maandag, januari 23, 2006

Twee kwaden

Column Binnelands Bestuur dd 20 januari 2006
Hoewel oud en beschaafd is het bij eerste kennismaking geen sympathieke man, de oude magistraat die het dorp aan de grens van het rijk al jaren bestuurt. Nobelprijswinnaar Coetzee voert hem op in zijn fameuze bestuursroman 'Wachten op de barbaren'. Hij schreef het 25 jaar geleden maar het leest nog steeds als een actueel vraagstuk over stijlen en dilemma's van bestuur. Iedereen die complexe organisaties kent of leert kennen, hoort over de weerbarstigheid van de uitvoering van beleid. Plannen, ooit ontworpen aan tekentafels van hoofdkantoren zijn na alle stadia van ambtelijke en politieke onderhandelingen te hebben doorlopen, vervormd geraakt door talloze compromissen. Ze beantwoorden lang niet meer aan de oorspronkelijke opgaven, zijn zelden in de praktijk beproefd.
Uitvoerders van beleid, gedreven door de wil gestelde doelen te behalen, marchanderen daarom in de uitvoering van beleid. Ze nemen met de beste intenties eigen ruimte, spelregels en mores in acht ten dienste van de hogere doelstelling. Of bent u de Kennemer-opsporingsmethode, de Zaanlandse verhoormethode of de fiscale deals met Vinkenslag al vergeten? Ontspoorde uitvoerders waarvoor het doel (te) veel middelen heiligde. Na het ontdekken ervan door hoofdkantoren volgt de klassieke beleidsreactie; onderzoek, bestraffing van de 'schuldigen', nieuwe interne regels en verder gaan.
De magistraat van Coetzee is geen rolmodel van persoonlijke integriteit, maar vervult zijn werk als bestuurder met veel waardigheid, wijsheid en oprechte compassie voor de inwoners van zijn stad en de 'barbaren', bewoners van buiten de grenzen van het rijk met wie handel wordt gedreven en wiens cultuur hij bestudeert. Het kwaad gaat daarom niet uit van deze soms op eigen genot gerichte magistraat, maar van het hoofdstedelijke 'Derde Bureau', dat er een kolonel met expeditieleger op uitstuurt om orde op zaken te stellen in het buitengebied. De bureaucratie, die vast zit in vijanddenken, gaat daarin voorbij aan de vreedzame coƫxistentie die de magistraat na jaren van samenleven heeft bewerkstelligd met de 'barbaren'.
Doof voor de tegenwerpingen van de magistraat gaat deze kolonel de woestijn in, op jacht naar de barbaren. De lezer voelt al snel de onherroepelijke nederlaag van het systeem aankomen, gepersonaliseerd door deze kolonel. De hoofdstedelijke opvattingen zijn niet bestand tegen de weerbarstigheid van het barre buitengebied; ze lopen stuk in de bestuurlijke werkelijkheid.
Coetzee lijkt de lezer te vragen welk kwaad we verkiezen. De onvolmaaktheid van de decentrale uitvoerders, die niet altijd voldoen aan de theorie en regels verzonnen in de hoofdstedelijke bureaus en afdelingen van het rijk - maar wel de boel 'bij elkaar houden'. Of het grote theoretische gelijk, waar op papier geen speld tussen te krijgen is, maar in de praktijk mensen tot nummers maakt, ongelijken gelijk behandelt en gelijken ongelijk en zo op micro-niveau rampen en dagelijkse rampjes aanricht.
Coetzees inzicht is dat de 'barbaren' waarvoor wij ons moeten 'wachten' niet de bestuurde 'wilden' zijn of zelfs de uitvoerende magistraat met al zijn gebreken. De barbaren zijn de systeemdenkers, die zetelen in het centrum van de macht.

Geen opmerkingen: