Column Binnelands Bestuur dd 24 november 2006
Twee dagen na de verkiezingen ligt de grote vraag ter tafel: Wie gaan de posten in het nieuwe kabinet bezetten? Het antwoord zal vast nog weken zo niet maanden op zich laten wachten, maar bij de selectie van kandidaten is de bezetting van de sleutelposten altijd een eerste opgave. Wie krijgt Financiën? Blijft Zalm, gesteld dat de VVD weer een vice-premier en de minister van Financiën mag leveren, of wordt het Rita Verdonk?
Voor de verkiezingen liet Rita Verdonk optekenen dat ze niet beoogde terug te keren op Integratie. Volksgezondheid leek haar wel wat. Of Veiligheid, Onderwijs of Verkeer. Maar waarom eigenlijk niet Financiën? Immers, de les van de afgelopen kabinetten is geweest dat een sterke tandem Algemene Zaken – Financiën, premier en vice-premier, de ruggengraat vormt van een kabinet. Wie echt de macht zoekt, moet Financiën ambiëren.
De eerste les die de PvdA in 1989 trok na de succesvolle jaren van het sterke span Lubbers-Ruding was dat ze haar eerste man, Wim Kok op Financiën moest zetten. ‘Te zwaar’, riepen de commentatoren destijds, Financiën, het vice-premierschap en partijleiderschap in een persoon verzameld. De geschiedenis leerde anders. Het kabinet zat de rit uit en Kok kon moeiteloos promoveren tot een achtjarig premierschap.
Ook internationaal wordt een zittende minister-president steeds vaker opgevolgd door zijn of haar minister van Financiën. In Canada is dit bijna de regel, Verhofstadt promoveerde in België langs die weg en ook in Groot-Brittannië werd eerst Margareth Thatcher verruild voor schatkistbewaarder John Major en wordt volgend jaar Tony Blair afgelost door Gordon Brown, al jaren ‘Chancellor of the Exchequer’.
Het pad richting premierschap loopt dus via Financiën, niet via Verkeer of Zorg. Toch noemde Verdonk die post niet. Waarom niet? Toegegeven, Nederland heeft nog nooit een vrouwelijke minister van Financiën gekend en ze is geen econoom. Maar dat moet geen obstakel zijn, we hebben ook nog geen vrouwelijke premier gekend. Wat dan wel? Een denkbare reden dat Verdonk Financiën niet expliciet noemde kan zijn geweest dat ze de zittende vice-premier niet te openlijk tegen zich in het harnas wilde jagen en voor de verkiezingen niet nog meer tweedracht wilde zaaien. Zalm heeft immers aangegeven pas rond de kerst uitsluitsel te willen geven over zijn toekomst. Maar eigenlijk was haar boodschap voor de goede verstaander duidelijk. Als de VVD gaat regeren wil zij de vice-premier zijn en is er geen plaats meer voor Gerrit Zalm als vice-premier. Die zal haar woorden op waarde hebben gewogen en zich afvragen of hij een degradatie tot gewoon kabinetslid onder Verdonk accepteert. En komt door Verdonks uitspraken zo de weg vrij voor haar naar Financiën, als tussenstap naar meer?
Een overzicht van publicaties als onderzoeker aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Wil je reageren ? bestebreur@fsw.eur.nl of #bestebreur op Twitter
dinsdag, november 21, 2006
dinsdag, november 07, 2006
Ondertussen, in de Senaat
Column Binnenlands Bestuur dd 10 november 2006
Terwijl half Nederland uitkeek naar het debat van de kandidaat-premiers, deed de Eerste Kamer in alle stilte haar werk in het langverwachte debat over zelfstandige bestuursorganen. En eerlijk is eerlijk, hoewel minder glossy dan ‘politici on ice’ was het inhoudelijk ook enerverend.
Waar ging het ook al weer om? Nederland kent van oudsher talloze zelfstandige bestuursorganen als het UWV en Kadaster. Volgens de Algemene Rekenkamer zijn er zelfs zo’n 1900 instellingen, die 120 miljard euro publiek geld per jaar besteden, waarvan 60% gefinancierd uit tarieven. De snelle groei van het aantal ZBO’s in de jaren negentig gaf aanleiding tot het schrijven van een kaderwet. Die legt vast waarom ZBO’s mogen worden ingesteld en wat en soms hoe allerlei zaken in de instellingswetten van ZBO’s moeten worden geregeld.
Lang traineerden de departementen de totstandkoming van de Kaderwet, het ontbreken ervan gaf ruimte voor maatwerk, om uitvoeringsorganisaties wat lucht te geven, lastige of omvangrijke departementsonderdelen op afstand te zetten of beleid een beetje in de luwte te manoeuvreren.
De ooit ingediende ‘kale kaderwet’ is echter door de Tweede Kamer in 2002 via diverse amendementen flink aangevuld. Toch bleef de wet nog lang liggen, vooral omdat het kabinet Balkenende een voor ZBO’s vernietigend rapport van Kohnstam cs. had omarmd. Strekking hiervan is dat zowat alle ZBO-statussen worden ingetrokken. Publieke taken en publiek geld moeten weer onder de volledige politiek verantwoording. Einde van bijna alle ZBO’s kortom.
Nu was de Eerste Kamer aan zet. Daar signaleerde Van Thijn (PvdA), Van Raak (SP) en anderen terecht de ongerijmdheden in het wetsvoorstel. Er ligt een wet maar ook het beleidsvoornemen om vele statussen in te trekken. Er ontbreekt een visie op nut en noodzaak van ZBO’s ten opzichte van agentschappen, intern verzelfstandigde diensten. De kaderwet is nog steeds vrij kaal, een quasi-kaderwet, volgens sommigen en veel ZBO’s vallen nog buiten de definities van de kaderwet, heeft de wet dan wel zin?
Minister Nicolai, de zoveelste minister die zich voor de verdediging van de wet verantwoordelijk wist, had het niet makkelijk. Zijn charme redde hem echter. Hij vergat hier en daar wat vragen te beantwoorden maar verontschuldigde zich dan door te zeggen dat hij tijdens het debat ‘ook bezig was met de voorbereiding van een belangrijke bijeenkomst met de Antillen’. Hier was zelfs begrip voor in de Senaat (de goeierds).
Zijn verdediging was echter effectief. Neemt u de wet alstublieft aan, komend jaar zal voor ieder ZBO secuur worden nagegaan of de status niet wordt ingetrokken in lijn met het gedachtegoed Kohnstam, maar dan hebben we vast een wet. En verrassend, op het heikel punt van de bezoldiging: de nu vrijwel ongeregelde bezoldiging van bestuurders wordt voortaan expliciet door vakministers vastgesteld en moet per afzonderlijke bestuurder in het ZBO-jaarverslag worden geopenbaard. En zo was het glas voor de senatoren toch nog half vol en kon het wetsvoorstel zonder stemming worden aangenomen.
De echte strijd zal echter nu pas losbranden. Hoe zelfstandig blijven ZBO’s, dat is de sleutelvraag ? ZBO’s moeten hun voortbestaan komende maanden verdedigen bij de departementen, die op de huid worden gezeten door Binnenlandse Zaken en Financiën. Daarna mag het parlement met het (nieuwe) kabinet aan de slag in het parlement. Wordt vast vervolgd.
Terwijl half Nederland uitkeek naar het debat van de kandidaat-premiers, deed de Eerste Kamer in alle stilte haar werk in het langverwachte debat over zelfstandige bestuursorganen. En eerlijk is eerlijk, hoewel minder glossy dan ‘politici on ice’ was het inhoudelijk ook enerverend.
Waar ging het ook al weer om? Nederland kent van oudsher talloze zelfstandige bestuursorganen als het UWV en Kadaster. Volgens de Algemene Rekenkamer zijn er zelfs zo’n 1900 instellingen, die 120 miljard euro publiek geld per jaar besteden, waarvan 60% gefinancierd uit tarieven. De snelle groei van het aantal ZBO’s in de jaren negentig gaf aanleiding tot het schrijven van een kaderwet. Die legt vast waarom ZBO’s mogen worden ingesteld en wat en soms hoe allerlei zaken in de instellingswetten van ZBO’s moeten worden geregeld.
Lang traineerden de departementen de totstandkoming van de Kaderwet, het ontbreken ervan gaf ruimte voor maatwerk, om uitvoeringsorganisaties wat lucht te geven, lastige of omvangrijke departementsonderdelen op afstand te zetten of beleid een beetje in de luwte te manoeuvreren.
De ooit ingediende ‘kale kaderwet’ is echter door de Tweede Kamer in 2002 via diverse amendementen flink aangevuld. Toch bleef de wet nog lang liggen, vooral omdat het kabinet Balkenende een voor ZBO’s vernietigend rapport van Kohnstam cs. had omarmd. Strekking hiervan is dat zowat alle ZBO-statussen worden ingetrokken. Publieke taken en publiek geld moeten weer onder de volledige politiek verantwoording. Einde van bijna alle ZBO’s kortom.
Nu was de Eerste Kamer aan zet. Daar signaleerde Van Thijn (PvdA), Van Raak (SP) en anderen terecht de ongerijmdheden in het wetsvoorstel. Er ligt een wet maar ook het beleidsvoornemen om vele statussen in te trekken. Er ontbreekt een visie op nut en noodzaak van ZBO’s ten opzichte van agentschappen, intern verzelfstandigde diensten. De kaderwet is nog steeds vrij kaal, een quasi-kaderwet, volgens sommigen en veel ZBO’s vallen nog buiten de definities van de kaderwet, heeft de wet dan wel zin?
Minister Nicolai, de zoveelste minister die zich voor de verdediging van de wet verantwoordelijk wist, had het niet makkelijk. Zijn charme redde hem echter. Hij vergat hier en daar wat vragen te beantwoorden maar verontschuldigde zich dan door te zeggen dat hij tijdens het debat ‘ook bezig was met de voorbereiding van een belangrijke bijeenkomst met de Antillen’. Hier was zelfs begrip voor in de Senaat (de goeierds).
Zijn verdediging was echter effectief. Neemt u de wet alstublieft aan, komend jaar zal voor ieder ZBO secuur worden nagegaan of de status niet wordt ingetrokken in lijn met het gedachtegoed Kohnstam, maar dan hebben we vast een wet. En verrassend, op het heikel punt van de bezoldiging: de nu vrijwel ongeregelde bezoldiging van bestuurders wordt voortaan expliciet door vakministers vastgesteld en moet per afzonderlijke bestuurder in het ZBO-jaarverslag worden geopenbaard. En zo was het glas voor de senatoren toch nog half vol en kon het wetsvoorstel zonder stemming worden aangenomen.
De echte strijd zal echter nu pas losbranden. Hoe zelfstandig blijven ZBO’s, dat is de sleutelvraag ? ZBO’s moeten hun voortbestaan komende maanden verdedigen bij de departementen, die op de huid worden gezeten door Binnenlandse Zaken en Financiën. Daarna mag het parlement met het (nieuwe) kabinet aan de slag in het parlement. Wordt vast vervolgd.
Abonneren op:
Posts (Atom)