dinsdag, oktober 24, 2006

WWW.GRATIS.NL

Column Binnelands Bestuur dd 27 oktober 2006

Het is verkiezingstijd. Er wordt veel beloofd. Wat het bedrijfsleven ons al veel eerder voorhield, wordt nu ook gemeengoed in de publieke sector. Nederland wordt gratis. Kijk maar. De weggeefmaatschappij in wording.

Metro.
Spits.
Boekhoorns koerier (incl. Wiegel).
Intermediair.
PM Den Haag.
Binnenlands Bestuur.
Reisgidsen.
Proefabonnementen.
Schoolboeken.

Rijksmusea (soms).
Kerkbezoek (wel collecte).
Overnachten in Oost-Duitse hotels (buiten het hoogseizoen).

Publieke zenders.
Talpa-voetbal.
You Tube-filmpjes.
Downloaden.
Skypen.
Mobiele telefoons (bij jaar abonnement).
Ringtones.

Trouwen (op dinsdagochtend).
De blije doos.
Consultatiebureau-bezoek.
Kinderopvang (drie dagen per week).
Bibliotheek (onder de 16).

Stemwijzer.nl.
Stemmen.
Bos (gratis bij een stem op Rouvoet, volgen Verhagen).
Balkenende (gratis bij een stem op Bos, volgen Marijnissen).

Liften.
Sommige vliegreizen (ex. luchthavenbelasting).
Openbaar vervoer (ouderen).

Parfumtesters.
XTC-test.
Methadon (mits verslaafd).
Heroïne (proef)
Gevangenisverblijf (nog wel).

Niet alles wat goed is, is gratis. En niet alles wat gratis is, is goed.

dinsdag, oktober 10, 2006

Geef burgers keuzen

Column Binnelands Bestuur dd 13 oktober 2006

Bestrijden van roken, alcoholgebruik, vetzucht, diabetes en depressies zijn de vijf speerpunten van VWS in haar beleidsplan : Kiezen voor een gezond leven. Het is roerend om te zien hoe de staat zich inzet voor het fysieke welzijn van haar onderdanen. Sommige burgers gaat dat nog niet vergenoeg. Ze drinken geen kraanwater maar flessenwater. Hun kinderen dragen vrijwillig fietshelmen en vader jogt een uurtje na zijn werk (hoewel de man het helemaal niet leuk vindt). Andere groepen burgers negeren alle welgemeende overheidsvoorlichting. Hoe daar op in te spelen ?
De staatsbemoeienis met ons leven begint vroeg. Seksuele voorlichting, voorlichting rond de zwangerschap, consultatiebureau en inentingen voor de jongsten. De nieuwe peutertoets van Rutte en leerplicht voor scholieren, maar ook tot het 16e jaar het verbod brommer te rijden en alcohol en sigaretten kopen of te werken. Daarentegen later zonodig wel methadon of zelfs heroïne. Autogordels, stoelverhogers, de staat heeft het beste met ons voor. Burgers zelf lang niet altijd zo risico-avers. Ze rijden ook massaal in auto’s zonder vijf veiligheidssterren, bellen onderweg, , vergeten gordels, roken en drinken, slikken, spuiten en snuiven. Blijkbaar accepteren velen dat niet altijd alles wat je doet helemaal goed voor je is. Niet altijd het beste willen is blijkbaar ook een optie.
Wanneer het echter op publiek dienstverlening aankomt, lijkt het echter, of alleen het beste goed genoeg is. En dat kan best anders. Als de burger zelf een afweging maakt tussen goed en minder goed, duurdere en goedkopere oplossingen, kan in de publieke dienstverlening ook veel meer dan nu gedifferentieerd worden in prijs en kwaliteit. Het is gewenst niet altijd alles altijd van topkwaliteit te leveren – tegen dito kosten.
Laat de burger daarom veel vaker dan nu een eigen afweging maken tegen welke prijs en kwaliteit hij publieke diensten wenst. En dat kan verrassende uitkomsten opleveren. Differentiatie kortom in de kwaliteit van de publieke dienstverlening, aansluitend bij de voorkeuren en betalingsbereidheid bij burgers, lijkt veel vaker dan nu mogelijk. Voorbeelden? Ze bestaan deels maar er kan veel meer. Langzame en snelle -maar duurdere- postbezorging. Gratis trouwen op maandagochtend, toptarief op vrijdag en zaterdag. Goedkoper leidingwater maar zelf consumptiewater optimaliseren via een filter. Vaker huisvuil inzamelen maar alleen voor wie een hogere vergoeding betaalt. We kennen al een sterke tariefdifferentiatie in de trein, de rest van het OV kan volgen.Zo wordt eindelijk ook extra maar dan wel duurdere service mogelijk. Recente boeken lenen in de bibliotheek maar tegen een (hogere) leenvergoeding. Een paspoort of rijbewijs aanvragen kost vijf dagen, kan dat niet op plaatsen als Schiphol en utrecht CS in een uur, zo nodig tegen dubbel tarief? Versnelde afhandeling van een bouwvergunning is een aanvrager vaak veel waard, maak het daarom mogelijk tegen een passend tarief. Vice versa, wanneer publieke dienstverleners niet de beloofde afhandelingtermijn nakomen, is een korting of vergoeding aan de aanvrager redelijk. De overheid hoeft niet altijd het beste te leveren, meer keus bieden aan burgers is vaker dan nu wenselijk.

maandag, oktober 02, 2006

Zagen of zaaien ? (essay)

Essay Binnelands Bestuur dd 6 oktober 2006
(met Peter van der Parre)

Tussen alle schermutselingen en aangezette tegenstellingen, tonen de politieke partijen in de aanloop naar de verkiezingen op één punt een opvallende eensgezindheid: er zijn te veel ambtenaren en er is te veel bureaucratie. Terwijl het mes boven het ambtenarenapparaat zweeft, zakt de basis scheef. De uittocht van oudere ambtenaren is veel massaler dan de jonge troepen die aan de poort rammelen. Niet zo zeer de vraag ‘Hoe komen we van ambtenaren af’, moet beantwoord worden, maar de vraag: ‘Hoe komen we er aan?’



Het Nederlandse overheidsapparaat is een van de beste ter wereld, oordelen het Internationaal Monetair Fonds en de OESO. Kwantitatief loopt Nederland evenmin uit de pas. In internationaal perspectief gezien is de publieke sector in Nederland niet buitensporig groot. Er zijn verscheidene Europese landen met hogere overheidsuitgaven of een groter deel van de beroepsbevolking werkzaam in de publieke sector. Bovendien, het beslag van de publieke sector op de nationale economie daalt. Zo is de omvang van de overheidsuitgaven als percentage van de totale economie in de laatste 25 jaar teruggebracht van zo’n 65% van het nationaal inkomen tot 45% nu.
Ondanks deze goede internationale recensies, heerst er binnen de grenzen ontevredenheid. Burgers willen een overheid die handelt waar nodig. Voorbeelden zijn naast de brandveiligheid op Schiphol, de jeugdzorg, de wachtlijsten en kwaliteit in de zorg, voortijdige schoolverlating. Bedrijven vragen om minder administratieve lasten, minder regels en minder bureaucratie. In de politiek vinden de politieke partijen elkaar in kritiek op het overheidsapparaat dat slecht politiek aanstuurbaar zou zijn, te weinig extern georiënteerd, te groot, te bureaucratisch, te verkokerd, en te weinig gericht op resultaat.
In hun verkiezingsprogramma’s gaan de politieke partijen een flinke lijst kwaden te lijf. Een korte opsomming waar het aan zou schorten:

· Er zijn te veel ambtenaren. Partijen pleiten voor vermindering van het aantal beleidsambtenaren, als contramal tegen het belang van uitvoerders die ontzien zouden moeten worden, ‘omdat daar het echte werk geschiedt’. Men doelt dan op de circa tienduizend Haagse beleidsambtenaren die zich in de vierkante kilometer rond het Binnenhof ophouden. Zij zijn de aanstichters van veel regelkwaad, aldus de Raad voor Economische aangelegenheden.
· Er is te veel toezicht. Soms wordt, in het verlengde van de idee van een teveel aan toezicht de reductie van Haagse inspecties bepleit, met als redenenring: minder inspecteurs, minder kosten en minder administratieve (over)last. Vaak wordt dan ook de gebrekkige samenwerking tussen rijks- en decentrale inspecties aangevoerd, die elkaar overlappen of juist tegenwerken zoals bij het gifschip Proba Koala.
· De overhead is te groot. De overhead binnen ambtelijke diensten zou op sommige departementen oplopen tot vijftig procent, wat wil zeggen dat er evenveel inhoudelijke medewerkers zijn als ondersteuners, zoals de koffiejuffrouw, chef, personeelsmedewerker, documentalist, secretaresse, of receptioniste. De definities en daarmee de schattingen van de omvang van deze ‘overhead’ lopen evenwel sterk uiteen. Simpelweg wordt geconcludeerd dat het wel met minder kan. De omvang is een probleem, maar het blijft efficiënter en goedkoper als administratief personeel en niet de duurbetaalde beleidsambtenaar kopietjes maakt en archieven bij houdt.
· Logge zbo’s. Een ander mikpunt vormen zelfstandige bestuursorganen (zbo’s), die te log of omvangrijk zouden zijn, in het bijzonder wordt in verkiezingsprogramma’s de UWV genoemd. De zelfstandigheid van dergelijke bestuursorganen is veel politici sowieso een doorn in het oog. Hoewel ze vrijwel geruisloos de uitvoering van wezenlijke publieke taken ter hand nemen, zijn ze mikpunt van aantijgingen omtrent loonontwikkeling van de directieleden, gebrek aan transparantie, onnodig oppotten van vermogens en meer. Of zbo’s eenvoudig kunnen worden aangepakt is echter de vraag, vaak ontbreekt daartoe de wettelijke basis. Bovendien staan departementen niet te popelen om alle honderden zbo’s weer onder hun directe supervisie te krijgen.
· Dure externen. De te veelvuldig ingehuurde externe consultants zijn ook reden om voor bezuinigingen te pleiten op de rijksdienst. Dit is een vierjaarlijks herhaalde oproep die weliswaar budgettaire effect sorteert, departementen worden taakstellend gekort, maar slechts tijdelijke effecten sorteert. Raamcontracten, eigen interim-pools zoals de groeiende ABD-Interim-pool van toppers op interimbasis en andere pogingen tot goedkoper werken door de departementen ten spijt, consultancy en interim-management blijft een bloeiende branche.
· Te veel beleidsonderzoek. Specifiek noemen diverse partijen dit keer ook de mogelijke beperking van het grote aantal (vaak uitbesteedde) beleidsonderzoeken. Het zal hierbij vooral de politiek zelf moeten zijn die zich beperkt; een aanzienlijk deel van de (juist extern!) uitgevoerde onderzoeken is op instigatie van de politiek. Ook het parlement liet en laat zich bij onderzoeken als de Tijdelijke Commissie Infrastructuur royaal bijstaan door wetenschappers en consultants, ook voor hen een vaak onmisbare groep.

Kritiek op de bureaucratie is geen eendagsvlieg. Bestuurskundige Arthur Ringeling constateerde in zijn werk al de wisselende waardering voor de publieke zaak. Na het positieve elan in de jaren zestig volgde de periode van verguizing ten tijde van Reagan en Thatcher. Onnodige ‘bureaucrat bashing’ volgens de gezaghebbende Amerikaan Charles Goodsell die als repliek het boek ‘A case for bureaucracy’ schreef, wijzend op de rechtszekerheid en -gelijkheid die een moderne bureaucratie burgers biedt. In Nederland heeft vooral Pim Fortuyn impulsen gegeven aan een kritischer bejegening van de bureaucratie. Fortuyn zag ‘een land zonder ambtenaren’ voor zich. Medewerkers van departementen zouden slechts via tijdelijke contractrelaties werkzaamheden verrichten, geen banen meer voor het leven. Een deel van zijn agenda lijkt nu vier jaar later gedeeltelijk gemeengoed te zijn geworden.
Oh, ironie. Terwijl de politieke partijen hun messen slijpen om te gaan snijden, lijkt het visioen van Fortuyn door demografische en economische ontwikkelingen akelig dichtbij te komen. De vijver waarin het rijk vist raakt leger.
Op de arbeidsmarkt worden de komende jaren stijgende tekorten verwacht van academici (7%), HBO’ers (5%) en in iets mindere mate MBO’ers (5%). De concurrentie om vooral de hoger opgeleiden zal de komende jaren sterker worden. De negatieve politieke bejegening en aanhoudende publiciteit over taakstellingen maakt samen met de beperkte ruimte voor loonontwikkeling bij het rijk dat de concurrentiepositie van het rijk wordt uitgehold. Niet voor niets hebben VNO/NVW en MKB-Nederland al gesuggereerd dat rijksambtenaren goed bruikbaar zijn in de marktsector die zit te springen om goed geschoold personeel.

De afgelopen jaren heeft het rijk een forse afslanking gerealiseerd. In de jaren 2002 - 2005 is het rijk met tienduizend fte gekrompen. In dezelfde periode hebben 35.000 medewerkers het rijk verlaten. Om de continuïteit van het werk te borgen hebben de ministeries daarom - parallel met de bezuinigingen – al een groot beroep op de arbeidsmarkt moeten doen. Deze trend zal zich de komende jaren doorzetten. Het is reëel te verwachten dat ook de komende jaren 8.000 à 10.000 medewerkers het rijk jaarlijks zullen verlaten richting pensioen, medeoverheden of marktsector. En dit aantal zal nog verder stijgen doordat de economie aantrekt en daardoor het aantal vacatures bij het bedrijfsleven en in de non-profit sector stevig toeneemt. Zelfs als een stevige taakstelling door personeelsafslanking moet worden gerealiseerd, zal het rijk dus een heel fors beroep moeten blijven doen op de arbeidsmarkt.

De concurrentie op de arbeidsmarkt heeft ook een kwalitatieve kant. De eisen die vanuit de samenleving en de politiek aan de rijksdienst worden gesteld leiden tot steeds zwaardere kwaliteitseisen aan medewerkers. Al jaren is sprake van een geleidelijke stijging van de opleidingseisen. Daarnaast wordt bij steeds meer functies verlangd dat medewerkers niet alleen hun vak goed beheersen maar ook beter presteren op gedragscompetenties (initiatief, durf, flexibiliteit, samenwerken, resultaat- en omgevingsgerichtheid). Lang niet iedere sollicitant zal geschikt zijn, veel instromers zullen eerst fors (bij)geschoold moeten worden om te slagen.
De ministeries worden de komende jaren gelijktijdig met deze ontwikkelingen geconfronteerd. Het ene organisatieonderdeel zal worden belast met een dusdanige taakstelling dat de natuurlijke uitstroom onvoldoende zal zijn om de krimp te realiseren. Andere onderdelen zullen verandertrajecten starten welke tot andere kwaliteitseisen aan de medewerkers leiden. Dan is om-, her- en bijscholing van belang, maar zullen vaak ook nieuwe medewerkers met andere expertise moeten worden aangetrokken en zittend personeel naar andere werk moeten worden doorgeleid. Tot slot zullen er departementsonderdelen zijn waar fors extern moet worden geworven, omdat door de natuurlijke uitstroom de continuïteit van het werk wordt bedreigd.

De basis voor het externe arbeidsmarktbeleid van het rijk wordt gevormd door de een imago- en wervingscampagne die in 2006 is gestart. Aanvullend op deze campagne zullen specifieke acties worden ondernomen, bijvoorbeeld om bepaalde expertise groepen als ICT-ers, civiel ingenieurs en accountants te vinden waar tekorten verwacht worden.
Een voorbeeld hiervan is de actie van de Belastingdienst. De Belastingdienst gaat de komende jaren haar toezichtfunctie versterken en het aantal arbeidsplaatsen met enkele honderden fte’s per jaar uitbreiden. Deze uitbreiding wordt op termijn weer afgebouwd. Men is dan echter beter in staat om, wanneer de dienst zijn grootste vervangingsvraag kent (vanaf 2010) en de arbeidsmarkt door vergrijzing zeer waarschijnlijk erg krap is, toch haar bezetting op peil te houden. Dit beseffende kiest de Belastingdienst voor een proactieve aanpak, waarbij al vanaf nu wordt ingezet op het werven van mensen met doorgroeipotentieel. Vanuit deze groep nieuw personeel kan op de middellange en lange termijn, met behulp van interne opleidingen, doorstroming plaatsvinden naar hogere functies.

Rijkswaterstaat heeft op basis van zijn Ondernemingsplan veel taken rond weg- en waterbouw aan de markt van ingenieursbureaus en aannemerij overgedragen, een brede politieke wens. Alleen staat de organisatie nu al jaren voor de opgaven om naast de gerealiseerde krimp van ruim 2000 mensen honderden talentvolle nieuwe mensen te vinden die civiel, economisch en juridisch vorm kunnen geven aan de contractering van marktpartijen. Dat is schaarse deskundigheid waar om geconcurreerd moet worden met diezelfde marktpartijen. Paradoxaal kan een verdere verplaatsing van (uitvoerend) werk naar de markt eigenlijk alleen als de Rijkswaterstaat ook haar deskundigheid en personeelsbestand vernieuwt, om zo een adequate opdrachtgever te blijven en nieuwe publiekprivate samenwerkingsverbanden succesvol vorm te geven. Op dit moment zoekt men daarvoor nog honderden nieuwe medewerkers.

Naast werving, zal echter ook werk gemaakt moeten worden van de personele mobiliteit binnen het rijk. Interdepartementaal is vorig jaar slechts drie promille van de rijksambtenaren doorgestroomd Dat betekent dat van de ruim honderdduizend rijksambtenaren zo’n driehonderd van het ene naar het andere departementen verkasten, wel erg weinig! Toegegeven, een belastinginspecteur, gevangenbewaarder of wegenbouwer, de grootste functiegroepen zijn niet eenvoudig uitruilbaar, maar een stijging moet kunnen. Door succesvolle mobiliteit kan het rijk ook meer dan nu een werkgever worden die mensen langduriger loopbaanmogelijkheden biedt. Als het regeerakkoord straks reden geeft tot verplaatsing van boventallige beleidsmakers en inspecteurs naar uitvoerende eenheden, is een goed mobiliteitsbeleid en passende opleiding- en begeleiding de sleutel tot succes.
Alle partijen zetten in op minder ambtenaren, uit het regeerakkoord en de Voorjaarsnota zal in 2007 blijken tot welke concrete taakstellingen dit leidt. Maar behalve politiek gewenste krimp is er al met al een bredere opgave; een deskundige rijksdienst die ook haar wervingskracht behoudt.