Column Binnenlands Bestuur dd 31 maart 2006
Het programma Klare Wijn van de Partij voor de Vrijheid (PVV) geeft een eerste kijkje in de keuken van Geert Wilders en de zijnen. Als het gaat om concrete financiële ideeën valt het nog niet mee.
De definitieve komst van een conservatieve stroming in de Nederlandse politiek is echter van harte toe te juichen. Samen met de SP ter linkerzijde verbreedt de PVV op rechts het palet van politieke stromingen. Wilders’ PVV openbaart in het programma Klare Wijn nu voor het eerste haar opvattingen. Een van de drie grote thema’s is voor de PVV lagere belastingen. Ze werkt dit uit onder de kop : ‘Een andere en kleinere, dus betere overheid’. Daaronder valt voor Wilders directe democratie, afschaffing van de Europese Commissie, Europees Parlement en EG-programma’s. Als kernopgave ziet Wilders de beperking van de te grote overheid(sbemoeienis) omdat die leidt tot een te hoge belastingdruk en regeldichtheid. Zijn doel is te komen tot minder regels en lagere belastingen. Duidelijke taal maar wie wil dat niet?
Wilders agenda stelt daarom in twee opzichten teleur. Ten eerste is ze intellectueel gezien wel erg smal en ontbreken alternatieven. Ten tweede maakt Wilders zijn oplossingen nauwelijks concreet.
Een robuuste conservatieve politieke agenda zou, voorzover die de rol van de staat betreft, behalve het streven naar een kleinere overheid ook een visie mogen bevatten hoe tal van maatschappelijke arrangementen dan wel vorm moeten krijgen. Drie denkbare oplossingen kunnen we dan verwachten, individualisering, marktwerking of caritas.
Individualisering betekent dat burgers meer zelfvoorzienend worden, onafhankelijker van staatsvoorzieningen. Probleem voor Wilders is veel Nederlanders genoeg hebben van de al eerder in gang gezette individualisering van de samenleving.
Een tweede alternatief voor te brede overheidsbemoeienis is een sterkere rol voor de markt. Ook dat lijkt Nederland een beetje moe, er is een brede scepsis over de verdere vermarkting van publieke voorzieningen.
Een derde alternatief voor de staatsrol is een actiever rol voor het maatschappelijk middenveld; kerk en caritas in plaats van gemeente en rijk. Ook dat ontmoet in Nederland weinig bijval, in tegenstelling tot Amerika waar de beweging van ‘compassionate conservatism’ onder Bush juist succesvol is en overheidsprogramma’s door kerken worden overgenomen. Waar dit in Nederland gebeurt, zoals bij de opvang van uitgeprocedeerde asielzoekers, wordt dat juist ter rechterzijde verfoeid.
Wilders noemt nog geen alternatief voor staatsbemoeienis omdat aan ieder alternatief, individualisering, marktwerking en caritas weer bezwaren lijken te kleven.
Ten tweede, ook in de uitwerking van zijn ideeën rond een kleinere staatsrol en lagere belastingen blijft Wilders vaag. Zo algemeen geformuleerd zal vrijwel heel Den Haag streven naar deregulering en lagere belastingen. Aan Wilders de opgave een echt perspectief te schetsen. Brengen we uitgavenomvang van de publieke sector echt terug van de huidige 48% van het nationaal inkomen? Bezuinigen we drie kabinetten lang 1% per jaar zodat we in 2020 aan een Amerikaanse overheidsomvang komen? En hoe, wat gaan we dan minder doen? Het enige concrete idee van Wilders is een belastingverlaging, te financieren door de helft van de beleidsambtenaren te schrappen. Dat levert zo’n vijfduizend keer €50.000 euro op, ca. €250 miljoen per jaar. Dat is echt een maatregel achter de komma. Meer vlijt, denkkracht en concreetheid is daarom nog hard nodig !
Een overzicht van publicaties als onderzoeker aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Wil je reageren ? bestebreur@fsw.eur.nl of #bestebreur op Twitter
maandag, maart 27, 2006
dinsdag, maart 14, 2006
Dertien-komma-acht-procent
Column Binnenlands Bestuur dd 17 maart 2006
Smalle marges, grote gevolgen, Jozias van Aartsen kan het nazeggen door zijn politieke lot te verbinden aan het al dan niet behalen van de 14%-grens voor de VVD. Hoewel onderzoek leert dat Nederlanders het idee van de prestatiemaatschappij afwijzen, worden steeds meer doelen gesteld in meetbare, afrekenbare grootheden. Met alle gevolgen van dien. De (niet gehaalde) punctualiteiteis aan de NS bezegelde eertijds het lot van de topman. De naar eigen zeggen bijna volledig behaalde meetbare doelen van het Rotterdamse college van Opstelten en Leefbaren heeft hen niet behoed voor een verkiezingsnederlaag.
Ook financiele besluitvorming hangt aan elkaar van nauwkeurig geformuleerde streefwaarden en geldbedragen. Het begrotingstekort mag niet hoger zijn dan drie procent, koopkrachtplaatjes worden uitgediscussieerd tot cijfers achter de komma. Begrotingsposten worden tot op de euro precies geraamd, in de financiele verantwoording moet tot op de cent worden verantwoord hoe de bestedingen zijn verlopen.
Toch komen financiële ramingen zelden uit, zonder dat wethouders of ministers om de haverklap (hierom) opstappen.
Zelfs de knapste rekenmeesters van het Centraal Plan Bureau slagen er zelden in de werkelijke economische groei te ramen, de afwijkingsmarges zijn tot een vol procent. En dat is heel veel geld, het kan kabinetten maken of breken. Hun troost is dat anderen het zelden beter doen.
Ook voorspellingen van beleggingsexperts voor bijvoorbeeld de AEX-slotstand aan het einde van een nieuw jaar lopen doorgaans sterk uiteen. Gelukkig wordt er daarom in financiële en budgettaire kringen met een zekere mildheid gekeken naar de exactheid van ramingen. Wanneer men daarin geen afwijkingsmarges tolereert, zou er een ongekend grote hoeveelheid controles nodig zijn, om daadwerkelijk te borgen dat gevoteerde bedragen exact besteed worden. Daarom hoeven in financieel verantwoordingen ook niet álle verschillen tussen raming en realisatie te worden toegelicht, maar alleen substantiële of opmerkelijke verschillen. Dan spreken we soms over absolute bedragen (bij de tennisvereniging is 1000 euro de grens, bij de gemeente een ton, bij een departement een of tien miljoen), soms over verschilverklaring van percentages groter dan 5 of 10%.
De wijsheid van het meten en verantwoorden in financiële kringen is dat afwijkingen nu eenmaal onontkoombaar zijn en een relatieve benadering nodig is van verschillen, geen absolute. Beheerders van beleggingsfondsen kijken daarom niet alleen naar hun eigen presteren maar relateren dit sterk aan concurrenten, de relatieve prestatie telt meer dan de absolute. Een fonds dat 10% waarde verliest kan een relatieve uitblinker zijn, als de benchmark waartegen men zich afzet slechter presteert.
Die subtiliteit ontbrak in de benadering van Van Aartsen. Hij fixeerde zich op een absolute score, terwijl een analyse van de uitslagen laat zien dat het CDA en D66, waarmee men in hetzelfde schuitje zit, veel meer zetels verloren, zonder dat men personele gevolgen aan de uitslag heeft verbonden. Prestatiesturing, prestatiemeting, afrekenen op prestaties, het is een subtieler proces dan de VVD met Van Aartsen vorige week liet zien. Of zou dat percentage niet het hele verhaal zijn?
Smalle marges, grote gevolgen, Jozias van Aartsen kan het nazeggen door zijn politieke lot te verbinden aan het al dan niet behalen van de 14%-grens voor de VVD. Hoewel onderzoek leert dat Nederlanders het idee van de prestatiemaatschappij afwijzen, worden steeds meer doelen gesteld in meetbare, afrekenbare grootheden. Met alle gevolgen van dien. De (niet gehaalde) punctualiteiteis aan de NS bezegelde eertijds het lot van de topman. De naar eigen zeggen bijna volledig behaalde meetbare doelen van het Rotterdamse college van Opstelten en Leefbaren heeft hen niet behoed voor een verkiezingsnederlaag.
Ook financiele besluitvorming hangt aan elkaar van nauwkeurig geformuleerde streefwaarden en geldbedragen. Het begrotingstekort mag niet hoger zijn dan drie procent, koopkrachtplaatjes worden uitgediscussieerd tot cijfers achter de komma. Begrotingsposten worden tot op de euro precies geraamd, in de financiele verantwoording moet tot op de cent worden verantwoord hoe de bestedingen zijn verlopen.
Toch komen financiële ramingen zelden uit, zonder dat wethouders of ministers om de haverklap (hierom) opstappen.
Zelfs de knapste rekenmeesters van het Centraal Plan Bureau slagen er zelden in de werkelijke economische groei te ramen, de afwijkingsmarges zijn tot een vol procent. En dat is heel veel geld, het kan kabinetten maken of breken. Hun troost is dat anderen het zelden beter doen.
Ook voorspellingen van beleggingsexperts voor bijvoorbeeld de AEX-slotstand aan het einde van een nieuw jaar lopen doorgaans sterk uiteen. Gelukkig wordt er daarom in financiële en budgettaire kringen met een zekere mildheid gekeken naar de exactheid van ramingen. Wanneer men daarin geen afwijkingsmarges tolereert, zou er een ongekend grote hoeveelheid controles nodig zijn, om daadwerkelijk te borgen dat gevoteerde bedragen exact besteed worden. Daarom hoeven in financieel verantwoordingen ook niet álle verschillen tussen raming en realisatie te worden toegelicht, maar alleen substantiële of opmerkelijke verschillen. Dan spreken we soms over absolute bedragen (bij de tennisvereniging is 1000 euro de grens, bij de gemeente een ton, bij een departement een of tien miljoen), soms over verschilverklaring van percentages groter dan 5 of 10%.
De wijsheid van het meten en verantwoorden in financiële kringen is dat afwijkingen nu eenmaal onontkoombaar zijn en een relatieve benadering nodig is van verschillen, geen absolute. Beheerders van beleggingsfondsen kijken daarom niet alleen naar hun eigen presteren maar relateren dit sterk aan concurrenten, de relatieve prestatie telt meer dan de absolute. Een fonds dat 10% waarde verliest kan een relatieve uitblinker zijn, als de benchmark waartegen men zich afzet slechter presteert.
Die subtiliteit ontbrak in de benadering van Van Aartsen. Hij fixeerde zich op een absolute score, terwijl een analyse van de uitslagen laat zien dat het CDA en D66, waarmee men in hetzelfde schuitje zit, veel meer zetels verloren, zonder dat men personele gevolgen aan de uitslag heeft verbonden. Prestatiesturing, prestatiemeting, afrekenen op prestaties, het is een subtieler proces dan de VVD met Van Aartsen vorige week liet zien. Of zou dat percentage niet het hele verhaal zijn?
dinsdag, maart 07, 2006
Zalm en Alva
Column Binnenlands Bestuur dd 27 februari 2006
De namen van Zalm en Alva zijn beide verbonden aan het fenomeen belastingoproer. De verhouding tussen rijk en decentrale overheden stond in beide geschiedenissen centraal.
Midden negentiende eeuw heeft er een waterscheiding plaatsgevonden in de financiële verhoudingen tussen rijk en decentrale overheden. Tot die tijd bestonden er geen financiële bijdragen van het rijk aan de gemeenten, integendeel. Tot 1865, het eerste jaar van de algemene uitkering aan gemeenten, waren de gemeenten veeleer financiële bijdragen schuldig aan het rijk, dan andersom.
Deze belangrijke rol van decentrale overheden en de strijd tussen centrum en periferie, zo kenmerkend voor de Nederlanden in de late middeleeuwen, kende zijn historische hoogtepunt in de strijd van provincies tegen de de Hertog van Alva, zo rond 1569. De landsregering moest zich naar de opvatting van Alva zo onafhankelijk mogelijk maken van de provincies. Daartoe wilde Alva af van de goedkeuringsvereiste van provincies bij op te leggen belastingen en zo zelf de belastinghoogte te kunnen bepalen. Geen uitzonderingen of privileges waren meer gewenst, maar vooral geen langzame, moeizame onderhandelprocessen.
Voorzien was een drievoudig stelsel van honderdsten, twintigsten en tienden. De honderdste penning was een (eenmalige) heffing op vermogen van één procent. De twintigste penning was een heffing bij de verkoop van onroerend goed van vijf procent. De fameus geworden tiende penning zou worden geheven op de verkoop van roerende goederen, een soort 10% BTW-tarief. Geen gekke maatstaf naar hedendaagse tarieven!
Het vervolg is bekend. Alva kreeg nooit echt zijn zin en naarmate de jarenlange onderhandelingen voortduurden, groeide het verzet binnen de Nederlanden tegen Alva’s belastingpolitiek. De opkomende belastingoproer verbreidde en verbreedde zich en een steeds bredere opstand was het gevolg. Belastingen kunnen de gemoederen goed verhitten, kortom.
Is er veel veranderd? Nee, leert de door Zalm bepleitte belastingoproer. De financiële verhoudingen en de belastingen zijn nog steeds onderwerp van strijd. De echte principiële strijd van Zalm met de gemeenten vond eigenlijk al enige jaren geleden plaats. Omdat in Europese begrotingsafspraken is vastgelegd dat voor de bepaling van het EMU-saldo van een land de financiën van alle bestuurslagen meetellen, was toen een principiële vraag aan de orde: mag de besteding van middelen door gemeenten zonodig aan banden worden gelegd wanneer Nederland door het fameuze 3%-norm dreigt te gaan? Zover is het niet gekomen, al is wel afgesproken dat men elkaar tijdig informeerde als vroegtijdige waarschuwing voor overschrijdingen. Dat systeem bleek te falen toen enkele jaren geleden Nederland door de 3% heenbrak, mede als gevolg van onvoorzien hogere –en heel laat gerapporteerde- uitgaven bij gemeenten. Op dat moment had Zalm een legitieme reden gehad om principieel te betogen dat er behoefte was aan mogelijkheden in te grijpen bij ontsporende gemeentefinanciën. Dat is niet gebeurd.
De oproep van Zalm tot een belastingstaking voor te hoge OZB is daarom onevenredig. De OZB is geen zaak van landelijk financieel belang maar een zuiver lokaal politiek issue. Ook bevreemdend daarom dat Zalm wel is gekapitteld over de feitelijk onjuiste basis van zijn betoog maar in veel mindere mate om de strekking ervan. Belastingoproeren dienen niet van rijkswege te worden verordonneerd, ze behoren het volk toe.
De namen van Zalm en Alva zijn beide verbonden aan het fenomeen belastingoproer. De verhouding tussen rijk en decentrale overheden stond in beide geschiedenissen centraal.
Midden negentiende eeuw heeft er een waterscheiding plaatsgevonden in de financiële verhoudingen tussen rijk en decentrale overheden. Tot die tijd bestonden er geen financiële bijdragen van het rijk aan de gemeenten, integendeel. Tot 1865, het eerste jaar van de algemene uitkering aan gemeenten, waren de gemeenten veeleer financiële bijdragen schuldig aan het rijk, dan andersom.
Deze belangrijke rol van decentrale overheden en de strijd tussen centrum en periferie, zo kenmerkend voor de Nederlanden in de late middeleeuwen, kende zijn historische hoogtepunt in de strijd van provincies tegen de de Hertog van Alva, zo rond 1569. De landsregering moest zich naar de opvatting van Alva zo onafhankelijk mogelijk maken van de provincies. Daartoe wilde Alva af van de goedkeuringsvereiste van provincies bij op te leggen belastingen en zo zelf de belastinghoogte te kunnen bepalen. Geen uitzonderingen of privileges waren meer gewenst, maar vooral geen langzame, moeizame onderhandelprocessen.
Voorzien was een drievoudig stelsel van honderdsten, twintigsten en tienden. De honderdste penning was een (eenmalige) heffing op vermogen van één procent. De twintigste penning was een heffing bij de verkoop van onroerend goed van vijf procent. De fameus geworden tiende penning zou worden geheven op de verkoop van roerende goederen, een soort 10% BTW-tarief. Geen gekke maatstaf naar hedendaagse tarieven!
Het vervolg is bekend. Alva kreeg nooit echt zijn zin en naarmate de jarenlange onderhandelingen voortduurden, groeide het verzet binnen de Nederlanden tegen Alva’s belastingpolitiek. De opkomende belastingoproer verbreidde en verbreedde zich en een steeds bredere opstand was het gevolg. Belastingen kunnen de gemoederen goed verhitten, kortom.
Is er veel veranderd? Nee, leert de door Zalm bepleitte belastingoproer. De financiële verhoudingen en de belastingen zijn nog steeds onderwerp van strijd. De echte principiële strijd van Zalm met de gemeenten vond eigenlijk al enige jaren geleden plaats. Omdat in Europese begrotingsafspraken is vastgelegd dat voor de bepaling van het EMU-saldo van een land de financiën van alle bestuurslagen meetellen, was toen een principiële vraag aan de orde: mag de besteding van middelen door gemeenten zonodig aan banden worden gelegd wanneer Nederland door het fameuze 3%-norm dreigt te gaan? Zover is het niet gekomen, al is wel afgesproken dat men elkaar tijdig informeerde als vroegtijdige waarschuwing voor overschrijdingen. Dat systeem bleek te falen toen enkele jaren geleden Nederland door de 3% heenbrak, mede als gevolg van onvoorzien hogere –en heel laat gerapporteerde- uitgaven bij gemeenten. Op dat moment had Zalm een legitieme reden gehad om principieel te betogen dat er behoefte was aan mogelijkheden in te grijpen bij ontsporende gemeentefinanciën. Dat is niet gebeurd.
De oproep van Zalm tot een belastingstaking voor te hoge OZB is daarom onevenredig. De OZB is geen zaak van landelijk financieel belang maar een zuiver lokaal politiek issue. Ook bevreemdend daarom dat Zalm wel is gekapitteld over de feitelijk onjuiste basis van zijn betoog maar in veel mindere mate om de strekking ervan. Belastingoproeren dienen niet van rijkswege te worden verordonneerd, ze behoren het volk toe.
Abonneren op:
Posts (Atom)