dinsdag, maart 14, 2006

Dertien-komma-acht-procent

Column Binnenlands Bestuur dd 17 maart 2006

Smalle marges, grote gevolgen, Jozias van Aartsen kan het nazeggen door zijn politieke lot te verbinden aan het al dan niet behalen van de 14%-grens voor de VVD. Hoewel onderzoek leert dat Nederlanders het idee van de prestatiemaatschappij afwijzen, worden steeds meer doelen gesteld in meetbare, afrekenbare grootheden. Met alle gevolgen van dien. De (niet gehaalde) punctualiteiteis aan de NS bezegelde eertijds het lot van de topman. De naar eigen zeggen bijna volledig behaalde meetbare doelen van het Rotterdamse college van Opstelten en Leefbaren heeft hen niet behoed voor een verkiezingsnederlaag.
Ook financiele besluitvorming hangt aan elkaar van nauwkeurig geformuleerde streefwaarden en geldbedragen. Het begrotingstekort mag niet hoger zijn dan drie procent, koopkrachtplaatjes worden uitgediscussieerd tot cijfers achter de komma. Begrotingsposten worden tot op de euro precies geraamd, in de financiele verantwoording moet tot op de cent worden verantwoord hoe de bestedingen zijn verlopen.
Toch komen financiële ramingen zelden uit, zonder dat wethouders of ministers om de haverklap (hierom) opstappen.
Zelfs de knapste rekenmeesters van het Centraal Plan Bureau slagen er zelden in de werkelijke economische groei te ramen, de afwijkingsmarges zijn tot een vol procent. En dat is heel veel geld, het kan kabinetten maken of breken. Hun troost is dat anderen het zelden beter doen.
Ook voorspellingen van beleggingsexperts voor bijvoorbeeld de AEX-slotstand aan het einde van een nieuw jaar lopen doorgaans sterk uiteen. Gelukkig wordt er daarom in financiële en budgettaire kringen met een zekere mildheid gekeken naar de exactheid van ramingen. Wanneer men daarin geen afwijkingsmarges tolereert, zou er een ongekend grote hoeveelheid controles nodig zijn, om daadwerkelijk te borgen dat gevoteerde bedragen exact besteed worden. Daarom hoeven in financieel verantwoordingen ook niet álle verschillen tussen raming en realisatie te worden toegelicht, maar alleen substantiële of opmerkelijke verschillen. Dan spreken we soms over absolute bedragen (bij de tennisvereniging is 1000 euro de grens, bij de gemeente een ton, bij een departement een of tien miljoen), soms over verschilverklaring van percentages groter dan 5 of 10%.
De wijsheid van het meten en verantwoorden in financiële kringen is dat afwijkingen nu eenmaal onontkoombaar zijn en een relatieve benadering nodig is van verschillen, geen absolute. Beheerders van beleggingsfondsen kijken daarom niet alleen naar hun eigen presteren maar relateren dit sterk aan concurrenten, de relatieve prestatie telt meer dan de absolute. Een fonds dat 10% waarde verliest kan een relatieve uitblinker zijn, als de benchmark waartegen men zich afzet slechter presteert.
Die subtiliteit ontbrak in de benadering van Van Aartsen. Hij fixeerde zich op een absolute score, terwijl een analyse van de uitslagen laat zien dat het CDA en D66, waarmee men in hetzelfde schuitje zit, veel meer zetels verloren, zonder dat men personele gevolgen aan de uitslag heeft verbonden. Prestatiesturing, prestatiemeting, afrekenen op prestaties, het is een subtieler proces dan de VVD met Van Aartsen vorige week liet zien. Of zou dat percentage niet het hele verhaal zijn?

Geen opmerkingen: