dinsdag, november 07, 2006

Ondertussen, in de Senaat

Column Binnenlands Bestuur dd 10 november 2006

Terwijl half Nederland uitkeek naar het debat van de kandidaat-premiers, deed de Eerste Kamer in alle stilte haar werk in het langverwachte debat over zelfstandige bestuursorganen. En eerlijk is eerlijk, hoewel minder glossy dan ‘politici on ice’ was het inhoudelijk ook enerverend.
Waar ging het ook al weer om? Nederland kent van oudsher talloze zelfstandige bestuursorganen als het UWV en Kadaster. Volgens de Algemene Rekenkamer zijn er zelfs zo’n 1900 instellingen, die 120 miljard euro publiek geld per jaar besteden, waarvan 60% gefinancierd uit tarieven. De snelle groei van het aantal ZBO’s in de jaren negentig gaf aanleiding tot het schrijven van een kaderwet. Die legt vast waarom ZBO’s mogen worden ingesteld en wat en soms hoe allerlei zaken in de instellingswetten van ZBO’s moeten worden geregeld.
Lang traineerden de departementen de totstandkoming van de Kaderwet, het ontbreken ervan gaf ruimte voor maatwerk, om uitvoeringsorganisaties wat lucht te geven, lastige of omvangrijke departementsonderdelen op afstand te zetten of beleid een beetje in de luwte te manoeuvreren.
De ooit ingediende ‘kale kaderwet’ is echter door de Tweede Kamer in 2002 via diverse amendementen flink aangevuld. Toch bleef de wet nog lang liggen, vooral omdat het kabinet Balkenende een voor ZBO’s vernietigend rapport van Kohnstam cs. had omarmd. Strekking hiervan is dat zowat alle ZBO-statussen worden ingetrokken. Publieke taken en publiek geld moeten weer onder de volledige politiek verantwoording. Einde van bijna alle ZBO’s kortom.
Nu was de Eerste Kamer aan zet. Daar signaleerde Van Thijn (PvdA), Van Raak (SP) en anderen terecht de ongerijmdheden in het wetsvoorstel. Er ligt een wet maar ook het beleidsvoornemen om vele statussen in te trekken. Er ontbreekt een visie op nut en noodzaak van ZBO’s ten opzichte van agentschappen, intern verzelfstandigde diensten. De kaderwet is nog steeds vrij kaal, een quasi-kaderwet, volgens sommigen en veel ZBO’s vallen nog buiten de definities van de kaderwet, heeft de wet dan wel zin?
Minister Nicolai, de zoveelste minister die zich voor de verdediging van de wet verantwoordelijk wist, had het niet makkelijk. Zijn charme redde hem echter. Hij vergat hier en daar wat vragen te beantwoorden maar verontschuldigde zich dan door te zeggen dat hij tijdens het debat ‘ook bezig was met de voorbereiding van een belangrijke bijeenkomst met de Antillen’. Hier was zelfs begrip voor in de Senaat (de goeierds).
Zijn verdediging was echter effectief. Neemt u de wet alstublieft aan, komend jaar zal voor ieder ZBO secuur worden nagegaan of de status niet wordt ingetrokken in lijn met het gedachtegoed Kohnstam, maar dan hebben we vast een wet. En verrassend, op het heikel punt van de bezoldiging: de nu vrijwel ongeregelde bezoldiging van bestuurders wordt voortaan expliciet door vakministers vastgesteld en moet per afzonderlijke bestuurder in het ZBO-jaarverslag worden geopenbaard. En zo was het glas voor de senatoren toch nog half vol en kon het wetsvoorstel zonder stemming worden aangenomen.
De echte strijd zal echter nu pas losbranden. Hoe zelfstandig blijven ZBO’s, dat is de sleutelvraag ? ZBO’s moeten hun voortbestaan komende maanden verdedigen bij de departementen, die op de huid worden gezeten door Binnenlandse Zaken en FinanciĆ«n. Daarna mag het parlement met het (nieuwe) kabinet aan de slag in het parlement. Wordt vast vervolgd.

Geen opmerkingen: