promille van de rijksambtenaren doorgestroomd Dat betekent dat van de ruim honderdduizend rijksambtenaren zo’n driehonderd van het ene naar het andere departementen verkasten, wel erg weinig! Toegegeven, een belastinginspecteur, gevangenbewaarder of wegenbouwer, de grootste functiegroepen zijn niet eenvoudig uitruilbaar, maar een stijging moet kunnen. Door succesvolle mobiliteit kan het rijk ook meer dan nu een werkgever worden die mensen langduriger loopbaanmogelijkheden biedt. Als het regeerakkoord straks reden geeft tot verplaatsing van boventallige beleidsmakers en inspecteurs naar uitvoerende eenheden, is een goed mobiliteitsbeleid en passende opleiding- en begeleiding de sleutel tot succes.
Alle partijen zetten in op minder ambtenaren, uit het regeerakkoord en de Voorjaarsnota zal in 2007 blijken tot welke concrete taakstellingen dit leidt. Maar behalve politiek gewenste krimp is er al met al een bredere opgave; een deskundige rijksdienst die ook haar wervingskracht behoudt.
(met Peter van der Parre)
Tussen alle schermutselingen en aangezette tegenstellingen, tonen de politieke partijen in de aanloop naar de verkiezingen op één punt een opvallende eensgezindheid: er zijn te veel ambtenaren en er is te veel bureaucratie. Terwijl het mes boven het ambtenarenapparaat zweeft, zakt de basis scheef. De uittocht van oudere ambtenaren is veel massaler dan de jonge troepen die aan de poort rammelen. Niet zo zeer de vraag ‘Hoe komen we van ambtenaren af’, moet beantwoord worden, maar de vraag: ‘Hoe komen we er aan?’
Het Nederlandse overheidsapparaat is een van de beste ter wereld, oordelen het Internationaal Monetair Fonds en de OESO. Kwantitatief loopt Nederland evenmin uit de pas. In internationaal perspectief gezien is de publieke sector in Nederland niet buitensporig groot. Er zijn verscheidene Europese landen met hogere overheidsuitgaven of een groter deel van de beroepsbevolking werkzaam in de publieke sector. Bovendien, het beslag van de publieke sector op de nationale economie daalt. Zo is de omvang van de overheidsuitgaven als percentage van de totale economie in de laatste 25 jaar teruggebracht van zo’n 65% van het nationaal inkomen tot 45% nu.
Ondanks deze goede internationale recensies, heerst er binnen de grenzen ontevredenheid. Burgers willen een overheid die handelt waar nodig. Voorbeelden zijn naast de brandveiligheid op Schiphol, de jeugdzorg, de wachtlijsten en kwaliteit in de zorg, voortijdige schoolverlating. Bedrijven vragen om minder administratieve lasten, minder regels en minder bureaucratie. In de politiek vinden de politieke partijen elkaar in kritiek op het overheidsapparaat dat slecht politiek aanstuurbaar zou zijn, te weinig extern georiënteerd, te groot, te bureaucratisch, te verkokerd, en te weinig gericht op resultaat.
In hun verkiezingsprogramma’s gaan de politieke partijen een flinke lijst kwaden te lijf. Een korte opsomming waar het aan zou schorten:
· Er zijn te veel ambtenaren. Partijen pleiten voor vermindering van het aantal beleidsambtenaren, als contramal tegen het belang van uitvoerders die ontzien zouden moeten worden, ‘omdat daar het echte werk geschiedt’. Men doelt dan op de circa tienduizend Haagse beleidsambtenaren die zich in de vierkante kilometer rond het Binnenhof ophouden. Zij zijn de aanstichters van veel regelkwaad, aldus de Raad voor Economische aangelegenheden.
· Er is te veel toezicht. Soms wordt, in het verlengde van de idee van een teveel aan toezicht de reductie van Haagse inspecties bepleit, met als redenenring: minder inspecteurs, minder kosten en minder administratieve (over)last. Vaak wordt dan ook de gebrekkige samenwerking tussen rijks- en decentrale inspecties aangevoerd, die elkaar overlappen of juist tegenwerken zoals bij het gifschip Proba Koala.
· De overhead is te groot. De overhead binnen ambtelijke diensten zou op sommige departementen oplopen tot vijftig procent, wat wil zeggen dat er evenveel inhoudelijke medewerkers zijn als ondersteuners, zoals de koffiejuffrouw, chef, personeelsmedewerker, documentalist, secretaresse, of receptioniste. De definities en daarmee de schattingen van de omvang van deze ‘overhead’ lopen evenwel sterk uiteen. Simpelweg wordt geconcludeerd dat het wel met minder kan. De omvang is een probleem, maar het blijft efficiënter en goedkoper als administratief personeel en niet de duurbetaalde beleidsambtenaar kopietjes maakt en archieven bij houdt.
· Logge zbo’s. Een ander mikpunt vormen zelfstandige bestuursorganen (zbo’s), die te log of omvangrijk zouden zijn, in het bijzonder wordt in verkiezingsprogramma’s de UWV genoemd. De zelfstandigheid van dergelijke bestuursorganen is veel politici sowieso een doorn in het oog. Hoewel ze vrijwel geruisloos de uitvoering van wezenlijke publieke taken ter hand nemen, zijn ze mikpunt van aantijgingen omtrent loonontwikkeling van de directieleden, gebrek aan transparantie, onnodig oppotten van vermogens en meer. Of zbo’s eenvoudig kunnen worden aangepakt is echter de vraag, vaak ontbreekt daartoe de wettelijke basis. Bovendien staan departementen niet te popelen om alle honderden zbo’s weer onder hun directe supervisie te krijgen.
· Dure externen. De te veelvuldig ingehuurde externe consultants zijn ook reden om voor bezuinigingen te pleiten op de rijksdienst. Dit is een vierjaarlijks herhaalde oproep die weliswaar budgettaire effect sorteert, departementen worden taakstellend gekort, maar slechts tijdelijke effecten sorteert. Raamcontracten, eigen interim-pools zoals de groeiende ABD-Interim-pool van toppers op interimbasis en andere pogingen tot goedkoper werken door de departementen ten spijt, consultancy en interim-management blijft een bloeiende branche.
· Te veel beleidsonderzoek. Specifiek noemen diverse partijen dit keer ook de mogelijke beperking van het grote aantal (vaak uitbesteedde) beleidsonderzoeken. Het zal hierbij vooral de politiek zelf moeten zijn die zich beperkt; een aanzienlijk deel van de (juist extern!) uitgevoerde onderzoeken is op instigatie van de politiek. Ook het parlement liet en laat zich bij onderzoeken als de Tijdelijke Commissie Infrastructuur royaal bijstaan door wetenschappers en consultants, ook voor hen een vaak onmisbare groep.
Kritiek op de bureaucratie is geen eendagsvlieg. Bestuurskundige Arthur Ringeling constateerde in zijn werk al de wisselende waardering voor de publieke zaak. Na het positieve elan in de jaren zestig volgde de periode van verguizing ten tijde van Reagan en Thatcher. Onnodige ‘bureaucrat bashing’ volgens de gezaghebbende Amerikaan Charles Goodsell die als repliek het boek ‘A case for bureaucracy’ schreef, wijzend op de rechtszekerheid en -gelijkheid die een moderne bureaucratie burgers biedt. In Nederland heeft vooral Pim Fortuyn impulsen gegeven aan een kritischer bejegening van de bureaucratie. Fortuyn zag ‘een land zonder ambtenaren’ voor zich. Medewerkers van departementen zouden slechts via tijdelijke contractrelaties werkzaamheden verrichten, geen banen meer voor het leven. Een deel van zijn agenda lijkt nu vier jaar later gedeeltelijk gemeengoed te zijn geworden.
Oh, ironie. Terwijl de politieke partijen hun messen slijpen om te gaan snijden, lijkt het visioen van Fortuyn door demografische en economische ontwikkelingen akelig dichtbij te komen. De vijver waarin het rijk vist raakt leger.
Op de arbeidsmarkt worden de komende jaren stijgende tekorten verwacht van academici (7%), HBO’ers (5%) en in iets mindere mate MBO’ers (5%). De concurrentie om vooral de hoger opgeleiden zal de komende jaren sterker worden. De negatieve politieke bejegening en aanhoudende publiciteit over taakstellingen maakt samen met de beperkte ruimte voor loonontwikkeling bij het rijk dat de concurrentiepositie van het rijk wordt uitgehold. Niet voor niets hebben VNO/NVW en MKB-Nederland al gesuggereerd dat rijksambtenaren goed bruikbaar zijn in de marktsector die zit te springen om goed geschoold personeel.
De afgelopen jaren heeft het rijk een forse afslanking gerealiseerd. In de jaren 2002 - 2005 is het rijk met tienduizend fte gekrompen. In dezelfde periode hebben 35.000 medewerkers het rijk verlaten. Om de continuïteit van het werk te borgen hebben de ministeries daarom - parallel met de bezuinigingen – al een groot beroep op de arbeidsmarkt moeten doen. Deze trend zal zich de komende jaren doorzetten. Het is reëel te verwachten dat ook de komende jaren 8.000 à 10.000 medewerkers het rijk jaarlijks zullen verlaten richting pensioen, medeoverheden of marktsector. En dit aantal zal nog verder stijgen doordat de economie aantrekt en daardoor het aantal vacatures bij het bedrijfsleven en in de non-profit sector stevig toeneemt. Zelfs als een stevige taakstelling door personeelsafslanking moet worden gerealiseerd, zal het rijk dus een heel fors beroep moeten blijven doen op de arbeidsmarkt.
De concurrentie op de arbeidsmarkt heeft ook een kwalitatieve kant. De eisen die vanuit de samenleving en de politiek aan de rijksdienst worden gesteld leiden tot steeds zwaardere kwaliteitseisen aan medewerkers. Al jaren is sprake van een geleidelijke stijging van de opleidingseisen. Daarnaast wordt bij steeds meer functies verlangd dat medewerkers niet alleen hun vak goed beheersen maar ook beter presteren op gedragscompetenties (initiatief, durf, flexibiliteit, samenwerken, resultaat- en omgevingsgerichtheid). Lang niet iedere sollicitant zal geschikt zijn, veel instromers zullen eerst fors (bij)geschoold moeten worden om te slagen.
De ministeries worden de komende jaren gelijktijdig met deze ontwikkelingen geconfronteerd. Het ene organisatieonderdeel zal worden belast met een dusdanige taakstelling dat de natuurlijke uitstroom onvoldoende zal zijn om de krimp te realiseren. Andere onderdelen zullen verandertrajecten starten welke tot andere kwaliteitseisen aan de medewerkers leiden. Dan is om-, her- en bijscholing van belang, maar zullen vaak ook nieuwe medewerkers met andere expertise moeten worden aangetrokken en zittend personeel naar andere werk moeten worden doorgeleid. Tot slot zullen er departementsonderdelen zijn waar fors extern moet worden geworven, omdat door de natuurlijke uitstroom de continuïteit van het werk wordt bedreigd.
De basis voor het externe arbeidsmarktbeleid van het rijk wordt gevormd door de een imago- en wervingscampagne die in 2006 is gestart. Aanvullend op deze campagne zullen specifieke acties worden ondernomen, bijvoorbeeld om bepaalde expertise groepen als ICT-ers, civiel ingenieurs en accountants te vinden waar tekorten verwacht worden.
Een voorbeeld hiervan is de actie van de Belastingdienst. De Belastingdienst gaat de komende jaren haar toezichtfunctie versterken en het aantal arbeidsplaatsen met enkele honderden fte’s per jaar uitbreiden. Deze uitbreiding wordt op termijn weer afgebouwd. Men is dan echter beter in staat om, wanneer de dienst zijn grootste vervangingsvraag kent (vanaf 2010) en de arbeidsmarkt door vergrijzing zeer waarschijnlijk erg krap is, toch haar bezetting op peil te houden. Dit beseffende kiest de Belastingdienst voor een proactieve aanpak, waarbij al vanaf nu wordt ingezet op het werven van mensen met doorgroeipotentieel. Vanuit deze groep nieuw personeel kan op de middellange en lange termijn, met behulp van interne opleidingen, doorstroming plaatsvinden naar hogere functies.
Rijkswaterstaat heeft op basis van zijn Ondernemingsplan veel taken rond weg- en waterbouw aan de markt van ingenieursbureaus en aannemerij overgedragen, een brede politieke wens. Alleen staat de organisatie nu al jaren voor de opgaven om naast de gerealiseerde krimp van ruim 2000 mensen honderden talentvolle nieuwe mensen te vinden die civiel, economisch en juridisch vorm kunnen geven aan de contractering van marktpartijen. Dat is schaarse deskundigheid waar om geconcurreerd moet worden met diezelfde marktpartijen. Paradoxaal kan een verdere verplaatsing van (uitvoerend) werk naar de markt eigenlijk alleen als de Rijkswaterstaat ook haar deskundigheid en personeelsbestand vernieuwt, om zo een adequate opdrachtgever te blijven en nieuwe publiekprivate samenwerkingsverbanden succesvol vorm te geven. Op dit moment zoekt men daarvoor nog honderden nieuwe medewerkers.
Naast werving, zal echter ook werk gemaakt moeten worden van de personele mobiliteit binnen het rijk. Interdepartementaal is vorig jaar slechts drie promille van de rijksambtenaren doorgestroomd Dat betekent dat van de ruim honderdduizend rijksambtenaren zo’n driehonderd van het ene naar het andere departementen verkasten, wel erg weinig! Toegegeven, een belastinginspecteur, gevangenbewaarder of wegenbouwer, de grootste functiegroepen zijn niet eenvoudig uitruilbaar, maar een stijging moet kunnen. Door succesvolle mobiliteit kan het rijk ook meer dan nu een werkgever worden die mensen langduriger loopbaanmogelijkheden biedt. Als het regeerakkoord straks reden geeft tot verplaatsing van boventallige beleidsmakers en inspecteurs naar uitvoerende eenheden, is een goed mobiliteitsbeleid en passende opleiding- en begeleiding de sleutel tot succes.
Alle partijen zetten in op minder ambtenaren, uit het regeerakkoord en de Voorjaarsnota zal in 2007 blijken tot welke concrete taakstellingen dit leidt. Maar behalve politiek gewenste krimp is er al met al een bredere opgave; een deskundige rijksdienst die ook haar wervingskracht behoudt.
maandag, september 25, 2006
Ook op de kleintjes letten
Column Binnenlands Bestuur dd 29 september 2006
En zo kon Frits Wester met RTL4 toch nog een lange neus maken naar het ministerie van Financiën. De Miljoenennota bemachtigen lukte dit jaar niet, maar de kwalificaties van de Financiënambtenaren over de verkiezingsprogramma’s van de grote drie waren ook een aardige scoop. ‘De bezuinigingen zijn vaak matig onderbouwd en gegeven ervaringen in het verleden slechts beperkt haalbaar. De onderbouwing van alle drie de partijen is op onderdelen zwak dan wel veel te ambitieus’.Enzovoort. Over de andere partijen laat Financiën zich nog niet uit en dat is jammer. Die verkiezingsprogramma’s zijn inmiddels ook beschikbaar en kunnen cruciaal zijn bij coalitievorming. Zijn die plannen robuuster? Een paar er uitgelicht.
De SP tovert een miljard tevoorschijn door taken te verplaatsen van het CWI en UWV naar gemeenten. Het opheffen van beide organisaties ‘kost ‘ schijnbaar niets, de taakvervulling door gemeenten levert wel een miljard op. Het is een oude truc. Verplaats werk en doe er een efficiencykorting overheen. De gemeenten zien je komen, denk ik dan en wachtgeld voor UWV-ers en CWI-er bestaat blijkbaar niet voor de SP.
Groenlinks wil een stoelheffing op vliegverkeer. De vliegvelden van Dusseldorf en Brussel zullen het toejuichen, tenzij het een Europees plan wordt maar dat lukt nooit in vier jaar dus een bepaald onzekere ambitie. Verder wil GL integratie en betere samenwerking tussen krijgsmachtonderdelen, denk aan gezamenlijke wapensystemen. Een goed streven, maar een van de eerste projecten waarbij twee krijgsmachtdelen één systeem gebruiken, de Joint Strike Fighter voor marine en luchtmacht wordt in de volgende regels van het GL-programma geschrapt. Lastig om dan toch 700 miljoen te vinden.
D66 wil een vergroening van het belastingstelsel onder meer door een naar tijd en plaats gedifferentieerde congestieheffing. Dit moet 700 miljoen opleveren. Op twee punten wijkt dat af van andere partijen. Ten eerste dat de heffing geld moet opleveren en niet wordt ‘teruggegeven’ aan autorijders. Maar ten tweede dat men niet in tarief differentieert naar milieukenmerken van voertuigen doch slechts naar tijd en plaats. Zo vergroen je natuurlijk niet echt, waar het de partij wel om begonnen was, een schrijffoutje?
Wilders wil 16 miljard belastingverlaging plus een miljard voor ouderen. Maar hoe dat te betalen? Een paar concrete ideeën heeft hij wel, allen goed voor het debat maar of ze veel opleveren is de vraag. Afschaffen Europees parlement en Eerste Kamer, verkleinen Tweede Kamer, afschaffen bijdrage aan ‘Brussel’. Dapper is zijn voorstel het speciale wachtgeld voor politici te vervangen door de gewone WW, inclusief een sollicitatieplicht. Benieuwd of die ook geldt voor zittende kamerleden zoals hijzelf of alleen voor ‘nieuwe gevallen’?
Het financieel lijstje van de Christenunie stelt erg teleur, zij werkt haar A4-tje met een groteske bezuinigingsomvang van 18,7 mld. alleen uit in nietszeggende trefwoorden. Bij de Partij voor de Dieren wel zeven hoofdstukken vol flora en fauna maar geen financiële paragraaf.
Al met al geen vrolijker beeld dan bij de grote partijen. Desondanks toch op de kleintjes blijven letten, misschien vervullen zij de sleutelrol na de verkiezingen!
En zo kon Frits Wester met RTL4 toch nog een lange neus maken naar het ministerie van Financiën. De Miljoenennota bemachtigen lukte dit jaar niet, maar de kwalificaties van de Financiënambtenaren over de verkiezingsprogramma’s van de grote drie waren ook een aardige scoop. ‘De bezuinigingen zijn vaak matig onderbouwd en gegeven ervaringen in het verleden slechts beperkt haalbaar. De onderbouwing van alle drie de partijen is op onderdelen zwak dan wel veel te ambitieus’.Enzovoort. Over de andere partijen laat Financiën zich nog niet uit en dat is jammer. Die verkiezingsprogramma’s zijn inmiddels ook beschikbaar en kunnen cruciaal zijn bij coalitievorming. Zijn die plannen robuuster? Een paar er uitgelicht.
De SP tovert een miljard tevoorschijn door taken te verplaatsen van het CWI en UWV naar gemeenten. Het opheffen van beide organisaties ‘kost ‘ schijnbaar niets, de taakvervulling door gemeenten levert wel een miljard op. Het is een oude truc. Verplaats werk en doe er een efficiencykorting overheen. De gemeenten zien je komen, denk ik dan en wachtgeld voor UWV-ers en CWI-er bestaat blijkbaar niet voor de SP.
Groenlinks wil een stoelheffing op vliegverkeer. De vliegvelden van Dusseldorf en Brussel zullen het toejuichen, tenzij het een Europees plan wordt maar dat lukt nooit in vier jaar dus een bepaald onzekere ambitie. Verder wil GL integratie en betere samenwerking tussen krijgsmachtonderdelen, denk aan gezamenlijke wapensystemen. Een goed streven, maar een van de eerste projecten waarbij twee krijgsmachtdelen één systeem gebruiken, de Joint Strike Fighter voor marine en luchtmacht wordt in de volgende regels van het GL-programma geschrapt. Lastig om dan toch 700 miljoen te vinden.
D66 wil een vergroening van het belastingstelsel onder meer door een naar tijd en plaats gedifferentieerde congestieheffing. Dit moet 700 miljoen opleveren. Op twee punten wijkt dat af van andere partijen. Ten eerste dat de heffing geld moet opleveren en niet wordt ‘teruggegeven’ aan autorijders. Maar ten tweede dat men niet in tarief differentieert naar milieukenmerken van voertuigen doch slechts naar tijd en plaats. Zo vergroen je natuurlijk niet echt, waar het de partij wel om begonnen was, een schrijffoutje?
Wilders wil 16 miljard belastingverlaging plus een miljard voor ouderen. Maar hoe dat te betalen? Een paar concrete ideeën heeft hij wel, allen goed voor het debat maar of ze veel opleveren is de vraag. Afschaffen Europees parlement en Eerste Kamer, verkleinen Tweede Kamer, afschaffen bijdrage aan ‘Brussel’. Dapper is zijn voorstel het speciale wachtgeld voor politici te vervangen door de gewone WW, inclusief een sollicitatieplicht. Benieuwd of die ook geldt voor zittende kamerleden zoals hijzelf of alleen voor ‘nieuwe gevallen’?
Het financieel lijstje van de Christenunie stelt erg teleur, zij werkt haar A4-tje met een groteske bezuinigingsomvang van 18,7 mld. alleen uit in nietszeggende trefwoorden. Bij de Partij voor de Dieren wel zeven hoofdstukken vol flora en fauna maar geen financiële paragraaf.
Al met al geen vrolijker beeld dan bij de grote partijen. Desondanks toch op de kleintjes blijven letten, misschien vervullen zij de sleutelrol na de verkiezingen!
dinsdag, september 12, 2006
De premier moet zwijgen
Column Binnelands Bestuur dd 15 september 2006
Zwartboek. Het kan u niet ontgaan zijn dat de film deze week gaat draaien. Kranten, tijdschriften en televisie stonden bol. Hoe verguld Thom Hoffman was met zijn rol in de film. De verbluffende schoonheid van Carice van Houten, die nu al een Hollywoodcarrière voorspeld wordt. De talloze interviews met Paul Verhoeven, die de film beschouwt als een nieuwe mijlpaal in zijn oeuvre. Zelfs de lange weg tot financiering van de film met het hoogste Nederlandse filmbudget aller tijden is breed uitgemeten. Neen, rond de communicatie van de film is weinig nagelaten, heel Nederland mag het weten. U gelieve zich allemaal aan het loket te vervoegen, Albert Heijns bioscoopactie met tweede kaartje gratis is nog net niet voorbij.
Hoe anders gaat het dit jaar in de aanloop naar prinsjesdag. Tenzij een ambtenaar een tasje achterlaat in de trein, of een journalist ergens in een departement ontdekt dat de ‘clean-desk-policy’ een papieren tijger blijkt, wacht Nederland tot de Derde Dinsdag in zalige onwetendheid de plannen af die het semi-missionaire kabinet ons bereid. Een strikt embargo leidt dit jaar vooralsnog tot stilte rond de begroting. Haagse voorlichters zitten op hun handen, behalve die van Zalm dan. Allen beseffen dat de goednieuwsshow van Gerrit Zalm prinsjesdag domineert, zijn laatste en grootste. Eindelijk zwarte cijfers! Vakministers weten dat ze weinig ruimte zullen krijgen die dag, hoe zuur dat ook is voor zwaarbevochten beleidsdoorbraken, briljant vrijgespeelde extra budgetten of andere zoetjes voor het volk.
Het is ook voor de premier een rare vertoning. Kon hij vorig jaar nog vrolijk eind augustus zijn schriftje voorlezen vol goed nieuws, vooruitlopend op prinsjesdag, dit jaar moet ook hij zwijgen. Een fijne streek die de VVD hem geleverd heeft met dit strikte embargo op nieuwsuitingen. Over ruim twee maanden verkiezingen, eindelijk zoet maar de minister-president moet zwijgen, alle aandacht voor VVD-er Zalm. Communicatief is dit embargo dus alleen winst voor Zalm.
Als burgers staat ons volgende week een bombardement aan informatie te wachten. Dinsdag tot donderdag zullen de media vergeven zijn van prinsjesdagnieuws. Maar daarna wordt het weer snel stil. De Kamer gaat donderdagavond weer dicht en het gewone leven herneemt zich. De grote vraag is, of zo’n korte periode van heel veel nieuws ineens effectiever zal blijken dan bijvoorbeeld de uitgekiende, wekenlange spanningsopbouw rond de film Zwartboek. Ik denk het niet. Te veel informatie ineens is ook zo weer weg. Het zou me daarom niets verbazen wanneer volgend jaar weer een ander regime wordt gekozen in de aanloop naar prinsjesdag. Of als komende dagen toch her en der wat nieuws naar buiten lekt van vakministers. Want ook zij willen graag in de krant met hun zoet.
Zwartboek. Het kan u niet ontgaan zijn dat de film deze week gaat draaien. Kranten, tijdschriften en televisie stonden bol. Hoe verguld Thom Hoffman was met zijn rol in de film. De verbluffende schoonheid van Carice van Houten, die nu al een Hollywoodcarrière voorspeld wordt. De talloze interviews met Paul Verhoeven, die de film beschouwt als een nieuwe mijlpaal in zijn oeuvre. Zelfs de lange weg tot financiering van de film met het hoogste Nederlandse filmbudget aller tijden is breed uitgemeten. Neen, rond de communicatie van de film is weinig nagelaten, heel Nederland mag het weten. U gelieve zich allemaal aan het loket te vervoegen, Albert Heijns bioscoopactie met tweede kaartje gratis is nog net niet voorbij.
Hoe anders gaat het dit jaar in de aanloop naar prinsjesdag. Tenzij een ambtenaar een tasje achterlaat in de trein, of een journalist ergens in een departement ontdekt dat de ‘clean-desk-policy’ een papieren tijger blijkt, wacht Nederland tot de Derde Dinsdag in zalige onwetendheid de plannen af die het semi-missionaire kabinet ons bereid. Een strikt embargo leidt dit jaar vooralsnog tot stilte rond de begroting. Haagse voorlichters zitten op hun handen, behalve die van Zalm dan. Allen beseffen dat de goednieuwsshow van Gerrit Zalm prinsjesdag domineert, zijn laatste en grootste. Eindelijk zwarte cijfers! Vakministers weten dat ze weinig ruimte zullen krijgen die dag, hoe zuur dat ook is voor zwaarbevochten beleidsdoorbraken, briljant vrijgespeelde extra budgetten of andere zoetjes voor het volk.
Het is ook voor de premier een rare vertoning. Kon hij vorig jaar nog vrolijk eind augustus zijn schriftje voorlezen vol goed nieuws, vooruitlopend op prinsjesdag, dit jaar moet ook hij zwijgen. Een fijne streek die de VVD hem geleverd heeft met dit strikte embargo op nieuwsuitingen. Over ruim twee maanden verkiezingen, eindelijk zoet maar de minister-president moet zwijgen, alle aandacht voor VVD-er Zalm. Communicatief is dit embargo dus alleen winst voor Zalm.
Als burgers staat ons volgende week een bombardement aan informatie te wachten. Dinsdag tot donderdag zullen de media vergeven zijn van prinsjesdagnieuws. Maar daarna wordt het weer snel stil. De Kamer gaat donderdagavond weer dicht en het gewone leven herneemt zich. De grote vraag is, of zo’n korte periode van heel veel nieuws ineens effectiever zal blijken dan bijvoorbeeld de uitgekiende, wekenlange spanningsopbouw rond de film Zwartboek. Ik denk het niet. Te veel informatie ineens is ook zo weer weg. Het zou me daarom niets verbazen wanneer volgend jaar weer een ander regime wordt gekozen in de aanloop naar prinsjesdag. Of als komende dagen toch her en der wat nieuws naar buiten lekt van vakministers. Want ook zij willen graag in de krant met hun zoet.
maandag, augustus 21, 2006
Budgettaire anorexia?
Column Binnenlands Bestuur dd 24 augustus 2006
De schrijvers van het jaarboek Overheidsfinanciën 2006 , dat net voor de zomer verscheen, hadden er vooraf geen weet van hoe goed getimed hun publicatie zou zijn. Deze zomer moesten immers alle partijcommissies versneld de verkiezingsprogramma’s schrijven. En het lijkt alsof er goed gebruik is gemaakt van de ideeën van de economen, althans bij lezing van de eerste versie het CDA-programma. Een ding valt het meest op: de schijnbare voorliefde van economen om te streven naar een overschot op de begroting met de noodzaak flink te bezuinigen als consequentie. Waarom moet dat toch?
De economen Flip de Kam en Arie Ros stellen dat het gewenst is om te streven naar een overschot van 1-1,5% op de rijksbegroting om een drietal redenen. Ten eerste omdat dan bij economische tegenwind niet direct een te groot tekort ontstaat. Ten tweede om de staatsschuld af te lossen die dan later ten tijde van hevige vergrijzing weer mag oplopen. En ten derde om een volgende generatie niet te belasten met de schulden van deze. Het zijn zindelijke argumenten maar is er iets op af te dingen, zijn er alternatieven?
Nederland heeft zich gecommitteerd aan EMU-afspraken waaronder het beperken van het EMU-saldo tot maximaal drie procent. Om aan die afspraak te voldoen, is het van belang in de begrotingsramingen een veilige marge aan te houden om niet bij economische laagconjunctuur, als de belastingopbrengsten teruglopen en het beroep op uitkeringen stijgt, dramatische ombuigingen te moeten plegen. Er is daarom een formule afgesproken die luidt dat landen streven naar een begroting die ‘close to balance or in surplus’ is. Maar hoe breed moet die marge zijn? Een marge van meer dan vier procent aanhouden is onnodig spelen op veiligheid. Nul lijkt echt genoeg.
De tweede reden voor een overschot zou zijn dat we daarmee de staatsschuld kunnen aflossen om na 2030, als velen van u en ik vergrijsd zijn, deze weer wat te laten oplopen. De rentelasten van de huidige staatsschuld zijn dan bovendien verdwenen wat ook budgettaire ruimte geeft. Het is een goed punt, maar dit scenario is erg afhankelijk van veronderstellingen over de rente en demografie. Allen als rente en demografie en economie zich naar huidige verwachting gedragen, gaat dit sommetje op. In alledrie kunnen evenwel grote mee- en tegenvallers zitten. Hoger dan geraamde rente: heel slecht’; langer werkende beroepsbevolking: heel goed; sterkere economische groei: heel mooi. Hierin liggen dus ook de alternatieven voor dit streven naar een begrotingsoverschot. Hogere arbeidsparticipatie, andere financiering van de vergrijzinglasten, langer doorwerken, meer economische groei via gerichte onderwijs- en infrastructuurinvesteringen en meer kunnen ook toekomstige lasten beperken. Er is dus heel wat te kiezen.
Laatste argument voor een overschot: de volgende generatie niet opzadelen met schulden. Dat is een mooi moreel standpunt. De volgende generatie een prettig land doen erven met goede scholen, schone bodem en lucht, interessante natuurgebieden maar zonder permanente budgettaire anorexia is ook een optie. Maar eigenlijk geen economisch vraagstuk maar een politiek vraagstuk. Goed dat er daarom iets te kiezen is dit najaar.
De schrijvers van het jaarboek Overheidsfinanciën 2006 , dat net voor de zomer verscheen, hadden er vooraf geen weet van hoe goed getimed hun publicatie zou zijn. Deze zomer moesten immers alle partijcommissies versneld de verkiezingsprogramma’s schrijven. En het lijkt alsof er goed gebruik is gemaakt van de ideeën van de economen, althans bij lezing van de eerste versie het CDA-programma. Een ding valt het meest op: de schijnbare voorliefde van economen om te streven naar een overschot op de begroting met de noodzaak flink te bezuinigen als consequentie. Waarom moet dat toch?
De economen Flip de Kam en Arie Ros stellen dat het gewenst is om te streven naar een overschot van 1-1,5% op de rijksbegroting om een drietal redenen. Ten eerste omdat dan bij economische tegenwind niet direct een te groot tekort ontstaat. Ten tweede om de staatsschuld af te lossen die dan later ten tijde van hevige vergrijzing weer mag oplopen. En ten derde om een volgende generatie niet te belasten met de schulden van deze. Het zijn zindelijke argumenten maar is er iets op af te dingen, zijn er alternatieven?
Nederland heeft zich gecommitteerd aan EMU-afspraken waaronder het beperken van het EMU-saldo tot maximaal drie procent. Om aan die afspraak te voldoen, is het van belang in de begrotingsramingen een veilige marge aan te houden om niet bij economische laagconjunctuur, als de belastingopbrengsten teruglopen en het beroep op uitkeringen stijgt, dramatische ombuigingen te moeten plegen. Er is daarom een formule afgesproken die luidt dat landen streven naar een begroting die ‘close to balance or in surplus’ is. Maar hoe breed moet die marge zijn? Een marge van meer dan vier procent aanhouden is onnodig spelen op veiligheid. Nul lijkt echt genoeg.
De tweede reden voor een overschot zou zijn dat we daarmee de staatsschuld kunnen aflossen om na 2030, als velen van u en ik vergrijsd zijn, deze weer wat te laten oplopen. De rentelasten van de huidige staatsschuld zijn dan bovendien verdwenen wat ook budgettaire ruimte geeft. Het is een goed punt, maar dit scenario is erg afhankelijk van veronderstellingen over de rente en demografie. Allen als rente en demografie en economie zich naar huidige verwachting gedragen, gaat dit sommetje op. In alledrie kunnen evenwel grote mee- en tegenvallers zitten. Hoger dan geraamde rente: heel slecht’; langer werkende beroepsbevolking: heel goed; sterkere economische groei: heel mooi. Hierin liggen dus ook de alternatieven voor dit streven naar een begrotingsoverschot. Hogere arbeidsparticipatie, andere financiering van de vergrijzinglasten, langer doorwerken, meer economische groei via gerichte onderwijs- en infrastructuurinvesteringen en meer kunnen ook toekomstige lasten beperken. Er is dus heel wat te kiezen.
Laatste argument voor een overschot: de volgende generatie niet opzadelen met schulden. Dat is een mooi moreel standpunt. De volgende generatie een prettig land doen erven met goede scholen, schone bodem en lucht, interessante natuurgebieden maar zonder permanente budgettaire anorexia is ook een optie. Maar eigenlijk geen economisch vraagstuk maar een politiek vraagstuk. Goed dat er daarom iets te kiezen is dit najaar.
donderdag, augustus 17, 2006
Begroting en verkiezingen (2)
Column Binnenlands Bestuur dd 4 augustus 2006
Welke begrotingsgerelateerde motieven ook een doorslaggevende rol spelen bij het vormen van Balkenende-III, het belooft een bijzondere budgettaire periode te worden. Welke scenario’s doen zich de komende maanden voor ?
De eerste mogelijkheid is dat Zalm zijn belofte waarmaakt en alles in het werk stelt om een sluitende begroting te presenteren voor 2007. Het zou de voorlopige kroon op het werk zijn van de langstzittende minister van Financiën en vooral voor de VVD een ijzersterke troef in de verkiezingsstrijd. De economie draait, de overheid schrijft zwarte cijfers, stem VVD. Dit veronderstelt wel dat binnen de VVD een sluitende begroting wordt geprefereerd boven (extra) lastenverlichting, de liberale honing waar men nooit genoeg van krijgt. Helemaal aantrekkelijk is dat nu niet Joop Wijn maar Zalm zelf –en met hem de VVD- zich kan profileren als kampioen lastenverlichting.
De tweede mogelijkheid is dat het CDA-ministers wat afstand nemen van de VVD en niet zozeer lastenverlichting of een sluitende begroting prefereren maar het oppoetsen van het sociale gezicht via extra uitgaven. Dit mede om de PvdA de pas af te snijden en te voorkomen dat die met de andere linkse partijen het CDA als a-sociaal te kijk stelt. Vooral is een fikse strijd te verwachten tussen Zalm en De Geus maar ook Van der Hoeven (Onderwijs) en Ros (Welzijn) zullen zich niet onbetuigd laten. Zal Balkenende hierin een rol van betekenis gaan spelen? In een vergelijkbaar geval, in 2001 kon Zalm bij een aantrekkende economie en de verkiezingen voor de deur het niet droog houden; uitgavenministers zorgden voor een forse verhoging van de uitgaven ten laste van het EMU-saldo in meerdere jaren erna. Kan Zalm nu wel standhouden?
Een derde mogelijkheid is dat het kabinet een sluitend begroting presenteert maar dat het parlement de begrotingen flink amendeert. Gebeurt dat? Onder normale omstandigheden eigenlijk nauwelijks. De gemiddelde totaalomvang van aangenomen begrotingsamendementen is geen kwart procent, op één jaar na waarin de fractievoorzitters van de coalitiepartijen ruim een half miljard bijstelden. Zeker VVD’-er Rutte zal hiervoor te porren zijn, vooral om zelf te scoren, bijvoorbeeld door extra lastenverlichting te bepleiten. Ook een gelegenheidscoalitie van Verhagen en Bos is op enkele punten niet uit te sluiten om eerder genoemde redenen, beide overigens ten koste van Zalms huishoudboekje.
Er zijn nog twee mogelijkheden, minder waarschijnlijk maar toch. De eerste is dat Zalm de begrotingsbehandeling winnend afsluit maar dat in 2007 duidelijk wordt dat de hiep-hiep-hoera-begroting is gebaseerd op twijfelachtige, veel te optimistische veronderstellingen. Een nieuwe minister van Financiën zal rücksichtslos deze ‘lijken in de kast’ openbaar maken, hetgeen de reputatie van de huidige schatkistbewaarder doet eindigen als de loopbaan van Zizou, in grote mineur. Maar niet aan denken dus.
Of… Zalm slaagt, verlicht de lasten, beheerst de uitgavengroei en realiseert een sluitende begroting 2007. Rutte schuift vervolgens niet Rita maar hem naar voren als kandidaat vice-premier en beoogd minister van Financiën, die een dam zal opwerpen tegen snode AOW- en hypotheekplannen van links. Een electoraal klapstuk. Want wie zei dat Zalm zou vertrekken?
Welke begrotingsgerelateerde motieven ook een doorslaggevende rol spelen bij het vormen van Balkenende-III, het belooft een bijzondere budgettaire periode te worden. Welke scenario’s doen zich de komende maanden voor ?
De eerste mogelijkheid is dat Zalm zijn belofte waarmaakt en alles in het werk stelt om een sluitende begroting te presenteren voor 2007. Het zou de voorlopige kroon op het werk zijn van de langstzittende minister van Financiën en vooral voor de VVD een ijzersterke troef in de verkiezingsstrijd. De economie draait, de overheid schrijft zwarte cijfers, stem VVD. Dit veronderstelt wel dat binnen de VVD een sluitende begroting wordt geprefereerd boven (extra) lastenverlichting, de liberale honing waar men nooit genoeg van krijgt. Helemaal aantrekkelijk is dat nu niet Joop Wijn maar Zalm zelf –en met hem de VVD- zich kan profileren als kampioen lastenverlichting.
De tweede mogelijkheid is dat het CDA-ministers wat afstand nemen van de VVD en niet zozeer lastenverlichting of een sluitende begroting prefereren maar het oppoetsen van het sociale gezicht via extra uitgaven. Dit mede om de PvdA de pas af te snijden en te voorkomen dat die met de andere linkse partijen het CDA als a-sociaal te kijk stelt. Vooral is een fikse strijd te verwachten tussen Zalm en De Geus maar ook Van der Hoeven (Onderwijs) en Ros (Welzijn) zullen zich niet onbetuigd laten. Zal Balkenende hierin een rol van betekenis gaan spelen? In een vergelijkbaar geval, in 2001 kon Zalm bij een aantrekkende economie en de verkiezingen voor de deur het niet droog houden; uitgavenministers zorgden voor een forse verhoging van de uitgaven ten laste van het EMU-saldo in meerdere jaren erna. Kan Zalm nu wel standhouden?
Een derde mogelijkheid is dat het kabinet een sluitend begroting presenteert maar dat het parlement de begrotingen flink amendeert. Gebeurt dat? Onder normale omstandigheden eigenlijk nauwelijks. De gemiddelde totaalomvang van aangenomen begrotingsamendementen is geen kwart procent, op één jaar na waarin de fractievoorzitters van de coalitiepartijen ruim een half miljard bijstelden. Zeker VVD’-er Rutte zal hiervoor te porren zijn, vooral om zelf te scoren, bijvoorbeeld door extra lastenverlichting te bepleiten. Ook een gelegenheidscoalitie van Verhagen en Bos is op enkele punten niet uit te sluiten om eerder genoemde redenen, beide overigens ten koste van Zalms huishoudboekje.
Er zijn nog twee mogelijkheden, minder waarschijnlijk maar toch. De eerste is dat Zalm de begrotingsbehandeling winnend afsluit maar dat in 2007 duidelijk wordt dat de hiep-hiep-hoera-begroting is gebaseerd op twijfelachtige, veel te optimistische veronderstellingen. Een nieuwe minister van Financiën zal rücksichtslos deze ‘lijken in de kast’ openbaar maken, hetgeen de reputatie van de huidige schatkistbewaarder doet eindigen als de loopbaan van Zizou, in grote mineur. Maar niet aan denken dus.
Of… Zalm slaagt, verlicht de lasten, beheerst de uitgavengroei en realiseert een sluitende begroting 2007. Rutte schuift vervolgens niet Rita maar hem naar voren als kandidaat vice-premier en beoogd minister van Financiën, die een dam zal opwerpen tegen snode AOW- en hypotheekplannen van links. Een electoraal klapstuk. Want wie zei dat Zalm zou vertrekken?
maandag, juli 03, 2006
Begroting en verkiezingen (1)
Column Binnelands Bestuur dd 7 juli 2006
Na de val van het kabinet vonden de coalitiegebonden fractievoorzitters om twee redenen een missionair kabinet verkieslijk. Eén argument vormt de Nederlandse aanwezigheid in Afghanistan, twee het belang van de begroting 2007. Wat daarvan te zeggen?
Op het eerste punt is al veel kritisch commentaar geleverd. Blijft over de begroting. Budgettaire besluitvorming is altijd een fijne cocktail van staatsrechtelijk, economische en politieke beginselen door elkaar. Ook hier, maar welke doen er nu het meest toe?
Staatsrechtelijk zijn er een paar zaken belangrijk. Grondwet en Comptabiliteitswet leggen vast dat een begroting moet worden ingediend bij wet en dus besluitvorming vergt in beide kamers. Verder kan de begroting alleen worden ingediend door de regering zelf omdat de Grondwet hier geen recht van initiatief gunt aan het parlement zoals bij vrijwel alle andere wetten. Begrotingen worden exclusief ingediend 'vanwege de koning'. Tot zover nog geen vuiltje aan de lucht.
Het begrotingsjaar moet gelijk zijn aan het kalenderjaar dus bijvoorbeeld de begroting 2006 gewoon naar evenredigheid met een kwart verhogen en drie maanden verlengen is geen optie. Verder zegt de Grondwet dat de begroting moet worden ingediend op de derde dinsdag van september. Hier wordt het leuk. Wat als dat niet gebeurt en dit over gelaten wordt aan een nieuw kabinet? Helemaal geen probleem, comptabel recht kent geen sancties op latere indiening dus een later ingediende begroting heeft geen staatsrechtelijke gevolgen. Te meer als politiek gekozen wordt voor een verlate indiening is er geen vuiltje aan de lucht. Maar goed, zelfs vroege verkiezingen in oktober, een paar maanden formeren, het wordt dan wel laat dus een eerste begrotingsontwerp indienen is wel gewenst.
Zou het een nieuw kabinet hinderen als de demissionaire ploeg eerst een beleidsarme begroting indient? Neen, geenszins. De nieuw aangetreden ministersploeg zou -mits snel geformeerd- al via nota’s van wijziging op ontwerpbegrotingen in het najaar eigen accenten hebben kunnen leggen. Een nog later geformeerd kabinet kan via bijstellingen bij Voorjaarsnota 2007 (of eerder!) eigen nadere keuzen maken. Een beleidsarme begroting kan staatsrechtelijk dus best, wegen te over.
Moet de begroting dan snel worden ingediend en behandeld zodat ze voor de jaarwisseling werking heeft? Neen, dan hoeft volgens geen enkele rechtsregel -al zou het prettig zijn- maar het is in Nederland voorzover mij bekend in de jongste geschiedenis zelfs nog nooit gelukt om begrotingswetten door Tweede en Eerste Kamer op tijd, voor het nieuwe jaar, te laten vaststellen. Is dat erg? Neen, geenszins, ieder jaar wordt de comptabele rechtsregel geactiveerd dat ook zonder formele begrotingsvaststelling vast 4/12 mag worden uitgegeven van het totaal.
Waarom dan toch zo’n sterk pleidooi voor een missionair kabinet dat de begroting kan indienen als er geen staatsrechtelijke redenen voor pleiten? Economische argumenten? Dat vind ik moeilijk hard te maken. De begroting 2007 ligt al voor meer dan 95% vast dus of die laatste budgettaire accenten nu zo'n verschil maken voor de Nederlandse economie? Moeilijk te verdedigen. De verkiezingsuitslag najaar 2006 zal meer economische impact hebben.
Blijft over politieke argumenten. Daarover de volgende keer meer. Eerst Lubbers het karwei laten afmaken.
Na de val van het kabinet vonden de coalitiegebonden fractievoorzitters om twee redenen een missionair kabinet verkieslijk. Eén argument vormt de Nederlandse aanwezigheid in Afghanistan, twee het belang van de begroting 2007. Wat daarvan te zeggen?
Op het eerste punt is al veel kritisch commentaar geleverd. Blijft over de begroting. Budgettaire besluitvorming is altijd een fijne cocktail van staatsrechtelijk, economische en politieke beginselen door elkaar. Ook hier, maar welke doen er nu het meest toe?
Staatsrechtelijk zijn er een paar zaken belangrijk. Grondwet en Comptabiliteitswet leggen vast dat een begroting moet worden ingediend bij wet en dus besluitvorming vergt in beide kamers. Verder kan de begroting alleen worden ingediend door de regering zelf omdat de Grondwet hier geen recht van initiatief gunt aan het parlement zoals bij vrijwel alle andere wetten. Begrotingen worden exclusief ingediend 'vanwege de koning'. Tot zover nog geen vuiltje aan de lucht.
Het begrotingsjaar moet gelijk zijn aan het kalenderjaar dus bijvoorbeeld de begroting 2006 gewoon naar evenredigheid met een kwart verhogen en drie maanden verlengen is geen optie. Verder zegt de Grondwet dat de begroting moet worden ingediend op de derde dinsdag van september. Hier wordt het leuk. Wat als dat niet gebeurt en dit over gelaten wordt aan een nieuw kabinet? Helemaal geen probleem, comptabel recht kent geen sancties op latere indiening dus een later ingediende begroting heeft geen staatsrechtelijke gevolgen. Te meer als politiek gekozen wordt voor een verlate indiening is er geen vuiltje aan de lucht. Maar goed, zelfs vroege verkiezingen in oktober, een paar maanden formeren, het wordt dan wel laat dus een eerste begrotingsontwerp indienen is wel gewenst.
Zou het een nieuw kabinet hinderen als de demissionaire ploeg eerst een beleidsarme begroting indient? Neen, geenszins. De nieuw aangetreden ministersploeg zou -mits snel geformeerd- al via nota’s van wijziging op ontwerpbegrotingen in het najaar eigen accenten hebben kunnen leggen. Een nog later geformeerd kabinet kan via bijstellingen bij Voorjaarsnota 2007 (of eerder!) eigen nadere keuzen maken. Een beleidsarme begroting kan staatsrechtelijk dus best, wegen te over.
Moet de begroting dan snel worden ingediend en behandeld zodat ze voor de jaarwisseling werking heeft? Neen, dan hoeft volgens geen enkele rechtsregel -al zou het prettig zijn- maar het is in Nederland voorzover mij bekend in de jongste geschiedenis zelfs nog nooit gelukt om begrotingswetten door Tweede en Eerste Kamer op tijd, voor het nieuwe jaar, te laten vaststellen. Is dat erg? Neen, geenszins, ieder jaar wordt de comptabele rechtsregel geactiveerd dat ook zonder formele begrotingsvaststelling vast 4/12 mag worden uitgegeven van het totaal.
Waarom dan toch zo’n sterk pleidooi voor een missionair kabinet dat de begroting kan indienen als er geen staatsrechtelijke redenen voor pleiten? Economische argumenten? Dat vind ik moeilijk hard te maken. De begroting 2007 ligt al voor meer dan 95% vast dus of die laatste budgettaire accenten nu zo'n verschil maken voor de Nederlandse economie? Moeilijk te verdedigen. De verkiezingsuitslag najaar 2006 zal meer economische impact hebben.
Blijft over politieke argumenten. Daarover de volgende keer meer. Eerst Lubbers het karwei laten afmaken.
maandag, juni 19, 2006
Student en begroting
Column Binnelands Bestuur dd 23 juni 2006
`Sinterklaas houdt er niet van’, antwoordde een van mijn studenten op de vraag om welke drie redenen de rijksoverheid toch maar geen ander begrotingsstelsel heeft ingevoerd. Student en begrotingstheorie, het is nog geen gelukkige combinatie.
Grammatica blijft ook een hele opgave. Volgens een kwart van de 80 deelnemers behandeld de Eerste Kamer begrotingen met een d. Wanneer? De tweede woensdag in mei, gokt een studente. Na de winter, weet een ander. Waarom dan? ‘Senatoren houden eerst een winterslaap’. Volgens één keurt de Eerste Kamer na de winter de begroting ‘goed, of fout’.
Budgettaire begrippen blijken voor velen lastig. ‘Eiklijnen’ komen nog vaak voor, gelukkig heeft niemand het over ‘ijkleinen’ dus helemaal fout reken ik eiklijnen niet.
Wie de regels budgetdiscipline opstelt? Raad van State? Europese Commissie? Algemene Rekenkamer? ‘Kabinet met bewindvoerders’, gokt iemand. Nee, ‘Zalm natuurlijk’, schrijft een ander en de hele Tweede Kamer is er daarom aan gehouden’. Aan Zalm wordt blijkbaar een groot gezag toevertrouwd –en wie zal haar tegenspreken- al meent een ander dat de regels zijn opgesteld door de ‘toenmalige minister van Financiën Gerrit Zalm’. Voorlopig werkt hij er naar mijn weten nog en verlengt hij dagelijks het record als langstzittend minister.
Secuur lezen is niet aan iedereen besteed. Op de vraag wat de bezwaren zijn tegen de rijksbrede invoering van het baten-lastenstelsel antwoordt meer dan tien procent van de studenten abusievelijk wat de vóórdelen zijn. Dat menigeen in het antwoord ingaat op het kosten-batenstelsel zie ik door de vingers.
Rekenen is ook al geen sinecure. Toegegeven, ik had studenten kunnen toestaan bij het examen een rekenmachine te gebruiken, maar dat leek me overbodig. Sommigen dachten daar anders over. In een casusbeschrijving over een nieuwe uitgavenpost van 300 miljoen voor inburgering is aangegeven dat een derde van het geld gaat naar taaltraining, de helft naar beroepsopleidingen en de rest naar arbeidsbemiddeling. Velen kunnen deze som wel aan maar voor sommigen is dit te veelgevraagd. ‘De berekening van de uitgaven per programma kan ik u niet geven, bromt een student, dan had u ons maar toestemming moeten geven om een rekenmachine te gebruiken’.
De toetsscore wordt vaak beter wanneer gezakten bij de herkansing in plaats van het uitreksel van de studievereniging gewoon mijn boek lezen. In dat uittreksel (€1,90 voor niet-leden, €0,95 voor leden) staan een paar flagrante dommigheden die ik zonder scrupules in de toets verwerk. Massaal schrijft men dan het foute antwoord uit het uittreksel over en met groot genoegen reken ik dat dan weer fout. Een student was dit jaar zo vlijtig een eigen uitreksel op zak te steken maar werd bij het raadplegen betrapt. De examencommissie heeft haar vaderlijk doch streng toegesproken en haar score geschrapt.
Een enkel pareltje zit er soms wel tussen de antwoorden. Op de vraag : Op welke drie vragen moet een departement bij haar jaarverantwoording ingaan? antwoordde een student : ‘Hoe kom ik zo vaak mogelijk op TV’? (kamerlid). Hoe komen we aan zo veel mogelijk geld ? (departement). Hoe voorkom ik dat ze erachter komen dat ik niets bereikt heb ? (minister). Half goed.
`Sinterklaas houdt er niet van’, antwoordde een van mijn studenten op de vraag om welke drie redenen de rijksoverheid toch maar geen ander begrotingsstelsel heeft ingevoerd. Student en begrotingstheorie, het is nog geen gelukkige combinatie.
Grammatica blijft ook een hele opgave. Volgens een kwart van de 80 deelnemers behandeld de Eerste Kamer begrotingen met een d. Wanneer? De tweede woensdag in mei, gokt een studente. Na de winter, weet een ander. Waarom dan? ‘Senatoren houden eerst een winterslaap’. Volgens één keurt de Eerste Kamer na de winter de begroting ‘goed, of fout’.
Budgettaire begrippen blijken voor velen lastig. ‘Eiklijnen’ komen nog vaak voor, gelukkig heeft niemand het over ‘ijkleinen’ dus helemaal fout reken ik eiklijnen niet.
Wie de regels budgetdiscipline opstelt? Raad van State? Europese Commissie? Algemene Rekenkamer? ‘Kabinet met bewindvoerders’, gokt iemand. Nee, ‘Zalm natuurlijk’, schrijft een ander en de hele Tweede Kamer is er daarom aan gehouden’. Aan Zalm wordt blijkbaar een groot gezag toevertrouwd –en wie zal haar tegenspreken- al meent een ander dat de regels zijn opgesteld door de ‘toenmalige minister van Financiën Gerrit Zalm’. Voorlopig werkt hij er naar mijn weten nog en verlengt hij dagelijks het record als langstzittend minister.
Secuur lezen is niet aan iedereen besteed. Op de vraag wat de bezwaren zijn tegen de rijksbrede invoering van het baten-lastenstelsel antwoordt meer dan tien procent van de studenten abusievelijk wat de vóórdelen zijn. Dat menigeen in het antwoord ingaat op het kosten-batenstelsel zie ik door de vingers.
Rekenen is ook al geen sinecure. Toegegeven, ik had studenten kunnen toestaan bij het examen een rekenmachine te gebruiken, maar dat leek me overbodig. Sommigen dachten daar anders over. In een casusbeschrijving over een nieuwe uitgavenpost van 300 miljoen voor inburgering is aangegeven dat een derde van het geld gaat naar taaltraining, de helft naar beroepsopleidingen en de rest naar arbeidsbemiddeling. Velen kunnen deze som wel aan maar voor sommigen is dit te veelgevraagd. ‘De berekening van de uitgaven per programma kan ik u niet geven, bromt een student, dan had u ons maar toestemming moeten geven om een rekenmachine te gebruiken’.
De toetsscore wordt vaak beter wanneer gezakten bij de herkansing in plaats van het uitreksel van de studievereniging gewoon mijn boek lezen. In dat uittreksel (€1,90 voor niet-leden, €0,95 voor leden) staan een paar flagrante dommigheden die ik zonder scrupules in de toets verwerk. Massaal schrijft men dan het foute antwoord uit het uittreksel over en met groot genoegen reken ik dat dan weer fout. Een student was dit jaar zo vlijtig een eigen uitreksel op zak te steken maar werd bij het raadplegen betrapt. De examencommissie heeft haar vaderlijk doch streng toegesproken en haar score geschrapt.
Een enkel pareltje zit er soms wel tussen de antwoorden. Op de vraag : Op welke drie vragen moet een departement bij haar jaarverantwoording ingaan? antwoordde een student : ‘Hoe kom ik zo vaak mogelijk op TV’? (kamerlid). Hoe komen we aan zo veel mogelijk geld ? (departement). Hoe voorkom ik dat ze erachter komen dat ik niets bereikt heb ? (minister). Half goed.
dinsdag, juni 06, 2006
Nevenverdiensten
Column Binnenlands Bestuur dd 9 juni 2006
Op terugreis van een mooi congres in Leuven las ik in de Belgische Standaard dat de stadssecretaris van Antwerpen zijn ambtenaren wil beperken in het aantal uren dat wordt bijverdiend. Er zouden ambtenaren zijn die er bijna fulltime andere banen op na houden en daardoor moe of te laat op hun ambtelijke werkplek komen. Wie zijn bijberoep niet wil stoppen of limiteren tot het wettelijke maximum van 50 uur per week, moet korter gaan werken of ontslag nemen. Een man naar mijn hart deze Roel Verhaert, begaan met het wel en wee van zijn personeel. Maar waarom verrichten ambtenaren nevenactiviteiten en is dat altijd wel ongewenst?
Toen ik ooit naar Suriname uitgezonden Nederlandse ‘technische bijstanders’ bezocht onthulden zij me hoe daar door lokale ambtenaren werd gehosseld. Vrijwel iedereen ontplooide nevenactiviteiten om rond te komen, een ambtelijk salaris was niet toereikend om een gezin te onderhouden. De een bakte ’s morgens vroeg broodjes en verkocht ze aan collega’s, de andere verhandelde zelfgekweekte groenten en fruit, de derde sufte achter zijn bureau moe van zijn job als nachtwaker bij welgestelden. Dat de leverancier van de huurauto ons ’s avonds voor het lokale Tv-station ook het nieuws voorlas verbaasde daarom geenszins meer.
Toch zit er ook een andere kant aan ambtelijke nevenactiviteiten, die veel positiever te waarderen is. Uit een mooi portret in de Volkskrant bleek voormalig CPB-directeur Don in zijn jaren als onderdirecteur onder Gerrit Zalm ook een eigen software-bedrijfje te hebben geleid, ‘Don Economterics’. Zou hij dat hebben gedaan voor het geld? Zou hij moe op zijn werk gekomen zijn? Zou hij de ambtelijke integriteit hebben geschonden? Ik geloof er allemaal niets van. Een veelzijdig en zeer getalenteerd man als Henk Don is boven iedere twijfel verheven. Blijkbaar kon hij door deze nevenactiviteit bepaalde talenten kwijt naast zijn ambtelijke baan, putte hij er plezier uit, kon hij iets toevoegen aan de samenleving.
Nevenactiviteiten lijken me ook niet slecht voor de zo geroemde ‘employability’. Ik kom soms CV’s tegen van ambtenaren van ABD-niveau met een bedroevende lage staat van nevenactiviteiten. Na het penningmeesterschap van de roeivereniging begin jaren ’80 is er niets meer bijgekomen. Veel engagement en betrokkenheid met maatschappelijke vraagstukken spreekt er niet uit, terwijl dat alom wordt gewenst om een meer open en extern gerichte cultuur te krijgen.
Tellen dan alleen vrijwilligersactiviteiten, zijn betaalde activiteiten ongewenst? Dat lijkt me niet het doorslaggevend criterium. Belang of geen belang lijkt me veel een wezenlijker criterium. En dat ligt subtiel. Een departementsambtenaar die via een belangengroep plannen van een ander departement bestrijdt vind ik lastig uit te leggen. Het kan het delen van informatie tussen departementen beperken. Het Eerste Kamerlidmaatschap van een Schiphol-topman en commissaris? Kan in Nederland, of we moeten zowat de hele senaat opheffen als we dit niet willen. Een ambtenaar die ook aan het HBO onderwijst, een kerk bestuurt of lid is van de gemeenteraad? Zeer goed. Een ambtenaar die geen enkele nevenactiviteit heeft ontwikkeld in de laatste tien jaar? Zorgelijk. Sommige ambtenaren moeten worden geremd in hun nevenactiviteiten, velen aangespoord.
Op terugreis van een mooi congres in Leuven las ik in de Belgische Standaard dat de stadssecretaris van Antwerpen zijn ambtenaren wil beperken in het aantal uren dat wordt bijverdiend. Er zouden ambtenaren zijn die er bijna fulltime andere banen op na houden en daardoor moe of te laat op hun ambtelijke werkplek komen. Wie zijn bijberoep niet wil stoppen of limiteren tot het wettelijke maximum van 50 uur per week, moet korter gaan werken of ontslag nemen. Een man naar mijn hart deze Roel Verhaert, begaan met het wel en wee van zijn personeel. Maar waarom verrichten ambtenaren nevenactiviteiten en is dat altijd wel ongewenst?
Toen ik ooit naar Suriname uitgezonden Nederlandse ‘technische bijstanders’ bezocht onthulden zij me hoe daar door lokale ambtenaren werd gehosseld. Vrijwel iedereen ontplooide nevenactiviteiten om rond te komen, een ambtelijk salaris was niet toereikend om een gezin te onderhouden. De een bakte ’s morgens vroeg broodjes en verkocht ze aan collega’s, de andere verhandelde zelfgekweekte groenten en fruit, de derde sufte achter zijn bureau moe van zijn job als nachtwaker bij welgestelden. Dat de leverancier van de huurauto ons ’s avonds voor het lokale Tv-station ook het nieuws voorlas verbaasde daarom geenszins meer.
Toch zit er ook een andere kant aan ambtelijke nevenactiviteiten, die veel positiever te waarderen is. Uit een mooi portret in de Volkskrant bleek voormalig CPB-directeur Don in zijn jaren als onderdirecteur onder Gerrit Zalm ook een eigen software-bedrijfje te hebben geleid, ‘Don Economterics’. Zou hij dat hebben gedaan voor het geld? Zou hij moe op zijn werk gekomen zijn? Zou hij de ambtelijke integriteit hebben geschonden? Ik geloof er allemaal niets van. Een veelzijdig en zeer getalenteerd man als Henk Don is boven iedere twijfel verheven. Blijkbaar kon hij door deze nevenactiviteit bepaalde talenten kwijt naast zijn ambtelijke baan, putte hij er plezier uit, kon hij iets toevoegen aan de samenleving.
Nevenactiviteiten lijken me ook niet slecht voor de zo geroemde ‘employability’. Ik kom soms CV’s tegen van ambtenaren van ABD-niveau met een bedroevende lage staat van nevenactiviteiten. Na het penningmeesterschap van de roeivereniging begin jaren ’80 is er niets meer bijgekomen. Veel engagement en betrokkenheid met maatschappelijke vraagstukken spreekt er niet uit, terwijl dat alom wordt gewenst om een meer open en extern gerichte cultuur te krijgen.
Tellen dan alleen vrijwilligersactiviteiten, zijn betaalde activiteiten ongewenst? Dat lijkt me niet het doorslaggevend criterium. Belang of geen belang lijkt me veel een wezenlijker criterium. En dat ligt subtiel. Een departementsambtenaar die via een belangengroep plannen van een ander departement bestrijdt vind ik lastig uit te leggen. Het kan het delen van informatie tussen departementen beperken. Het Eerste Kamerlidmaatschap van een Schiphol-topman en commissaris? Kan in Nederland, of we moeten zowat de hele senaat opheffen als we dit niet willen. Een ambtenaar die ook aan het HBO onderwijst, een kerk bestuurt of lid is van de gemeenteraad? Zeer goed. Een ambtenaar die geen enkele nevenactiviteit heeft ontwikkeld in de laatste tien jaar? Zorgelijk. Sommige ambtenaren moeten worden geremd in hun nevenactiviteiten, velen aangespoord.
maandag, mei 22, 2006
De supernanny?
Column Binnenlands Bestuur dd 26 mei 2006
De artikelen van de Britse arts en schrijver Theodore Dalrymple hebben in eigen land en erbuiten veel stof doen opwaaien. De bundel 'Leven aan de onderkant' deed dat ook in Nederland, omdat Dalrymple krachtig ageert tegen het waardenrelativisme van linkse en liberale denkers die ondermeer onze Paarse kabinetten bevolkten. Centraal in zijn denken staat de idee dat hun vergoelijkende spreken over maatschappelijke problemen lang heeft gefungeerd als te zachte heelmeester voor sociale problemen aan de onderkant van de samenleving. Wat deze denkers beleden als vrijheden richtte echter rampen en rampjes aan voor mensen die niet opgewassen bleken tegen de overdaad aan vrijheden. Te veel vrijheid kortom kan ook funest uitwerken, met fors stijgende criminaliteit, alcoholisme, drugsgebruik, sociale deprivatie, mishandeling binnen relaties en gebroken gezinnen tot gevolg.
Het boek van Dalrymple bevat een aaneenschakeling van beschrijvingen dergelijke situaties. Zijn grootste aanklacht is echter het vergoelijkende spreken en het wijzen op verklaringen voor het ontsporen van velen. De snel veranderende leefwereld, de moeilijke jeugd, de relatieve armoede, excuses te over. Maar het wijzen op en nemen van de eigen verantwoordelijkheid blijft uit.
Het verhaal over de gebrekkige normativiteit van de overheid is hiermee niet helemaal af. Want juist de laatste tijd wordt de overheid als hoeder van waarden herontdekt. En dan doel ik niet op mislukte normen en waardenwebsites. Weekblad The Economist trok laatst aan de bel vanwege het woekerende 'zachte paternalisme'. Niet langer strenge ge- en verboden instrumenteren het beleid. Nee, de overheid doet zich voor als onze beste vriend, maar wel een die iets van ons wil, op ons gemoed of geweten inspeelt en ons 'voor ons eigen bestwil iets wil laten doen of doen laten. 'De auto kan best een dagje zonder u'. ´Vrij veilig´. Of het recente besluit tot handhaving van de bedenktijd voor zwangerschapsafbreking. ‘Denk nog eens na’. Niet langer harde maatregelen maar 'in uw eigen belang en in het belang van ons allemaal' worden burgers verleid mee te gaan in de gewenste gedragsrichting. Subtiele financiële prikkels ondersteunen deze arrangementen. ´Spaar voor een welverdiende sabbattical met de levensloopregeling en ontvang een mooie fiscale tegemoetkoming. '
Toch is dit 'zachte paternalisme' niet geheel zonder problemen. Echte aanhangers van de nachtwakersstaat zullen er terecht een bezwaar tegen hebben dat hoewel de overheid niet via financiële middelen stuurt, ze wel degelijk een verregaande gedragsbeïnvloeding van burgers nastreeft. Een supernanny die ons betuttelt en weet wat goed voor ons is. En last but not least, staatspaternalisme en moreel gezag om burgers met zachte hand te bewegen tot het nalaten van ondeugden, vereist een hoge eigen mate van onberispelijkheid. Zolang de dokter rookt, stoppen weinig patiënten. Ergo? Het behoud van de ambtenarenstatus als intern appél en extern teken van het ‘anders zijn’ van werknemers in de publieke sector is dringend gewenst. En : het te digitaal uitleggen van complexe wetgeving in individuele gevallen wet met de slogan dat ´regels nu eenmaal regels zijn´ botst te zeer met breed gevoelde, diepere rechtsbeginselen. Niet meer doen dus, om moreel gezag te behouden.
De artikelen van de Britse arts en schrijver Theodore Dalrymple hebben in eigen land en erbuiten veel stof doen opwaaien. De bundel 'Leven aan de onderkant' deed dat ook in Nederland, omdat Dalrymple krachtig ageert tegen het waardenrelativisme van linkse en liberale denkers die ondermeer onze Paarse kabinetten bevolkten. Centraal in zijn denken staat de idee dat hun vergoelijkende spreken over maatschappelijke problemen lang heeft gefungeerd als te zachte heelmeester voor sociale problemen aan de onderkant van de samenleving. Wat deze denkers beleden als vrijheden richtte echter rampen en rampjes aan voor mensen die niet opgewassen bleken tegen de overdaad aan vrijheden. Te veel vrijheid kortom kan ook funest uitwerken, met fors stijgende criminaliteit, alcoholisme, drugsgebruik, sociale deprivatie, mishandeling binnen relaties en gebroken gezinnen tot gevolg.
Het boek van Dalrymple bevat een aaneenschakeling van beschrijvingen dergelijke situaties. Zijn grootste aanklacht is echter het vergoelijkende spreken en het wijzen op verklaringen voor het ontsporen van velen. De snel veranderende leefwereld, de moeilijke jeugd, de relatieve armoede, excuses te over. Maar het wijzen op en nemen van de eigen verantwoordelijkheid blijft uit.
Het verhaal over de gebrekkige normativiteit van de overheid is hiermee niet helemaal af. Want juist de laatste tijd wordt de overheid als hoeder van waarden herontdekt. En dan doel ik niet op mislukte normen en waardenwebsites. Weekblad The Economist trok laatst aan de bel vanwege het woekerende 'zachte paternalisme'. Niet langer strenge ge- en verboden instrumenteren het beleid. Nee, de overheid doet zich voor als onze beste vriend, maar wel een die iets van ons wil, op ons gemoed of geweten inspeelt en ons 'voor ons eigen bestwil iets wil laten doen of doen laten. 'De auto kan best een dagje zonder u'. ´Vrij veilig´. Of het recente besluit tot handhaving van de bedenktijd voor zwangerschapsafbreking. ‘Denk nog eens na’. Niet langer harde maatregelen maar 'in uw eigen belang en in het belang van ons allemaal' worden burgers verleid mee te gaan in de gewenste gedragsrichting. Subtiele financiële prikkels ondersteunen deze arrangementen. ´Spaar voor een welverdiende sabbattical met de levensloopregeling en ontvang een mooie fiscale tegemoetkoming. '
Toch is dit 'zachte paternalisme' niet geheel zonder problemen. Echte aanhangers van de nachtwakersstaat zullen er terecht een bezwaar tegen hebben dat hoewel de overheid niet via financiële middelen stuurt, ze wel degelijk een verregaande gedragsbeïnvloeding van burgers nastreeft. Een supernanny die ons betuttelt en weet wat goed voor ons is. En last but not least, staatspaternalisme en moreel gezag om burgers met zachte hand te bewegen tot het nalaten van ondeugden, vereist een hoge eigen mate van onberispelijkheid. Zolang de dokter rookt, stoppen weinig patiënten. Ergo? Het behoud van de ambtenarenstatus als intern appél en extern teken van het ‘anders zijn’ van werknemers in de publieke sector is dringend gewenst. En : het te digitaal uitleggen van complexe wetgeving in individuele gevallen wet met de slogan dat ´regels nu eenmaal regels zijn´ botst te zeer met breed gevoelde, diepere rechtsbeginselen. Niet meer doen dus, om moreel gezag te behouden.
dinsdag, mei 09, 2006
Red verantwoordingsdag !
Column Binnenlands bestuur dd 12 mei 2006
Komende woensdag is het weer verantwoordingsdag. Het dreigt weer een bloedeloze vertoning te worden, tenzij er snel nieuw elan ontstaat. Hoe kon het zo misgaan met dat prachtidee?
Onder leiding van Jan van Zijl ontstond eind vorige eeuw de ambitie vanuit het parlement meer werk te maken van het volgen en beoordelen van de door de ministers beloofde beleidsprestaties. Vanaf 2000 vindt daarom op de derde woensdag in mei een speciaal verantwoordingsdebat plaats, al kan eigenlijk kan pas vanaf 2003 gesproken worden over goed onderbouwde debatten omdat vanaf toen alle begrotingen en verantwoordingen op de nieuwe leest zijn geschoeid.
De geschiedenis van verantwoordingsdag is echter een treurige. Daaraan liggen verschillende oorzaken ten grondslag. Zo blijkt mei blijkt niet zo’n gunstig moment voor dit debat. In 2002 vonden er op de derde woensdag in mei verkiezingen plaats, medio mei 2003 werd op die dag het kabinet Balkenende-2 gepresenteerd. Nieuwe ministers als bijvoorbeeld mevrouw Peijs moesten zich toen kort daarna verantwoorden over de prestaties van haar voorgangers in 2002, mevrouw Netelenbos en Roelf de Boer. En dat tegenover een qua samenstelling drastisch veranderd parlement. Dat werkte niet. In 2007 vinden in mei weer verkiezingen plaats. Indien die zomermaanden een nieuw kabinet wordt gevormd, dat na de zomer aantreedt, is het niet eenvoudig de nieuwe ministersploeg mei 2008 met de al dan niet gerealiseerde prestaties van hun voorgangers te confronteren.
Het verkiezingsjaar en het erop volgende jaar zijn dus uit oogpunt van politieke cycli lastig rijmen met Verantwoordingsdag.
Waarom werd verantwoordingsdag dan in 2004, 2005 en naar te vrezen is ook in 2006 geen succes? Positief is dat er eigenlijk weinig vuurwerk meer plaatsvindt vanwege de goede kwaliteit van de financiële verantwoordingen, zowel inhoudelijk als financieel. Op de meeste beleidsterreinen blijken ook volgens de Rekenkamer gewoon goede verantwoordingen te worden opgesteld die van goedkeurende accountantsverklaring worden voorzien. Ontvangsten en uitgaven blijken meer dan 99, 8% rechtmatig te hebben plaatsgevonden. Scoor dan nog maar eens. Toch is er meer over te zeggen. Binnen de Kamer wordt de verantwoording nog steeds niet helemaal serieus te worden genomen. Het is te vaak voorgekomen dat bewindspersonen ‘het grote verantwoordingsdebat’ voerden met slechts twee kamerleden, de een als commissievoorzitter, de ander als lid, beide schaapachtig lachend en zich verontschuldigend voor de afwezigheid van de vele andere parlementariërs. Ook fractievoorzitters, niet in de laatste plaats die van de coalitiepartijen, bleken een broertje dood te hebben aan het voeren van het verantwoordingsdebat. Ook dit jaar voeren zij geen plenair debat op verantwoordingsdag, misschien later nog wel, na alle bloedeloze commissievergaderingen. Misschien ook niet, alle welgemeende oproepen van de commissie Rijksuitgaven ten spijt.
Is verantwoordingsdag nog te redden ? Ja, maar dan moet het uit het parlement worden gehaald en een volksverantwoording worden. Laat VROM-minister Dekkker in een zaal met huurders haar prestaties uitleggen, minister Donner bij de advocatuur of reclassering, Remkes in een zaal vol dienders, Medy van der Laan op het mediapark, Rutte onder studenten, Verdonk in de moskee. Laat daar maar vragen worden gesteld en zichtbaar worden wat de beleidsprestaties voor burgers betekend hebben. Weisglas mag voorzitten. Dat kan leiden tot onverwacht echte, reële, open en eerlijke debatten. Zoals verantwoordingsdag bedoeld is.
Komende woensdag is het weer verantwoordingsdag. Het dreigt weer een bloedeloze vertoning te worden, tenzij er snel nieuw elan ontstaat. Hoe kon het zo misgaan met dat prachtidee?
Onder leiding van Jan van Zijl ontstond eind vorige eeuw de ambitie vanuit het parlement meer werk te maken van het volgen en beoordelen van de door de ministers beloofde beleidsprestaties. Vanaf 2000 vindt daarom op de derde woensdag in mei een speciaal verantwoordingsdebat plaats, al kan eigenlijk kan pas vanaf 2003 gesproken worden over goed onderbouwde debatten omdat vanaf toen alle begrotingen en verantwoordingen op de nieuwe leest zijn geschoeid.
De geschiedenis van verantwoordingsdag is echter een treurige. Daaraan liggen verschillende oorzaken ten grondslag. Zo blijkt mei blijkt niet zo’n gunstig moment voor dit debat. In 2002 vonden er op de derde woensdag in mei verkiezingen plaats, medio mei 2003 werd op die dag het kabinet Balkenende-2 gepresenteerd. Nieuwe ministers als bijvoorbeeld mevrouw Peijs moesten zich toen kort daarna verantwoorden over de prestaties van haar voorgangers in 2002, mevrouw Netelenbos en Roelf de Boer. En dat tegenover een qua samenstelling drastisch veranderd parlement. Dat werkte niet. In 2007 vinden in mei weer verkiezingen plaats. Indien die zomermaanden een nieuw kabinet wordt gevormd, dat na de zomer aantreedt, is het niet eenvoudig de nieuwe ministersploeg mei 2008 met de al dan niet gerealiseerde prestaties van hun voorgangers te confronteren.
Het verkiezingsjaar en het erop volgende jaar zijn dus uit oogpunt van politieke cycli lastig rijmen met Verantwoordingsdag.
Waarom werd verantwoordingsdag dan in 2004, 2005 en naar te vrezen is ook in 2006 geen succes? Positief is dat er eigenlijk weinig vuurwerk meer plaatsvindt vanwege de goede kwaliteit van de financiële verantwoordingen, zowel inhoudelijk als financieel. Op de meeste beleidsterreinen blijken ook volgens de Rekenkamer gewoon goede verantwoordingen te worden opgesteld die van goedkeurende accountantsverklaring worden voorzien. Ontvangsten en uitgaven blijken meer dan 99, 8% rechtmatig te hebben plaatsgevonden. Scoor dan nog maar eens. Toch is er meer over te zeggen. Binnen de Kamer wordt de verantwoording nog steeds niet helemaal serieus te worden genomen. Het is te vaak voorgekomen dat bewindspersonen ‘het grote verantwoordingsdebat’ voerden met slechts twee kamerleden, de een als commissievoorzitter, de ander als lid, beide schaapachtig lachend en zich verontschuldigend voor de afwezigheid van de vele andere parlementariërs. Ook fractievoorzitters, niet in de laatste plaats die van de coalitiepartijen, bleken een broertje dood te hebben aan het voeren van het verantwoordingsdebat. Ook dit jaar voeren zij geen plenair debat op verantwoordingsdag, misschien later nog wel, na alle bloedeloze commissievergaderingen. Misschien ook niet, alle welgemeende oproepen van de commissie Rijksuitgaven ten spijt.
Is verantwoordingsdag nog te redden ? Ja, maar dan moet het uit het parlement worden gehaald en een volksverantwoording worden. Laat VROM-minister Dekkker in een zaal met huurders haar prestaties uitleggen, minister Donner bij de advocatuur of reclassering, Remkes in een zaal vol dienders, Medy van der Laan op het mediapark, Rutte onder studenten, Verdonk in de moskee. Laat daar maar vragen worden gesteld en zichtbaar worden wat de beleidsprestaties voor burgers betekend hebben. Weisglas mag voorzitten. Dat kan leiden tot onverwacht echte, reële, open en eerlijke debatten. Zoals verantwoordingsdag bedoeld is.
woensdag, april 26, 2006
Tien financiële vragen aan liberalen
Column Binnenlands Bestuur dd 28 april 2006
VVD en D66 maken zich op voor de verkiezing van lijstrekkers. Bij D66 is het de vraag of men kiest voor Lousewies of nog frisser bloed. Plus de vraag naar de toekomst van de partij als het aantal kamerzetels nog eens wordt gehalveerd. Samengaan met de VVD van Rutte? Spannend is daarom de strijd binnen de VVD tussen Mark Rutte en Rita Verdonk. Als we over het gesteggel heenstappen, omtrent waarnemers, aantallen debatten en daadkracht, welke vragen zouden de titanen dan rond financieel opgaven mogen beantwoorden? Ik zou graag 10 antwoorden horen.
1. Deelt u het streven naar een rijksbegroting die sluitend is of zelf een overschot kent, wat met het oog op de komende vergrijzing bepleit wordt? Wilt u dan tevens de lasten verlichten en zo ja uit verlaging van welke uitgaven wilt u dat allemaal betalen?
2. Bent u bereid collectieve middelen in te zetten om werkgelegenheid voor Nederland te behouden, zoals bij het bedreigde Nedcar of bent u ten principale tegen alle vormen van zulke staatssteun?
3. Hoewel het niet is opgenomen in eerdere verkiezingsprogramma's heeft de VVD in achterliggende regeerakkoorden meegewerkt aan beperking van de hypotheekrenteaftrek, bijvoorbeeld voor buitenlandse huizen, 2e huizen of in geval van bijlenen bij aankoop van een nieuw huis. Graag wil ik dit keer vooral weten of iedere verdere beperking van de hypotheekrenteaftrek door u wordt uitgesloten. Houd u woord?
4. Streeft u naar de definitieve afschaffen van de resterende onroerend-zaakbelasting of bent u bereid het lokale belastinggebied van gemeenten juist te vergroten via een lokale inkomstenbelasting of anderszins?
5. Steunt u de zelfs door Pieter Hofstra bepleitte invoering van betaald rijden op wegen -mits de invoerings- en uitvoeringskosten beneden de nu afgesproken plafonds blijven- of vindt u Nederland te klein voor zo'n systeem en zegt u het uw voorganger van Aartsen na die dat het 'toch nooit wat zou worden'?
6. Streeft u in lijn met uw partijtraditie naar een verlaging van de omvang van de omvang van de ontwikkelingssamenwerking van de huidige 0,8% naar 0,7% BBP?
7. Handhaaft u het idee van een publieke omroep zonder reclame-inkomsten die als gevolg daarvan minder netten of zendtijd zal kennen nu andere partijen de plannen willen bijstellen?
8. Streeft u nog steeds na dat één procent van de rijksuitgaven wordt besteed aan kunst zoals in uw recente Liberaal manifest is opgenomen?
9. Welke andere aandelen van voormalige publieke ondernemingen wilt u vervreemden na de plannen tot verkoop van aandelen TPG, KPN en Schiphol? Is dit keer de NS aan de beurt? En wilt u nog steeds de zelfstandige bestuursorganen terug brengen onder de volledige ministeriele verantwoordelijkheid zoals dit kabinet nastreefde?
10. Wie wordt uw minister van Financiën ? Als dat Gerrit Zalm is, mag u van mij allebei wel winnen. Als dat niet hoop ik dat u vooraf klaarheid schept.
VVD en D66 maken zich op voor de verkiezing van lijstrekkers. Bij D66 is het de vraag of men kiest voor Lousewies of nog frisser bloed. Plus de vraag naar de toekomst van de partij als het aantal kamerzetels nog eens wordt gehalveerd. Samengaan met de VVD van Rutte? Spannend is daarom de strijd binnen de VVD tussen Mark Rutte en Rita Verdonk. Als we over het gesteggel heenstappen, omtrent waarnemers, aantallen debatten en daadkracht, welke vragen zouden de titanen dan rond financieel opgaven mogen beantwoorden? Ik zou graag 10 antwoorden horen.
1. Deelt u het streven naar een rijksbegroting die sluitend is of zelf een overschot kent, wat met het oog op de komende vergrijzing bepleit wordt? Wilt u dan tevens de lasten verlichten en zo ja uit verlaging van welke uitgaven wilt u dat allemaal betalen?
2. Bent u bereid collectieve middelen in te zetten om werkgelegenheid voor Nederland te behouden, zoals bij het bedreigde Nedcar of bent u ten principale tegen alle vormen van zulke staatssteun?
3. Hoewel het niet is opgenomen in eerdere verkiezingsprogramma's heeft de VVD in achterliggende regeerakkoorden meegewerkt aan beperking van de hypotheekrenteaftrek, bijvoorbeeld voor buitenlandse huizen, 2e huizen of in geval van bijlenen bij aankoop van een nieuw huis. Graag wil ik dit keer vooral weten of iedere verdere beperking van de hypotheekrenteaftrek door u wordt uitgesloten. Houd u woord?
4. Streeft u naar de definitieve afschaffen van de resterende onroerend-zaakbelasting of bent u bereid het lokale belastinggebied van gemeenten juist te vergroten via een lokale inkomstenbelasting of anderszins?
5. Steunt u de zelfs door Pieter Hofstra bepleitte invoering van betaald rijden op wegen -mits de invoerings- en uitvoeringskosten beneden de nu afgesproken plafonds blijven- of vindt u Nederland te klein voor zo'n systeem en zegt u het uw voorganger van Aartsen na die dat het 'toch nooit wat zou worden'?
6. Streeft u in lijn met uw partijtraditie naar een verlaging van de omvang van de omvang van de ontwikkelingssamenwerking van de huidige 0,8% naar 0,7% BBP?
7. Handhaaft u het idee van een publieke omroep zonder reclame-inkomsten die als gevolg daarvan minder netten of zendtijd zal kennen nu andere partijen de plannen willen bijstellen?
8. Streeft u nog steeds na dat één procent van de rijksuitgaven wordt besteed aan kunst zoals in uw recente Liberaal manifest is opgenomen?
9. Welke andere aandelen van voormalige publieke ondernemingen wilt u vervreemden na de plannen tot verkoop van aandelen TPG, KPN en Schiphol? Is dit keer de NS aan de beurt? En wilt u nog steeds de zelfstandige bestuursorganen terug brengen onder de volledige ministeriele verantwoordelijkheid zoals dit kabinet nastreefde?
10. Wie wordt uw minister van Financiën ? Als dat Gerrit Zalm is, mag u van mij allebei wel winnen. Als dat niet hoop ik dat u vooraf klaarheid schept.
maandag, april 10, 2006
Gratis of voor niets ?
Column Binnenlands Bestuur dd 14 april 2006
Gratis of voor niets?
Helaas voor Dan Brown, maar het Louvre bezoeken om de Mona Lisa te zien loopt ongetwijfeld uit op een teleurstelling, zeker op de maandelijkse gratis zondag. Dikke rijen medebezoekers belemmeren het uitzicht. Minder druk is het misschien in het Museum of Modern Art in New York. Twintig dollar entree is ook veel, de ingrijpende verbouwing ten spijt.
Op instigatie van de VVD debatteerde ons parlement over de vraag of de rijksmusea gratis toegankelijk moeten worden. Een Kamermeerderheid is voor, zeker wanneer ter compensatie van het verlies aan inkomsten, het rijk voortaan kosteloos het risicovolle transport van kunstwerken draagt. Het voorstel van VVD, PvdA en SP lijkt aantrekkelijk . Vervelend dat er een belangrijk aantal zaken ook moet worden meegewogen, wat tot een veel genuanceerder conclusie leidt.
1. Gratis entree tot rijksmusea lokt onvermijdelijk bezoekers weg van particuliere en gemeentelijke musea. De verwachte bezoekersstijging van zo'n dertig procent bij gratis toegankelijke rijksmusea is per saldo dus veel beperkter door een daling elders. Met dito inkomstenverlies.
2. Gratis toegang zal meer bezoekers opleveren, maar waarschijnlijk komen veeleer de huidige (betalende) bezoekers frequenter, dan dat nieuwe groepen binnenkomen. Onderzoek in gratis opengestelde Britse musea laat dit onomstotelijk zien. Er kwam geen extra arbeider of allochtoon bij.
3. Extra bezoek betekent ook extra kosten - voor beveiliging, schoonmaak en informatieverstrekking - zonder dat daar veel inkomsten tegenover staan uit museumwinkels en horeca. Sommige daarvan leveren nu al per saldo niet veel op. Ter indicatie: volledig vrije entree 'kost' musea zeventien euro per bezoeker in de zin van gederfde (extra) inkomsten. En een te hoog bezoekersaantal kan verder ook ongunstig zijn voor de waardering door bezoekers.
4. De omvang van de entreegelden als percentage van de totale inkomsten wisselt sterk. Voor het Van Gogh is het 48 procent, voor het Openluchtmuseum in Arnhem 23 procent, maar voor twaalf van de twintig andere rijksmusea minder dan tien procent. Een beetje nuance in de analyse is dus wezenlijk. De staatssecretaris heeft een punt als ze zegt dat 'het Van Gogh failliet gaat zonder entreeopbrengsten'. Bij veel kleinere rijksmusea is het wegvallen van entreegelden minder schokkend.
5. Het compenseren van entreeopbrengsten met verzekeringspremies biedt soms soelaas. Zo zijn voor het Mauritshuis de verzekeringspremies hoger dan de entreeopbrengsten, voor andere musea geldt dit bij lange na niet.
6. Wanneer het rijk verzekeraar wordt van musea, betekent dit onvermijdelijk ook schade-uitkeringen. Daarin voorzien de sommen van de enthousiaste Kamerleden nog niet.
Kortom, het zo aantrekkelijke idee van gratis musea kent veel nuances die vragen om een beschouwing. Bijvoorbeeld selectieve verspreiding van gratis jaarkaarten zoals GroenLinks voorstelde kan de bezoekersaantallen van nieuwe Nederlanders opstuwen. Experimenten met enkele gratis musea voor een bepaalde periode kan inzicht geven in de effecten daar en elders. Of vrijvallende verzekeringspremies gebruiken ten behoeve van ruimere openingstijden of digitale ontsluiting van collecties kan het bereik vergroten. Nu, zonder maatwerk musea als vroege verkiezingsstunt verplichten tot gratis openstellen, is later, wanneer we weer denken in termen van 'profijt van de overheid' heel lastig terug te draaien. Hoe verleidelijk het idee nu ook is voor politici.
Gratis of voor niets?
Helaas voor Dan Brown, maar het Louvre bezoeken om de Mona Lisa te zien loopt ongetwijfeld uit op een teleurstelling, zeker op de maandelijkse gratis zondag. Dikke rijen medebezoekers belemmeren het uitzicht. Minder druk is het misschien in het Museum of Modern Art in New York. Twintig dollar entree is ook veel, de ingrijpende verbouwing ten spijt.
Op instigatie van de VVD debatteerde ons parlement over de vraag of de rijksmusea gratis toegankelijk moeten worden. Een Kamermeerderheid is voor, zeker wanneer ter compensatie van het verlies aan inkomsten, het rijk voortaan kosteloos het risicovolle transport van kunstwerken draagt. Het voorstel van VVD, PvdA en SP lijkt aantrekkelijk . Vervelend dat er een belangrijk aantal zaken ook moet worden meegewogen, wat tot een veel genuanceerder conclusie leidt.
1. Gratis entree tot rijksmusea lokt onvermijdelijk bezoekers weg van particuliere en gemeentelijke musea. De verwachte bezoekersstijging van zo'n dertig procent bij gratis toegankelijke rijksmusea is per saldo dus veel beperkter door een daling elders. Met dito inkomstenverlies.
2. Gratis toegang zal meer bezoekers opleveren, maar waarschijnlijk komen veeleer de huidige (betalende) bezoekers frequenter, dan dat nieuwe groepen binnenkomen. Onderzoek in gratis opengestelde Britse musea laat dit onomstotelijk zien. Er kwam geen extra arbeider of allochtoon bij.
3. Extra bezoek betekent ook extra kosten - voor beveiliging, schoonmaak en informatieverstrekking - zonder dat daar veel inkomsten tegenover staan uit museumwinkels en horeca. Sommige daarvan leveren nu al per saldo niet veel op. Ter indicatie: volledig vrije entree 'kost' musea zeventien euro per bezoeker in de zin van gederfde (extra) inkomsten. En een te hoog bezoekersaantal kan verder ook ongunstig zijn voor de waardering door bezoekers.
4. De omvang van de entreegelden als percentage van de totale inkomsten wisselt sterk. Voor het Van Gogh is het 48 procent, voor het Openluchtmuseum in Arnhem 23 procent, maar voor twaalf van de twintig andere rijksmusea minder dan tien procent. Een beetje nuance in de analyse is dus wezenlijk. De staatssecretaris heeft een punt als ze zegt dat 'het Van Gogh failliet gaat zonder entreeopbrengsten'. Bij veel kleinere rijksmusea is het wegvallen van entreegelden minder schokkend.
5. Het compenseren van entreeopbrengsten met verzekeringspremies biedt soms soelaas. Zo zijn voor het Mauritshuis de verzekeringspremies hoger dan de entreeopbrengsten, voor andere musea geldt dit bij lange na niet.
6. Wanneer het rijk verzekeraar wordt van musea, betekent dit onvermijdelijk ook schade-uitkeringen. Daarin voorzien de sommen van de enthousiaste Kamerleden nog niet.
Kortom, het zo aantrekkelijke idee van gratis musea kent veel nuances die vragen om een beschouwing. Bijvoorbeeld selectieve verspreiding van gratis jaarkaarten zoals GroenLinks voorstelde kan de bezoekersaantallen van nieuwe Nederlanders opstuwen. Experimenten met enkele gratis musea voor een bepaalde periode kan inzicht geven in de effecten daar en elders. Of vrijvallende verzekeringspremies gebruiken ten behoeve van ruimere openingstijden of digitale ontsluiting van collecties kan het bereik vergroten. Nu, zonder maatwerk musea als vroege verkiezingsstunt verplichten tot gratis openstellen, is later, wanneer we weer denken in termen van 'profijt van de overheid' heel lastig terug te draaien. Hoe verleidelijk het idee nu ook is voor politici.
maandag, maart 27, 2006
Het geld van Geert
Column Binnenlands Bestuur dd 31 maart 2006
Het programma Klare Wijn van de Partij voor de Vrijheid (PVV) geeft een eerste kijkje in de keuken van Geert Wilders en de zijnen. Als het gaat om concrete financiële ideeën valt het nog niet mee.
De definitieve komst van een conservatieve stroming in de Nederlandse politiek is echter van harte toe te juichen. Samen met de SP ter linkerzijde verbreedt de PVV op rechts het palet van politieke stromingen. Wilders’ PVV openbaart in het programma Klare Wijn nu voor het eerste haar opvattingen. Een van de drie grote thema’s is voor de PVV lagere belastingen. Ze werkt dit uit onder de kop : ‘Een andere en kleinere, dus betere overheid’. Daaronder valt voor Wilders directe democratie, afschaffing van de Europese Commissie, Europees Parlement en EG-programma’s. Als kernopgave ziet Wilders de beperking van de te grote overheid(sbemoeienis) omdat die leidt tot een te hoge belastingdruk en regeldichtheid. Zijn doel is te komen tot minder regels en lagere belastingen. Duidelijke taal maar wie wil dat niet?
Wilders agenda stelt daarom in twee opzichten teleur. Ten eerste is ze intellectueel gezien wel erg smal en ontbreken alternatieven. Ten tweede maakt Wilders zijn oplossingen nauwelijks concreet.
Een robuuste conservatieve politieke agenda zou, voorzover die de rol van de staat betreft, behalve het streven naar een kleinere overheid ook een visie mogen bevatten hoe tal van maatschappelijke arrangementen dan wel vorm moeten krijgen. Drie denkbare oplossingen kunnen we dan verwachten, individualisering, marktwerking of caritas.
Individualisering betekent dat burgers meer zelfvoorzienend worden, onafhankelijker van staatsvoorzieningen. Probleem voor Wilders is veel Nederlanders genoeg hebben van de al eerder in gang gezette individualisering van de samenleving.
Een tweede alternatief voor te brede overheidsbemoeienis is een sterkere rol voor de markt. Ook dat lijkt Nederland een beetje moe, er is een brede scepsis over de verdere vermarkting van publieke voorzieningen.
Een derde alternatief voor de staatsrol is een actiever rol voor het maatschappelijk middenveld; kerk en caritas in plaats van gemeente en rijk. Ook dat ontmoet in Nederland weinig bijval, in tegenstelling tot Amerika waar de beweging van ‘compassionate conservatism’ onder Bush juist succesvol is en overheidsprogramma’s door kerken worden overgenomen. Waar dit in Nederland gebeurt, zoals bij de opvang van uitgeprocedeerde asielzoekers, wordt dat juist ter rechterzijde verfoeid.
Wilders noemt nog geen alternatief voor staatsbemoeienis omdat aan ieder alternatief, individualisering, marktwerking en caritas weer bezwaren lijken te kleven.
Ten tweede, ook in de uitwerking van zijn ideeën rond een kleinere staatsrol en lagere belastingen blijft Wilders vaag. Zo algemeen geformuleerd zal vrijwel heel Den Haag streven naar deregulering en lagere belastingen. Aan Wilders de opgave een echt perspectief te schetsen. Brengen we uitgavenomvang van de publieke sector echt terug van de huidige 48% van het nationaal inkomen? Bezuinigen we drie kabinetten lang 1% per jaar zodat we in 2020 aan een Amerikaanse overheidsomvang komen? En hoe, wat gaan we dan minder doen? Het enige concrete idee van Wilders is een belastingverlaging, te financieren door de helft van de beleidsambtenaren te schrappen. Dat levert zo’n vijfduizend keer €50.000 euro op, ca. €250 miljoen per jaar. Dat is echt een maatregel achter de komma. Meer vlijt, denkkracht en concreetheid is daarom nog hard nodig !
Het programma Klare Wijn van de Partij voor de Vrijheid (PVV) geeft een eerste kijkje in de keuken van Geert Wilders en de zijnen. Als het gaat om concrete financiële ideeën valt het nog niet mee.
De definitieve komst van een conservatieve stroming in de Nederlandse politiek is echter van harte toe te juichen. Samen met de SP ter linkerzijde verbreedt de PVV op rechts het palet van politieke stromingen. Wilders’ PVV openbaart in het programma Klare Wijn nu voor het eerste haar opvattingen. Een van de drie grote thema’s is voor de PVV lagere belastingen. Ze werkt dit uit onder de kop : ‘Een andere en kleinere, dus betere overheid’. Daaronder valt voor Wilders directe democratie, afschaffing van de Europese Commissie, Europees Parlement en EG-programma’s. Als kernopgave ziet Wilders de beperking van de te grote overheid(sbemoeienis) omdat die leidt tot een te hoge belastingdruk en regeldichtheid. Zijn doel is te komen tot minder regels en lagere belastingen. Duidelijke taal maar wie wil dat niet?
Wilders agenda stelt daarom in twee opzichten teleur. Ten eerste is ze intellectueel gezien wel erg smal en ontbreken alternatieven. Ten tweede maakt Wilders zijn oplossingen nauwelijks concreet.
Een robuuste conservatieve politieke agenda zou, voorzover die de rol van de staat betreft, behalve het streven naar een kleinere overheid ook een visie mogen bevatten hoe tal van maatschappelijke arrangementen dan wel vorm moeten krijgen. Drie denkbare oplossingen kunnen we dan verwachten, individualisering, marktwerking of caritas.
Individualisering betekent dat burgers meer zelfvoorzienend worden, onafhankelijker van staatsvoorzieningen. Probleem voor Wilders is veel Nederlanders genoeg hebben van de al eerder in gang gezette individualisering van de samenleving.
Een tweede alternatief voor te brede overheidsbemoeienis is een sterkere rol voor de markt. Ook dat lijkt Nederland een beetje moe, er is een brede scepsis over de verdere vermarkting van publieke voorzieningen.
Een derde alternatief voor de staatsrol is een actiever rol voor het maatschappelijk middenveld; kerk en caritas in plaats van gemeente en rijk. Ook dat ontmoet in Nederland weinig bijval, in tegenstelling tot Amerika waar de beweging van ‘compassionate conservatism’ onder Bush juist succesvol is en overheidsprogramma’s door kerken worden overgenomen. Waar dit in Nederland gebeurt, zoals bij de opvang van uitgeprocedeerde asielzoekers, wordt dat juist ter rechterzijde verfoeid.
Wilders noemt nog geen alternatief voor staatsbemoeienis omdat aan ieder alternatief, individualisering, marktwerking en caritas weer bezwaren lijken te kleven.
Ten tweede, ook in de uitwerking van zijn ideeën rond een kleinere staatsrol en lagere belastingen blijft Wilders vaag. Zo algemeen geformuleerd zal vrijwel heel Den Haag streven naar deregulering en lagere belastingen. Aan Wilders de opgave een echt perspectief te schetsen. Brengen we uitgavenomvang van de publieke sector echt terug van de huidige 48% van het nationaal inkomen? Bezuinigen we drie kabinetten lang 1% per jaar zodat we in 2020 aan een Amerikaanse overheidsomvang komen? En hoe, wat gaan we dan minder doen? Het enige concrete idee van Wilders is een belastingverlaging, te financieren door de helft van de beleidsambtenaren te schrappen. Dat levert zo’n vijfduizend keer €50.000 euro op, ca. €250 miljoen per jaar. Dat is echt een maatregel achter de komma. Meer vlijt, denkkracht en concreetheid is daarom nog hard nodig !
dinsdag, maart 14, 2006
Dertien-komma-acht-procent
Column Binnenlands Bestuur dd 17 maart 2006
Smalle marges, grote gevolgen, Jozias van Aartsen kan het nazeggen door zijn politieke lot te verbinden aan het al dan niet behalen van de 14%-grens voor de VVD. Hoewel onderzoek leert dat Nederlanders het idee van de prestatiemaatschappij afwijzen, worden steeds meer doelen gesteld in meetbare, afrekenbare grootheden. Met alle gevolgen van dien. De (niet gehaalde) punctualiteiteis aan de NS bezegelde eertijds het lot van de topman. De naar eigen zeggen bijna volledig behaalde meetbare doelen van het Rotterdamse college van Opstelten en Leefbaren heeft hen niet behoed voor een verkiezingsnederlaag.
Ook financiele besluitvorming hangt aan elkaar van nauwkeurig geformuleerde streefwaarden en geldbedragen. Het begrotingstekort mag niet hoger zijn dan drie procent, koopkrachtplaatjes worden uitgediscussieerd tot cijfers achter de komma. Begrotingsposten worden tot op de euro precies geraamd, in de financiele verantwoording moet tot op de cent worden verantwoord hoe de bestedingen zijn verlopen.
Toch komen financiële ramingen zelden uit, zonder dat wethouders of ministers om de haverklap (hierom) opstappen.
Zelfs de knapste rekenmeesters van het Centraal Plan Bureau slagen er zelden in de werkelijke economische groei te ramen, de afwijkingsmarges zijn tot een vol procent. En dat is heel veel geld, het kan kabinetten maken of breken. Hun troost is dat anderen het zelden beter doen.
Ook voorspellingen van beleggingsexperts voor bijvoorbeeld de AEX-slotstand aan het einde van een nieuw jaar lopen doorgaans sterk uiteen. Gelukkig wordt er daarom in financiële en budgettaire kringen met een zekere mildheid gekeken naar de exactheid van ramingen. Wanneer men daarin geen afwijkingsmarges tolereert, zou er een ongekend grote hoeveelheid controles nodig zijn, om daadwerkelijk te borgen dat gevoteerde bedragen exact besteed worden. Daarom hoeven in financieel verantwoordingen ook niet álle verschillen tussen raming en realisatie te worden toegelicht, maar alleen substantiële of opmerkelijke verschillen. Dan spreken we soms over absolute bedragen (bij de tennisvereniging is 1000 euro de grens, bij de gemeente een ton, bij een departement een of tien miljoen), soms over verschilverklaring van percentages groter dan 5 of 10%.
De wijsheid van het meten en verantwoorden in financiële kringen is dat afwijkingen nu eenmaal onontkoombaar zijn en een relatieve benadering nodig is van verschillen, geen absolute. Beheerders van beleggingsfondsen kijken daarom niet alleen naar hun eigen presteren maar relateren dit sterk aan concurrenten, de relatieve prestatie telt meer dan de absolute. Een fonds dat 10% waarde verliest kan een relatieve uitblinker zijn, als de benchmark waartegen men zich afzet slechter presteert.
Die subtiliteit ontbrak in de benadering van Van Aartsen. Hij fixeerde zich op een absolute score, terwijl een analyse van de uitslagen laat zien dat het CDA en D66, waarmee men in hetzelfde schuitje zit, veel meer zetels verloren, zonder dat men personele gevolgen aan de uitslag heeft verbonden. Prestatiesturing, prestatiemeting, afrekenen op prestaties, het is een subtieler proces dan de VVD met Van Aartsen vorige week liet zien. Of zou dat percentage niet het hele verhaal zijn?
Smalle marges, grote gevolgen, Jozias van Aartsen kan het nazeggen door zijn politieke lot te verbinden aan het al dan niet behalen van de 14%-grens voor de VVD. Hoewel onderzoek leert dat Nederlanders het idee van de prestatiemaatschappij afwijzen, worden steeds meer doelen gesteld in meetbare, afrekenbare grootheden. Met alle gevolgen van dien. De (niet gehaalde) punctualiteiteis aan de NS bezegelde eertijds het lot van de topman. De naar eigen zeggen bijna volledig behaalde meetbare doelen van het Rotterdamse college van Opstelten en Leefbaren heeft hen niet behoed voor een verkiezingsnederlaag.
Ook financiele besluitvorming hangt aan elkaar van nauwkeurig geformuleerde streefwaarden en geldbedragen. Het begrotingstekort mag niet hoger zijn dan drie procent, koopkrachtplaatjes worden uitgediscussieerd tot cijfers achter de komma. Begrotingsposten worden tot op de euro precies geraamd, in de financiele verantwoording moet tot op de cent worden verantwoord hoe de bestedingen zijn verlopen.
Toch komen financiële ramingen zelden uit, zonder dat wethouders of ministers om de haverklap (hierom) opstappen.
Zelfs de knapste rekenmeesters van het Centraal Plan Bureau slagen er zelden in de werkelijke economische groei te ramen, de afwijkingsmarges zijn tot een vol procent. En dat is heel veel geld, het kan kabinetten maken of breken. Hun troost is dat anderen het zelden beter doen.
Ook voorspellingen van beleggingsexperts voor bijvoorbeeld de AEX-slotstand aan het einde van een nieuw jaar lopen doorgaans sterk uiteen. Gelukkig wordt er daarom in financiële en budgettaire kringen met een zekere mildheid gekeken naar de exactheid van ramingen. Wanneer men daarin geen afwijkingsmarges tolereert, zou er een ongekend grote hoeveelheid controles nodig zijn, om daadwerkelijk te borgen dat gevoteerde bedragen exact besteed worden. Daarom hoeven in financieel verantwoordingen ook niet álle verschillen tussen raming en realisatie te worden toegelicht, maar alleen substantiële of opmerkelijke verschillen. Dan spreken we soms over absolute bedragen (bij de tennisvereniging is 1000 euro de grens, bij de gemeente een ton, bij een departement een of tien miljoen), soms over verschilverklaring van percentages groter dan 5 of 10%.
De wijsheid van het meten en verantwoorden in financiële kringen is dat afwijkingen nu eenmaal onontkoombaar zijn en een relatieve benadering nodig is van verschillen, geen absolute. Beheerders van beleggingsfondsen kijken daarom niet alleen naar hun eigen presteren maar relateren dit sterk aan concurrenten, de relatieve prestatie telt meer dan de absolute. Een fonds dat 10% waarde verliest kan een relatieve uitblinker zijn, als de benchmark waartegen men zich afzet slechter presteert.
Die subtiliteit ontbrak in de benadering van Van Aartsen. Hij fixeerde zich op een absolute score, terwijl een analyse van de uitslagen laat zien dat het CDA en D66, waarmee men in hetzelfde schuitje zit, veel meer zetels verloren, zonder dat men personele gevolgen aan de uitslag heeft verbonden. Prestatiesturing, prestatiemeting, afrekenen op prestaties, het is een subtieler proces dan de VVD met Van Aartsen vorige week liet zien. Of zou dat percentage niet het hele verhaal zijn?
dinsdag, maart 07, 2006
Zalm en Alva
Column Binnenlands Bestuur dd 27 februari 2006
De namen van Zalm en Alva zijn beide verbonden aan het fenomeen belastingoproer. De verhouding tussen rijk en decentrale overheden stond in beide geschiedenissen centraal.
Midden negentiende eeuw heeft er een waterscheiding plaatsgevonden in de financiële verhoudingen tussen rijk en decentrale overheden. Tot die tijd bestonden er geen financiële bijdragen van het rijk aan de gemeenten, integendeel. Tot 1865, het eerste jaar van de algemene uitkering aan gemeenten, waren de gemeenten veeleer financiële bijdragen schuldig aan het rijk, dan andersom.
Deze belangrijke rol van decentrale overheden en de strijd tussen centrum en periferie, zo kenmerkend voor de Nederlanden in de late middeleeuwen, kende zijn historische hoogtepunt in de strijd van provincies tegen de de Hertog van Alva, zo rond 1569. De landsregering moest zich naar de opvatting van Alva zo onafhankelijk mogelijk maken van de provincies. Daartoe wilde Alva af van de goedkeuringsvereiste van provincies bij op te leggen belastingen en zo zelf de belastinghoogte te kunnen bepalen. Geen uitzonderingen of privileges waren meer gewenst, maar vooral geen langzame, moeizame onderhandelprocessen.
Voorzien was een drievoudig stelsel van honderdsten, twintigsten en tienden. De honderdste penning was een (eenmalige) heffing op vermogen van één procent. De twintigste penning was een heffing bij de verkoop van onroerend goed van vijf procent. De fameus geworden tiende penning zou worden geheven op de verkoop van roerende goederen, een soort 10% BTW-tarief. Geen gekke maatstaf naar hedendaagse tarieven!
Het vervolg is bekend. Alva kreeg nooit echt zijn zin en naarmate de jarenlange onderhandelingen voortduurden, groeide het verzet binnen de Nederlanden tegen Alva’s belastingpolitiek. De opkomende belastingoproer verbreidde en verbreedde zich en een steeds bredere opstand was het gevolg. Belastingen kunnen de gemoederen goed verhitten, kortom.
Is er veel veranderd? Nee, leert de door Zalm bepleitte belastingoproer. De financiële verhoudingen en de belastingen zijn nog steeds onderwerp van strijd. De echte principiële strijd van Zalm met de gemeenten vond eigenlijk al enige jaren geleden plaats. Omdat in Europese begrotingsafspraken is vastgelegd dat voor de bepaling van het EMU-saldo van een land de financiën van alle bestuurslagen meetellen, was toen een principiële vraag aan de orde: mag de besteding van middelen door gemeenten zonodig aan banden worden gelegd wanneer Nederland door het fameuze 3%-norm dreigt te gaan? Zover is het niet gekomen, al is wel afgesproken dat men elkaar tijdig informeerde als vroegtijdige waarschuwing voor overschrijdingen. Dat systeem bleek te falen toen enkele jaren geleden Nederland door de 3% heenbrak, mede als gevolg van onvoorzien hogere –en heel laat gerapporteerde- uitgaven bij gemeenten. Op dat moment had Zalm een legitieme reden gehad om principieel te betogen dat er behoefte was aan mogelijkheden in te grijpen bij ontsporende gemeentefinanciën. Dat is niet gebeurd.
De oproep van Zalm tot een belastingstaking voor te hoge OZB is daarom onevenredig. De OZB is geen zaak van landelijk financieel belang maar een zuiver lokaal politiek issue. Ook bevreemdend daarom dat Zalm wel is gekapitteld over de feitelijk onjuiste basis van zijn betoog maar in veel mindere mate om de strekking ervan. Belastingoproeren dienen niet van rijkswege te worden verordonneerd, ze behoren het volk toe.
De namen van Zalm en Alva zijn beide verbonden aan het fenomeen belastingoproer. De verhouding tussen rijk en decentrale overheden stond in beide geschiedenissen centraal.
Midden negentiende eeuw heeft er een waterscheiding plaatsgevonden in de financiële verhoudingen tussen rijk en decentrale overheden. Tot die tijd bestonden er geen financiële bijdragen van het rijk aan de gemeenten, integendeel. Tot 1865, het eerste jaar van de algemene uitkering aan gemeenten, waren de gemeenten veeleer financiële bijdragen schuldig aan het rijk, dan andersom.
Deze belangrijke rol van decentrale overheden en de strijd tussen centrum en periferie, zo kenmerkend voor de Nederlanden in de late middeleeuwen, kende zijn historische hoogtepunt in de strijd van provincies tegen de de Hertog van Alva, zo rond 1569. De landsregering moest zich naar de opvatting van Alva zo onafhankelijk mogelijk maken van de provincies. Daartoe wilde Alva af van de goedkeuringsvereiste van provincies bij op te leggen belastingen en zo zelf de belastinghoogte te kunnen bepalen. Geen uitzonderingen of privileges waren meer gewenst, maar vooral geen langzame, moeizame onderhandelprocessen.
Voorzien was een drievoudig stelsel van honderdsten, twintigsten en tienden. De honderdste penning was een (eenmalige) heffing op vermogen van één procent. De twintigste penning was een heffing bij de verkoop van onroerend goed van vijf procent. De fameus geworden tiende penning zou worden geheven op de verkoop van roerende goederen, een soort 10% BTW-tarief. Geen gekke maatstaf naar hedendaagse tarieven!
Het vervolg is bekend. Alva kreeg nooit echt zijn zin en naarmate de jarenlange onderhandelingen voortduurden, groeide het verzet binnen de Nederlanden tegen Alva’s belastingpolitiek. De opkomende belastingoproer verbreidde en verbreedde zich en een steeds bredere opstand was het gevolg. Belastingen kunnen de gemoederen goed verhitten, kortom.
Is er veel veranderd? Nee, leert de door Zalm bepleitte belastingoproer. De financiële verhoudingen en de belastingen zijn nog steeds onderwerp van strijd. De echte principiële strijd van Zalm met de gemeenten vond eigenlijk al enige jaren geleden plaats. Omdat in Europese begrotingsafspraken is vastgelegd dat voor de bepaling van het EMU-saldo van een land de financiën van alle bestuurslagen meetellen, was toen een principiële vraag aan de orde: mag de besteding van middelen door gemeenten zonodig aan banden worden gelegd wanneer Nederland door het fameuze 3%-norm dreigt te gaan? Zover is het niet gekomen, al is wel afgesproken dat men elkaar tijdig informeerde als vroegtijdige waarschuwing voor overschrijdingen. Dat systeem bleek te falen toen enkele jaren geleden Nederland door de 3% heenbrak, mede als gevolg van onvoorzien hogere –en heel laat gerapporteerde- uitgaven bij gemeenten. Op dat moment had Zalm een legitieme reden gehad om principieel te betogen dat er behoefte was aan mogelijkheden in te grijpen bij ontsporende gemeentefinanciën. Dat is niet gebeurd.
De oproep van Zalm tot een belastingstaking voor te hoge OZB is daarom onevenredig. De OZB is geen zaak van landelijk financieel belang maar een zuiver lokaal politiek issue. Ook bevreemdend daarom dat Zalm wel is gekapitteld over de feitelijk onjuiste basis van zijn betoog maar in veel mindere mate om de strekking ervan. Belastingoproeren dienen niet van rijkswege te worden verordonneerd, ze behoren het volk toe.
maandag, februari 13, 2006
Oormerken ; zin en onzin
Column Binnelands Bestuur dd 17 februaro 2006
Tal van politici (her)ontdekken het fenomeen oormerken, financieel oormerken wel te verstaan. Cultuur, maatschappelijke zorg, infrastructuur, in veel debatten passeert het idee en ook Wouter Bos bepleitte het recent. Maar is oormerken wel zo’n goed idee?
Er zijn twee soorten financieel oormerken. De eerste is om bepaalde belastingopbrengsten te bestemmen voor specifieke uitgaven. Zo zijn de infrastructuuruitgaven lange tijd bekostigd uit Motorrijtuigenbelasting en accijnzen. Midden jaren negentig doorbrak Zalm dit evenwel omdat hij geen automatische koppelingen wilde tussen de alsmaar (hogere) autobelastingen en wegenuitgaven.
Een tweede vorm van oormerken is om binnen een uitgavenbudget specifieke groepen, doelen of bestemmingen aan te wijzen. In de begrotingswet wordt dan vastgelegd dat een vast deel of een bepaald bedrag ten goede komt aan ouderen, allochtonen, arme regio´s, het geriatrisch centrum te Paterswolde of de wormenkweek in Appelscha. De totale koek word er niet groter van, maar de aanwending wordt alvast politiek geregeld. In de VS is ´earmarking´ een nationale sport. Kwamen er in 1998 zo´n 2000 ´earmarks´ in de federale begroting voor, vorig jaar werd voor een bedrag van zo´n 32 miljard dollar voorrang gegeven aan zo’n 15.000 doelen. Washingtonse lobbyisten, die er goed aan verdienen, hadden totaal overigens 35.000 voorstellen tot earmarking weten in te brengen. Voorbeelden? Een kwart miljoen voor onderzoek naar alternatief visvoer in Idaho, twee ton voor onderzoek naar tomatenvirussen in Georgia enzovoort.
Oormerken lijkt nu ook hier herontdekt. Wouter Bos bepleitte laatst in de NRC bepaalde belastingen te oormerken voor bepaalde uitgaven ´zodat ze niet in een black box terecht komen´. Recent besloot de Kamer tot oormerken van de WMO-uitgaven. CDA-er Gerda Verburg motiveerde dit als een hulpmiddel om te komen tot transparantie, PvdA kamerlid Gerdi Verbeet verdedigde het oormerken recent in Binnenlands Bestuur omdat de WMO ´veel risico´s met zich meebrengt´. Ze nam afstand van het ´cliché´ dat ze oormerken zou bepleiten omdat ze gemeenten de uitvoering niet toevertrouwt.
Alle goede bedoelingen ten spijt, beide vormen van oormerken deugen niet. Belastingen dienen ter financiering van de totale rijksuitgaven en niet van een enkele uitgavencategorie. De allocatie is gebaat bij een volkomen vrije afweging van nut, noodzaak, krimp en groei van uitgaven. Politiek voorsorteren is ongewenst, verkleint de uitgavenflexibiliteit en leidt tot ineffectieve bestedingen.
Oormerken binnen de uitgaven lokt een slecht soort clientelisme uit met tal van suboptimale keuzen tot gevolg. Bijvoorbeeld bevoordeling van researchcentra ´om de hoek´ in plaats van de beste, zoals in de VS al decennia schering en inslag is. Oormerken bepleiten als hulpmiddel tot transparantie is lariekoek, voor transparantie is geen oormerken nodig.. Wie tot slot gemeenten taken niet toevertrouwt, moet niet decentraliseren of bij onzekerheid over de effecten een grondige evaluatie afspreken na enkele jaren.
Toch is het denkbaar dat ook in Nederland toekomstige kamerleden zich bij het verdelen van de koek meer en meer zullen overgeven aan het oormerken van uitgaven, om zo het profiel bij de eigen achterban of regio van herkomst te versterken. Of oormerken per saldo de kloof tussen burger en politiek echter verkleint, zoals Wouter Bos beoogt, is echter dubieus.
Tal van politici (her)ontdekken het fenomeen oormerken, financieel oormerken wel te verstaan. Cultuur, maatschappelijke zorg, infrastructuur, in veel debatten passeert het idee en ook Wouter Bos bepleitte het recent. Maar is oormerken wel zo’n goed idee?
Er zijn twee soorten financieel oormerken. De eerste is om bepaalde belastingopbrengsten te bestemmen voor specifieke uitgaven. Zo zijn de infrastructuuruitgaven lange tijd bekostigd uit Motorrijtuigenbelasting en accijnzen. Midden jaren negentig doorbrak Zalm dit evenwel omdat hij geen automatische koppelingen wilde tussen de alsmaar (hogere) autobelastingen en wegenuitgaven.
Een tweede vorm van oormerken is om binnen een uitgavenbudget specifieke groepen, doelen of bestemmingen aan te wijzen. In de begrotingswet wordt dan vastgelegd dat een vast deel of een bepaald bedrag ten goede komt aan ouderen, allochtonen, arme regio´s, het geriatrisch centrum te Paterswolde of de wormenkweek in Appelscha. De totale koek word er niet groter van, maar de aanwending wordt alvast politiek geregeld. In de VS is ´earmarking´ een nationale sport. Kwamen er in 1998 zo´n 2000 ´earmarks´ in de federale begroting voor, vorig jaar werd voor een bedrag van zo´n 32 miljard dollar voorrang gegeven aan zo’n 15.000 doelen. Washingtonse lobbyisten, die er goed aan verdienen, hadden totaal overigens 35.000 voorstellen tot earmarking weten in te brengen. Voorbeelden? Een kwart miljoen voor onderzoek naar alternatief visvoer in Idaho, twee ton voor onderzoek naar tomatenvirussen in Georgia enzovoort.
Oormerken lijkt nu ook hier herontdekt. Wouter Bos bepleitte laatst in de NRC bepaalde belastingen te oormerken voor bepaalde uitgaven ´zodat ze niet in een black box terecht komen´. Recent besloot de Kamer tot oormerken van de WMO-uitgaven. CDA-er Gerda Verburg motiveerde dit als een hulpmiddel om te komen tot transparantie, PvdA kamerlid Gerdi Verbeet verdedigde het oormerken recent in Binnenlands Bestuur omdat de WMO ´veel risico´s met zich meebrengt´. Ze nam afstand van het ´cliché´ dat ze oormerken zou bepleiten omdat ze gemeenten de uitvoering niet toevertrouwt.
Alle goede bedoelingen ten spijt, beide vormen van oormerken deugen niet. Belastingen dienen ter financiering van de totale rijksuitgaven en niet van een enkele uitgavencategorie. De allocatie is gebaat bij een volkomen vrije afweging van nut, noodzaak, krimp en groei van uitgaven. Politiek voorsorteren is ongewenst, verkleint de uitgavenflexibiliteit en leidt tot ineffectieve bestedingen.
Oormerken binnen de uitgaven lokt een slecht soort clientelisme uit met tal van suboptimale keuzen tot gevolg. Bijvoorbeeld bevoordeling van researchcentra ´om de hoek´ in plaats van de beste, zoals in de VS al decennia schering en inslag is. Oormerken bepleiten als hulpmiddel tot transparantie is lariekoek, voor transparantie is geen oormerken nodig.. Wie tot slot gemeenten taken niet toevertrouwt, moet niet decentraliseren of bij onzekerheid over de effecten een grondige evaluatie afspreken na enkele jaren.
Toch is het denkbaar dat ook in Nederland toekomstige kamerleden zich bij het verdelen van de koek meer en meer zullen overgeven aan het oormerken van uitgaven, om zo het profiel bij de eigen achterban of regio van herkomst te versterken. Of oormerken per saldo de kloof tussen burger en politiek echter verkleint, zoals Wouter Bos beoogt, is echter dubieus.
vrijdag, januari 27, 2006
Bruggenbouwers
Column Binnelands bestuur dd 3 februari 2006
Terwijl de (lokale) politieke partijen zich warm lopen voor de gemeenteraadsverkiezingen, beraden de Haagse bewindslieden zich op successen die zij kunnen 'cashen' voor de Kamerverkiezingen in 2007. Met hun staven pluizen zij naarstig de portefeuilles door op zoek naar projecten waarmee zij de eigen geografisch of electorale achterban hebben weten te plezieren; fiscale aftrekposten, specifieke subsidies, de vestiging van (overheids)kantoren of infrastructurele werken.
Doorgaans zijn 'pork and barrel' voor de achterban kort nieuws, met één uitzondering: de infrastructuurprojecten. Zij blijven lang zichtbaar en de omstreden werken wacht het droeve lot lang onderwerp van debat te zijn. Ook al kosten ze teruggerekend naar jaarlasten vaak geen fractie van ander betwistbaar beleid.
Zo is in de VS de storm nog maar net gaan liggen rond de 'bridge to nowhere', het project in Alaska om voor ruim driehonderd miljoen dollar een dun bevolkt gebied met achtduizend inwoners te verbinden met het naastgelegen eiland, waar tachtig mensen wonen. Alleen door keiharde politiek te bedrijven wisten de vertegenwoordigers van Alaska, Ted Stevens en Don Young, die in het Congres op sleutelposities zitten, te voorkomen dat het geld voor deze achterbanverbinding werd benut voor het door de orkaan getroffen Louisiana. Uiteindelijk werd de brug uit het wegenplan gestemd, maar het geld werd wel ter compensatie aan Alaska toegekend. Dus die brug die komt er wel, alle stampei binnen de Republikeinse partij en vernietigende publicaties door pressiegroepen ten spijt.
Ook Nederland kent regelmatig debat over nut, noodzaak en kosten van bruggen en tunnels. Denk maar aan de iets te groot uitgevallen Willem-Alexanderbrug bij Tiel, waar jarenlang tol is geheven om toch wat uit de kosten te komen. Of de eerst omstreden Erasmusbrug van Ben van Berkel in Rotterdam, de elegante 'zwaan' die niet alleen duurder was dan alternatieve verbindingen maar ook eerst leed aan kinderziekten. Of het adembenemende trio bruggen Harp, Citer en Luit van Santiago Calavatra, machtige bouwwerken over de bescheiden ringvaart van Haarlemmermeer, die duurder uitvielen en te snel zouden roesten.
Nee, er is maar een troost bij al te fors of duur uitgevoerde bruggen: hun schoonheid. Als er dan toch achterbanverbindingen moeten komen, stop het niet in onzichtbare subsidies of schimmige aftrekposten, maar bouw vooral hele mooie bruggen. Wie weg wil dromen moet eens de afbeeldingen van de Erasmusbrug googlen, of www.calavatra.com opzoeken. Alleen dan begrijp je het verzet van de Stichting Boogbrug die een al tien jaar ongebruikte oude boogbrug over de waal bij Zaltbommel wil redden van de sloop. Wie eenmaal gegrepen wordt door de schoonheid van al die mooie bruggen, vergeeft het zijn bestuurders dat ze soms iets te groots, te moois laten bouwen. Zelfs de brug over Tongass Narrows in Alaska ziet er op tekening al fantastisch uit.
Terwijl de (lokale) politieke partijen zich warm lopen voor de gemeenteraadsverkiezingen, beraden de Haagse bewindslieden zich op successen die zij kunnen 'cashen' voor de Kamerverkiezingen in 2007. Met hun staven pluizen zij naarstig de portefeuilles door op zoek naar projecten waarmee zij de eigen geografisch of electorale achterban hebben weten te plezieren; fiscale aftrekposten, specifieke subsidies, de vestiging van (overheids)kantoren of infrastructurele werken.
Doorgaans zijn 'pork and barrel' voor de achterban kort nieuws, met één uitzondering: de infrastructuurprojecten. Zij blijven lang zichtbaar en de omstreden werken wacht het droeve lot lang onderwerp van debat te zijn. Ook al kosten ze teruggerekend naar jaarlasten vaak geen fractie van ander betwistbaar beleid.
Zo is in de VS de storm nog maar net gaan liggen rond de 'bridge to nowhere', het project in Alaska om voor ruim driehonderd miljoen dollar een dun bevolkt gebied met achtduizend inwoners te verbinden met het naastgelegen eiland, waar tachtig mensen wonen. Alleen door keiharde politiek te bedrijven wisten de vertegenwoordigers van Alaska, Ted Stevens en Don Young, die in het Congres op sleutelposities zitten, te voorkomen dat het geld voor deze achterbanverbinding werd benut voor het door de orkaan getroffen Louisiana. Uiteindelijk werd de brug uit het wegenplan gestemd, maar het geld werd wel ter compensatie aan Alaska toegekend. Dus die brug die komt er wel, alle stampei binnen de Republikeinse partij en vernietigende publicaties door pressiegroepen ten spijt.
Ook Nederland kent regelmatig debat over nut, noodzaak en kosten van bruggen en tunnels. Denk maar aan de iets te groot uitgevallen Willem-Alexanderbrug bij Tiel, waar jarenlang tol is geheven om toch wat uit de kosten te komen. Of de eerst omstreden Erasmusbrug van Ben van Berkel in Rotterdam, de elegante 'zwaan' die niet alleen duurder was dan alternatieve verbindingen maar ook eerst leed aan kinderziekten. Of het adembenemende trio bruggen Harp, Citer en Luit van Santiago Calavatra, machtige bouwwerken over de bescheiden ringvaart van Haarlemmermeer, die duurder uitvielen en te snel zouden roesten.
Nee, er is maar een troost bij al te fors of duur uitgevoerde bruggen: hun schoonheid. Als er dan toch achterbanverbindingen moeten komen, stop het niet in onzichtbare subsidies of schimmige aftrekposten, maar bouw vooral hele mooie bruggen. Wie weg wil dromen moet eens de afbeeldingen van de Erasmusbrug googlen, of www.calavatra.com opzoeken. Alleen dan begrijp je het verzet van de Stichting Boogbrug die een al tien jaar ongebruikte oude boogbrug over de waal bij Zaltbommel wil redden van de sloop. Wie eenmaal gegrepen wordt door de schoonheid van al die mooie bruggen, vergeeft het zijn bestuurders dat ze soms iets te groots, te moois laten bouwen. Zelfs de brug over Tongass Narrows in Alaska ziet er op tekening al fantastisch uit.
maandag, januari 23, 2006
Twee kwaden
Column Binnelands Bestuur dd 20 januari 2006
Hoewel oud en beschaafd is het bij eerste kennismaking geen sympathieke man, de oude magistraat die het dorp aan de grens van het rijk al jaren bestuurt. Nobelprijswinnaar Coetzee voert hem op in zijn fameuze bestuursroman 'Wachten op de barbaren'. Hij schreef het 25 jaar geleden maar het leest nog steeds als een actueel vraagstuk over stijlen en dilemma's van bestuur. Iedereen die complexe organisaties kent of leert kennen, hoort over de weerbarstigheid van de uitvoering van beleid. Plannen, ooit ontworpen aan tekentafels van hoofdkantoren zijn na alle stadia van ambtelijke en politieke onderhandelingen te hebben doorlopen, vervormd geraakt door talloze compromissen. Ze beantwoorden lang niet meer aan de oorspronkelijke opgaven, zijn zelden in de praktijk beproefd.
Uitvoerders van beleid, gedreven door de wil gestelde doelen te behalen, marchanderen daarom in de uitvoering van beleid. Ze nemen met de beste intenties eigen ruimte, spelregels en mores in acht ten dienste van de hogere doelstelling. Of bent u de Kennemer-opsporingsmethode, de Zaanlandse verhoormethode of de fiscale deals met Vinkenslag al vergeten? Ontspoorde uitvoerders waarvoor het doel (te) veel middelen heiligde. Na het ontdekken ervan door hoofdkantoren volgt de klassieke beleidsreactie; onderzoek, bestraffing van de 'schuldigen', nieuwe interne regels en verder gaan.
De magistraat van Coetzee is geen rolmodel van persoonlijke integriteit, maar vervult zijn werk als bestuurder met veel waardigheid, wijsheid en oprechte compassie voor de inwoners van zijn stad en de 'barbaren', bewoners van buiten de grenzen van het rijk met wie handel wordt gedreven en wiens cultuur hij bestudeert. Het kwaad gaat daarom niet uit van deze soms op eigen genot gerichte magistraat, maar van het hoofdstedelijke 'Derde Bureau', dat er een kolonel met expeditieleger op uitstuurt om orde op zaken te stellen in het buitengebied. De bureaucratie, die vast zit in vijanddenken, gaat daarin voorbij aan de vreedzame coëxistentie die de magistraat na jaren van samenleven heeft bewerkstelligd met de 'barbaren'.
Doof voor de tegenwerpingen van de magistraat gaat deze kolonel de woestijn in, op jacht naar de barbaren. De lezer voelt al snel de onherroepelijke nederlaag van het systeem aankomen, gepersonaliseerd door deze kolonel. De hoofdstedelijke opvattingen zijn niet bestand tegen de weerbarstigheid van het barre buitengebied; ze lopen stuk in de bestuurlijke werkelijkheid.
Coetzee lijkt de lezer te vragen welk kwaad we verkiezen. De onvolmaaktheid van de decentrale uitvoerders, die niet altijd voldoen aan de theorie en regels verzonnen in de hoofdstedelijke bureaus en afdelingen van het rijk - maar wel de boel 'bij elkaar houden'. Of het grote theoretische gelijk, waar op papier geen speld tussen te krijgen is, maar in de praktijk mensen tot nummers maakt, ongelijken gelijk behandelt en gelijken ongelijk en zo op micro-niveau rampen en dagelijkse rampjes aanricht.
Coetzees inzicht is dat de 'barbaren' waarvoor wij ons moeten 'wachten' niet de bestuurde 'wilden' zijn of zelfs de uitvoerende magistraat met al zijn gebreken. De barbaren zijn de systeemdenkers, die zetelen in het centrum van de macht.
Hoewel oud en beschaafd is het bij eerste kennismaking geen sympathieke man, de oude magistraat die het dorp aan de grens van het rijk al jaren bestuurt. Nobelprijswinnaar Coetzee voert hem op in zijn fameuze bestuursroman 'Wachten op de barbaren'. Hij schreef het 25 jaar geleden maar het leest nog steeds als een actueel vraagstuk over stijlen en dilemma's van bestuur. Iedereen die complexe organisaties kent of leert kennen, hoort over de weerbarstigheid van de uitvoering van beleid. Plannen, ooit ontworpen aan tekentafels van hoofdkantoren zijn na alle stadia van ambtelijke en politieke onderhandelingen te hebben doorlopen, vervormd geraakt door talloze compromissen. Ze beantwoorden lang niet meer aan de oorspronkelijke opgaven, zijn zelden in de praktijk beproefd.
Uitvoerders van beleid, gedreven door de wil gestelde doelen te behalen, marchanderen daarom in de uitvoering van beleid. Ze nemen met de beste intenties eigen ruimte, spelregels en mores in acht ten dienste van de hogere doelstelling. Of bent u de Kennemer-opsporingsmethode, de Zaanlandse verhoormethode of de fiscale deals met Vinkenslag al vergeten? Ontspoorde uitvoerders waarvoor het doel (te) veel middelen heiligde. Na het ontdekken ervan door hoofdkantoren volgt de klassieke beleidsreactie; onderzoek, bestraffing van de 'schuldigen', nieuwe interne regels en verder gaan.
De magistraat van Coetzee is geen rolmodel van persoonlijke integriteit, maar vervult zijn werk als bestuurder met veel waardigheid, wijsheid en oprechte compassie voor de inwoners van zijn stad en de 'barbaren', bewoners van buiten de grenzen van het rijk met wie handel wordt gedreven en wiens cultuur hij bestudeert. Het kwaad gaat daarom niet uit van deze soms op eigen genot gerichte magistraat, maar van het hoofdstedelijke 'Derde Bureau', dat er een kolonel met expeditieleger op uitstuurt om orde op zaken te stellen in het buitengebied. De bureaucratie, die vast zit in vijanddenken, gaat daarin voorbij aan de vreedzame coëxistentie die de magistraat na jaren van samenleven heeft bewerkstelligd met de 'barbaren'.
Doof voor de tegenwerpingen van de magistraat gaat deze kolonel de woestijn in, op jacht naar de barbaren. De lezer voelt al snel de onherroepelijke nederlaag van het systeem aankomen, gepersonaliseerd door deze kolonel. De hoofdstedelijke opvattingen zijn niet bestand tegen de weerbarstigheid van het barre buitengebied; ze lopen stuk in de bestuurlijke werkelijkheid.
Coetzee lijkt de lezer te vragen welk kwaad we verkiezen. De onvolmaaktheid van de decentrale uitvoerders, die niet altijd voldoen aan de theorie en regels verzonnen in de hoofdstedelijke bureaus en afdelingen van het rijk - maar wel de boel 'bij elkaar houden'. Of het grote theoretische gelijk, waar op papier geen speld tussen te krijgen is, maar in de praktijk mensen tot nummers maakt, ongelijken gelijk behandelt en gelijken ongelijk en zo op micro-niveau rampen en dagelijkse rampjes aanricht.
Coetzees inzicht is dat de 'barbaren' waarvoor wij ons moeten 'wachten' niet de bestuurde 'wilden' zijn of zelfs de uitvoerende magistraat met al zijn gebreken. De barbaren zijn de systeemdenkers, die zetelen in het centrum van de macht.
maandag, januari 09, 2006
Zalms vrienden
Column Binnelands Bestuur dd 6 januari 2006
Het is een begrijpelijk verlangen, de wens de geschiedenis in te gaan als langstzittend minister van Financiën die bovendien een begrotingsoverschot achterliet. Om dat te bereiken en voorjaar 2007 zwarte cijfers te presenteren, moet Zalm komende lente wel een paar beslissende veldslagen leveren.
Eind 2005 stapelen de positieve berichten zich op. De financiële resultaten over dat jaar vallen mee en de economische prognoses voor 2006 zijn gunstig. Door de heffing op rendement zullen particuliere beleggers over 2005 bovendien honderden miljoenen extra belasting gaan betalen, dankzij 25 procent hogere beursnoteringen. Tot slot mag de afdracht aan de EG vanaf 2007 met een miljard worden verlaagd.
Hoe paradoxaal ook, te veel goed nieuws kan Zalm eigenlijk niet gebruiken. Want juist door al die meevallers komen er (te) veel krachten los die het behoud van een goed budgettair resultaat kunnen frustreren, zo leert de recente geschiedenis. Nooit machtelozer stonden de doorgaans strenge inspecteurs en minister van Financiën dan bij de budgettaire besluitvorming in het voorjaar van 2001. In tijden van overschotten en meevallers blijken uitgavenministeries en vakministers immers slecht te porren voor matigheid met het oog op de overheidsfinanciën. Dit voorjaar wordt de besluitvormingscocktail nog wat explosiever door de naderende verkiezingen in 2007, voor een kabinet dat het beroerd blijft doen in de peilingen.
Wie zullen dan de vrienden van Zalm blijken te zijn? Waarschuwende IMF- en EG-rapportages zullen Nederland niet kunnen imponeren, we doen het qua economie en overheidsfinanciën immers juist goed. Wouter Bos en oppositiepartijen zullen Zalm ook niet bijstaan maar via eigen voorstellen de kiezers willen winnen of regeringspartijen verleiden de coalitie te verlaten. Het CDA dan, toch ook wars van potverteren en destijds brekend met de PvdA van Bos wegens zijn gebrek aan vermeende financiële soliditeit? Bij de eerste slag tussen Zalm en Verhagen om de energiecompensatie najaar 2005 bekende het CDA direct kleur. Ze zal juist vaker afstand nemen van Zalm om het sociale gezicht op te poetsen en dichter bij de PvdA te komen, zowel om zetels te herwinnen als om een echte keus te hebben na de verkiezingen van 2007. Er zullen kortom nog veel slagen tussen Verhagen en Zalm volgen, waarin straks ook onze MP kleur moet gaan bekennen. En die is eerder groen dan blauw.
Het meest wrange voor Zalm zal zijn dat ook VVD-ministers eigen resultaat gaan verkiezen boven financiële soliditeit. Dat gebeurde ook in 2001 toen Onderwijsminister Hermans ministens één miljard extra voor onderwijs eiste (en binnenhaalde), daarin nota bene bijgestaan door collega-VVD-ministers. 'Met zulke vrienden heb je geen vijanden meer nodig', verzuchtte Zalm nadien en verruilde na de verkiezingen zijn ministerspost voor een Kamerzetel.
Het is een begrijpelijk verlangen, de wens de geschiedenis in te gaan als langstzittend minister van Financiën die bovendien een begrotingsoverschot achterliet. Om dat te bereiken en voorjaar 2007 zwarte cijfers te presenteren, moet Zalm komende lente wel een paar beslissende veldslagen leveren.
Eind 2005 stapelen de positieve berichten zich op. De financiële resultaten over dat jaar vallen mee en de economische prognoses voor 2006 zijn gunstig. Door de heffing op rendement zullen particuliere beleggers over 2005 bovendien honderden miljoenen extra belasting gaan betalen, dankzij 25 procent hogere beursnoteringen. Tot slot mag de afdracht aan de EG vanaf 2007 met een miljard worden verlaagd.
Hoe paradoxaal ook, te veel goed nieuws kan Zalm eigenlijk niet gebruiken. Want juist door al die meevallers komen er (te) veel krachten los die het behoud van een goed budgettair resultaat kunnen frustreren, zo leert de recente geschiedenis. Nooit machtelozer stonden de doorgaans strenge inspecteurs en minister van Financiën dan bij de budgettaire besluitvorming in het voorjaar van 2001. In tijden van overschotten en meevallers blijken uitgavenministeries en vakministers immers slecht te porren voor matigheid met het oog op de overheidsfinanciën. Dit voorjaar wordt de besluitvormingscocktail nog wat explosiever door de naderende verkiezingen in 2007, voor een kabinet dat het beroerd blijft doen in de peilingen.
Wie zullen dan de vrienden van Zalm blijken te zijn? Waarschuwende IMF- en EG-rapportages zullen Nederland niet kunnen imponeren, we doen het qua economie en overheidsfinanciën immers juist goed. Wouter Bos en oppositiepartijen zullen Zalm ook niet bijstaan maar via eigen voorstellen de kiezers willen winnen of regeringspartijen verleiden de coalitie te verlaten. Het CDA dan, toch ook wars van potverteren en destijds brekend met de PvdA van Bos wegens zijn gebrek aan vermeende financiële soliditeit? Bij de eerste slag tussen Zalm en Verhagen om de energiecompensatie najaar 2005 bekende het CDA direct kleur. Ze zal juist vaker afstand nemen van Zalm om het sociale gezicht op te poetsen en dichter bij de PvdA te komen, zowel om zetels te herwinnen als om een echte keus te hebben na de verkiezingen van 2007. Er zullen kortom nog veel slagen tussen Verhagen en Zalm volgen, waarin straks ook onze MP kleur moet gaan bekennen. En die is eerder groen dan blauw.
Het meest wrange voor Zalm zal zijn dat ook VVD-ministers eigen resultaat gaan verkiezen boven financiële soliditeit. Dat gebeurde ook in 2001 toen Onderwijsminister Hermans ministens één miljard extra voor onderwijs eiste (en binnenhaalde), daarin nota bene bijgestaan door collega-VVD-ministers. 'Met zulke vrienden heb je geen vijanden meer nodig', verzuchtte Zalm nadien en verruilde na de verkiezingen zijn ministerspost voor een Kamerzetel.
Abonneren op:
Posts (Atom)