maandag, augustus 21, 2006

Budgettaire anorexia?

Column Binnenlands Bestuur dd 24 augustus 2006

De schrijvers van het jaarboek OverheidsfinanciĆ«n 2006 , dat net voor de zomer verscheen, hadden er vooraf geen weet van hoe goed getimed hun publicatie zou zijn. Deze zomer moesten immers alle partijcommissies versneld de verkiezingsprogramma’s schrijven. En het lijkt alsof er goed gebruik is gemaakt van de ideeĆ«n van de economen, althans bij lezing van de eerste versie het CDA-programma. Een ding valt het meest op: de schijnbare voorliefde van economen om te streven naar een overschot op de begroting met de noodzaak flink te bezuinigen als consequentie. Waarom moet dat toch?
De economen Flip de Kam en Arie Ros stellen dat het gewenst is om te streven naar een overschot van 1-1,5% op de rijksbegroting om een drietal redenen. Ten eerste omdat dan bij economische tegenwind niet direct een te groot tekort ontstaat. Ten tweede om de staatsschuld af te lossen die dan later ten tijde van hevige vergrijzing weer mag oplopen. En ten derde om een volgende generatie niet te belasten met de schulden van deze. Het zijn zindelijke argumenten maar is er iets op af te dingen, zijn er alternatieven?
Nederland heeft zich gecommitteerd aan EMU-afspraken waaronder het beperken van het EMU-saldo tot maximaal drie procent. Om aan die afspraak te voldoen, is het van belang in de begrotingsramingen een veilige marge aan te houden om niet bij economische laagconjunctuur, als de belastingopbrengsten teruglopen en het beroep op uitkeringen stijgt, dramatische ombuigingen te moeten plegen. Er is daarom een formule afgesproken die luidt dat landen streven naar een begroting die ‘close to balance or in surplus’ is. Maar hoe breed moet die marge zijn? Een marge van meer dan vier procent aanhouden is onnodig spelen op veiligheid. Nul lijkt echt genoeg.
De tweede reden voor een overschot zou zijn dat we daarmee de staatsschuld kunnen aflossen om na 2030, als velen van u en ik vergrijsd zijn, deze weer wat te laten oplopen. De rentelasten van de huidige staatsschuld zijn dan bovendien verdwenen wat ook budgettaire ruimte geeft. Het is een goed punt, maar dit scenario is erg afhankelijk van veronderstellingen over de rente en demografie. Allen als rente en demografie en economie zich naar huidige verwachting gedragen, gaat dit sommetje op. In alledrie kunnen evenwel grote mee- en tegenvallers zitten. Hoger dan geraamde rente: heel slecht’; langer werkende beroepsbevolking: heel goed; sterkere economische groei: heel mooi. Hierin liggen dus ook de alternatieven voor dit streven naar een begrotingsoverschot. Hogere arbeidsparticipatie, andere financiering van de vergrijzinglasten, langer doorwerken, meer economische groei via gerichte onderwijs- en infrastructuurinvesteringen en meer kunnen ook toekomstige lasten beperken. Er is dus heel wat te kiezen.
Laatste argument voor een overschot: de volgende generatie niet opzadelen met schulden. Dat is een mooi moreel standpunt. De volgende generatie een prettig land doen erven met goede scholen, schone bodem en lucht, interessante natuurgebieden maar zonder permanente budgettaire anorexia is ook een optie. Maar eigenlijk geen economisch vraagstuk maar een politiek vraagstuk. Goed dat er daarom iets te kiezen is dit najaar.