maandag, maart 27, 2006

Het geld van Geert

Column Binnenlands Bestuur dd 31 maart 2006

Het programma Klare Wijn van de Partij voor de Vrijheid (PVV) geeft een eerste kijkje in de keuken van Geert Wilders en de zijnen. Als het gaat om concrete financiële ideeën valt het nog niet mee.
De definitieve komst van een conservatieve stroming in de Nederlandse politiek is echter van harte toe te juichen. Samen met de SP ter linkerzijde verbreedt de PVV op rechts het palet van politieke stromingen. Wilders’ PVV openbaart in het programma Klare Wijn nu voor het eerste haar opvattingen. Een van de drie grote thema’s is voor de PVV lagere belastingen. Ze werkt dit uit onder de kop : ‘Een andere en kleinere, dus betere overheid’. Daaronder valt voor Wilders directe democratie, afschaffing van de Europese Commissie, Europees Parlement en EG-programma’s. Als kernopgave ziet Wilders de beperking van de te grote overheid(sbemoeienis) omdat die leidt tot een te hoge belastingdruk en regeldichtheid. Zijn doel is te komen tot minder regels en lagere belastingen. Duidelijke taal maar wie wil dat niet?
Wilders agenda stelt daarom in twee opzichten teleur. Ten eerste is ze intellectueel gezien wel erg smal en ontbreken alternatieven. Ten tweede maakt Wilders zijn oplossingen nauwelijks concreet.
Een robuuste conservatieve politieke agenda zou, voorzover die de rol van de staat betreft, behalve het streven naar een kleinere overheid ook een visie mogen bevatten hoe tal van maatschappelijke arrangementen dan wel vorm moeten krijgen. Drie denkbare oplossingen kunnen we dan verwachten, individualisering, marktwerking of caritas.
Individualisering betekent dat burgers meer zelfvoorzienend worden, onafhankelijker van staatsvoorzieningen. Probleem voor Wilders is veel Nederlanders genoeg hebben van de al eerder in gang gezette individualisering van de samenleving.
Een tweede alternatief voor te brede overheidsbemoeienis is een sterkere rol voor de markt. Ook dat lijkt Nederland een beetje moe, er is een brede scepsis over de verdere vermarkting van publieke voorzieningen.
Een derde alternatief voor de staatsrol is een actiever rol voor het maatschappelijk middenveld; kerk en caritas in plaats van gemeente en rijk. Ook dat ontmoet in Nederland weinig bijval, in tegenstelling tot Amerika waar de beweging van ‘compassionate conservatism’ onder Bush juist succesvol is en overheidsprogramma’s door kerken worden overgenomen. Waar dit in Nederland gebeurt, zoals bij de opvang van uitgeprocedeerde asielzoekers, wordt dat juist ter rechterzijde verfoeid.
Wilders noemt nog geen alternatief voor staatsbemoeienis omdat aan ieder alternatief, individualisering, marktwerking en caritas weer bezwaren lijken te kleven.
Ten tweede, ook in de uitwerking van zijn ideeën rond een kleinere staatsrol en lagere belastingen blijft Wilders vaag. Zo algemeen geformuleerd zal vrijwel heel Den Haag streven naar deregulering en lagere belastingen. Aan Wilders de opgave een echt perspectief te schetsen. Brengen we uitgavenomvang van de publieke sector echt terug van de huidige 48% van het nationaal inkomen? Bezuinigen we drie kabinetten lang 1% per jaar zodat we in 2020 aan een Amerikaanse overheidsomvang komen? En hoe, wat gaan we dan minder doen? Het enige concrete idee van Wilders is een belastingverlaging, te financieren door de helft van de beleidsambtenaren te schrappen. Dat levert zo’n vijfduizend keer €50.000 euro op, ca. €250 miljoen per jaar. Dat is echt een maatregel achter de komma. Meer vlijt, denkkracht en concreetheid is daarom nog hard nodig !