dinsdag, maart 07, 2006

Zalm en Alva

Column Binnenlands Bestuur dd 27 februari 2006

De namen van Zalm en Alva zijn beide verbonden aan het fenomeen belastingoproer. De verhouding tussen rijk en decentrale overheden stond in beide geschiedenissen centraal.
Midden negentiende eeuw heeft er een waterscheiding plaatsgevonden in de financiële verhoudingen tussen rijk en decentrale overheden. Tot die tijd bestonden er geen financiële bijdragen van het rijk aan de gemeenten, integendeel. Tot 1865, het eerste jaar van de algemene uitkering aan gemeenten, waren de gemeenten veeleer financiële bijdragen schuldig aan het rijk, dan andersom.
Deze belangrijke rol van decentrale overheden en de strijd tussen centrum en periferie, zo kenmerkend voor de Nederlanden in de late middeleeuwen, kende zijn historische hoogtepunt in de strijd van provincies tegen de de Hertog van Alva, zo rond 1569. De landsregering moest zich naar de opvatting van Alva zo onafhankelijk mogelijk maken van de provincies. Daartoe wilde Alva af van de goedkeuringsvereiste van provincies bij op te leggen belastingen en zo zelf de belastinghoogte te kunnen bepalen. Geen uitzonderingen of privileges waren meer gewenst, maar vooral geen langzame, moeizame onderhandelprocessen.
Voorzien was een drievoudig stelsel van honderdsten, twintigsten en tienden. De honderdste penning was een (eenmalige) heffing op vermogen van één procent. De twintigste penning was een heffing bij de verkoop van onroerend goed van vijf procent. De fameus geworden tiende penning zou worden geheven op de verkoop van roerende goederen, een soort 10% BTW-tarief. Geen gekke maatstaf naar hedendaagse tarieven!
Het vervolg is bekend. Alva kreeg nooit echt zijn zin en naarmate de jarenlange onderhandelingen voortduurden, groeide het verzet binnen de Nederlanden tegen Alva’s belastingpolitiek. De opkomende belastingoproer verbreidde en verbreedde zich en een steeds bredere opstand was het gevolg. Belastingen kunnen de gemoederen goed verhitten, kortom.
Is er veel veranderd? Nee, leert de door Zalm bepleitte belastingoproer. De financiële verhoudingen en de belastingen zijn nog steeds onderwerp van strijd. De echte principiële strijd van Zalm met de gemeenten vond eigenlijk al enige jaren geleden plaats. Omdat in Europese begrotingsafspraken is vastgelegd dat voor de bepaling van het EMU-saldo van een land de financiën van alle bestuurslagen meetellen, was toen een principiële vraag aan de orde: mag de besteding van middelen door gemeenten zonodig aan banden worden gelegd wanneer Nederland door het fameuze 3%-norm dreigt te gaan? Zover is het niet gekomen, al is wel afgesproken dat men elkaar tijdig informeerde als vroegtijdige waarschuwing voor overschrijdingen. Dat systeem bleek te falen toen enkele jaren geleden Nederland door de 3% heenbrak, mede als gevolg van onvoorzien hogere –en heel laat gerapporteerde- uitgaven bij gemeenten. Op dat moment had Zalm een legitieme reden gehad om principieel te betogen dat er behoefte was aan mogelijkheden in te grijpen bij ontsporende gemeentefinanciën. Dat is niet gebeurd.
De oproep van Zalm tot een belastingstaking voor te hoge OZB is daarom onevenredig. De OZB is geen zaak van landelijk financieel belang maar een zuiver lokaal politiek issue. Ook bevreemdend daarom dat Zalm wel is gekapitteld over de feitelijk onjuiste basis van zijn betoog maar in veel mindere mate om de strekking ervan. Belastingoproeren dienen niet van rijkswege te worden verordonneerd, ze behoren het volk toe.