Een overzicht van publicaties als onderzoeker aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Wil je reageren ? bestebreur@fsw.eur.nl of #bestebreur op Twitter
vrijdag, december 26, 2008
Op naar de tussenbalans
Het wordt spannend. Of is het eind 2008 te vroeg om over het komende hete budgettaire voorjaar te beginnen? Nee, denk ik.
Terwijl hier en daar nog de jaarafsluiting 2008 moet gaan plaatsvinden, is er alle reden nu al vooruit te kijken naar het cruciale jaar kabinetsjaar 2010. Dan immers moet het kabinet scoren, zodat voorjaar 2011 bij de verkiezingen mooie beleidsresultaten en een gezonde overheidsboekhouding aan de burgers kan worden voorgelegd. In 2010 wordt ook bepaald of de sociaal-christelijke coalitie toekomst heeft, of dat het tijd wordt om van partner te ruilen. En de besluitvorming daarover vindt dit voorjaar plaats. Wie gaat er dan scoren, wie delft het onderspit?
De start van het kabinet, in 2007 was natuurlijk maar een halve start. Veel beleid was bedacht door eerdere kabinetten, nieuw beleid stond nog in de startblokken. En die gaan bij de overheid nu eenmaal maar langzaam open. Dat 2007 financieel eindigde met zwarte cijfers was meer een toevallig resultaat dat zonder veel sturing bereikt werd, dan de opbrengst van heel bewust handelen. In 2008 moest voor het eerst geleverd worden, hetgeen een eerste scheiding opleverde van bokken en schapen. Ella Vogelaar leverde niet voldoende, de wijkenaanpak kwam weliswaar langzaam maar zeker van de grond maar het kon haar niet mee redden. De bankencrisis ten spijt wordt 2008 budgettair gezien waarschijnlijk nog vrij positief afgesloten. Nuja, dat komt omdat de koop van Fortis en de bankensteun niet via de begroting verliep maar via de balans. De staatschuld is hierdoor wel omhoog geknetterd, van 40% naar ruim 50%, maar daar tegenover staat het bezit van een fijne Hollandse bank die straks weerde in de verkoop kan.
Maar de echte financiële opgave komt in 2009 en 2010. Wat zich dan wreekt is dat het huidige kabinet eigenlijk –anders dan onder Zalm- vrij veel zuur voor zich heeft uitgeschoven. In de aanvankelijke economische topjaren 2007 en 2008 is er relatief weinig omgebogen. De beoogde daling van het EMU-saldo richting een structureel overschot van een procent moet daarom nu worden gerealiseerd door na 2008 flink te knijpen op de departementale bestedingen. Terwijl de crisis zich nu aftekent en de ministers juist willen gaan scoren.
Voorjaar 2009 moet kortom een reuzenommezwaai plaatsvinden. In plaats van economische groei treedt dan de krimp in en gaat de overheid donkerrode cijfers schrijven. Maar terwijl het macro-economisch beroerd zal gaan, zullen vakministers het laatste kansen proberen te grijpen. Cramer voor milieu, Eurlings voor wegenaanleg, Ter Horst voor de politie, Huizinga voor waterveiligheid en Van Middelkoop en De Vries zodat Defensie eindelijk de JSF kan kopen.
De besluitvorming in het voorjaar krijgt na twee jaar regeren en twee jaar voor de verkiezingen voor het kabinet dus het karakter van een heuse, zware tussenbalans. Dat vergt een geëigende aanpak, als men wil overleven. Misschien kan daarom de ronde vergadertafel van Algemene Zaken alvast uit de mottenballen, Beesterzwaag gereserveerd en Wijffels van stal gehaald. Dan maken we hem eind 2009 politicus van het jaar.
vrijdag, december 12, 2008
Op naar de top?
Eenmaal aan de top hebben weinigen er nog voldoende tijd voor, maar veel wannabees zullen graag boeken lezen over de weg naar de top of over toporganisaties. Ralf Knegtmans en André de Waal schreven er allebei een boek over.
Ralf Knegtmans heeft met ‘Toptalent’ een mooi boek geschreven over de weg naar de top. Een topper worden is een kwestie van aangeboren talent én aangeleerde vaardigheden, zo meent hij. Knegtmans werkt uit hoe talenten en bedrijven hun toptalent verder kunnen kneden. Het is een ordelijk boek, levendig door interviews met toppers. Maar het roept ook de gedachte op hoe het toch mogelijk is dat er nog steeds toppers boven komen drijven, vooral wanneer je de vaak weinig professionele MD-praktijk vergelijkt met de verfijnde theorie van Knegtmans. En anderzijds, hoe het mogelijk is dat we toppers kennen zonder dat ze alle stadia die Knegtmans signaleert, doorlopen hebben.
Minder dan dit boek over toppers kan me een ander nieuw verschenen boek over toporganisaties van André de Waal me bekoren. Stilistisch is ‘Maak van je bedrijf een toporganisatie’ een apart boek. De Waal legt een boek lang de werking van toporganisaties uit door de ogen van ene Peter Mueller en Tanya. Peter is echter niet de gelijknamige schaatscoach, maar een uitleggerig topmantypetjes. Journaliste Tanya haalt het daarnaast niet bij de Bondgirlvoorstelling die haar naam oproept. Zo verzandt een boek - over een onderwerp waarover De Waal ongetwijfeld veel van weet - in langdradige dialogen. Andere publicaties van hem over hetzelfde onderwerp zijn nuttiger kost. En dat is jammer, want wie wil er niet naar de top?
Zelf had ik met een kleine groep uitverkorenen ook ooit het voorrecht deel te mogen nemen aan een TOP-programma. Het was de ongelukkige afkorting van TalentOntwikkelingsProgramma, kortweg TOP. Maar onze omgeving bestempelde ons direct als ‘toppertjes’ of - als we weg waren - tobbertjes. Nu is het met de meeste TOP-deelnemers best goed afgelopen, maar de kwalificatie alleen al zou reden zijn me niet snel meer aan zo’n programma te verbinden. Daarom lezen echte toppers waarschijnlijk geen boek over de top, noch lopen ze met de vraag rond of ze al top zijn. Ze zijn onbewust al bekwaam. Of zou op Obama’s nachtkastje toch…
Waarheen met de financiële sector ?
Scriptum Publishers, Schiedam 2008, Binnenlands Bestuur 19 december 2008
Banken zijn te belangrijk om aan de markt over te laten, betoogde CDA-professor Harry Verbon laatst. Het was geen vloeken in de kerk, hoewel je zeg drie maanden geleden nergens gehoor zou hebben gevonden voor zo’n verhaal. Toen echter verscheen echter wel ‘The Future of Finance’, een poging tot duiding van de grote opgaven van de financiële sector.
Arme auteurs. Nadat met bloed zweet en tranen is gezwoegd op een lijvig boek over toekomstige bedreigingen en kansen van financiële instellingen, breekt direct na de laatste deadline de bankencrisis pas echt los. En die had je in deze overweldigende omvang en impact nu net even niet zien aankomen. Hoewel je tientallen bankiers en toezichthouders en marketingdeskundigen hebt geraadpleegd, zat daar geen enkele minister of ambtenaar van Financiën bij, want die speelden schijnbaar geen enkele rol. Geen enkele verwijzing in de literatuurlijst naar een ambtelijk stuk. Geen interview met Wouter Bos of Balkenende over The Future of Finance’. Geen begin van een redenering wat de gevolgen kunnen zijn van de nationalisatie van banken of de andere overheidsinterventies. Wel verkeerde verwachtingen als zouden de staatsfondsen van olielanden en Azië nu hun slag slaan omdat nergens anders vers kapitaal vandaan kan komen. Die verduivelde Bos. Balen, balen, balen.
Eigenlijk is het nog erger. Want je hebt wel degelijk het bekende rijtje van financiële toppers gevraagd welke toekomst zij zien voor de financiële sector. ING-topman Tilmant, DSB-bankier Gerrit Zalm, ING-commissaris Wim Kok, oppertoezichthouder Nout Wellink van de Nederlandse Bank en zoveel anderen. En niemand van hen gaf ook maar enige blijk van een nakende crisis. Laat staan wat ‘the Future of Finance’ is gegeven de wereldwijde crisis bij banken, verzekeraars, pensioenfondsen, beleggers en overheden. Aan de ene kant is dat een schrale troost voor de auteurs, de deskundigen hadden het ook niet zien aankomen. Maar voor toekomstkijker Bakas, een van de beide auteurs, is dat –hoe zullen we het zeggen- vrij pijnlijk. Daar sta je met je megatrends maar je hebt niet gezien dat er een ravijn gaapt tussen vandaag en morgen. Here today, where tomorrow?
Weinig vrolijk stemt het boek ook op de methodologische keuzen om na de uitleg van een viertal scenario’s voor de toekomst van de financiële branche plompverloren te stellen : ‘Wij kiezen voor het eerste scenario’. Dat kan niet waar zijn. Scenario’s zijn beschrijvingen van mogelijke toekomsten. Sommige toekomsten kun je mooi vinden, andere lelijk, maar er is niets te kiezen! Het gaat erom klaar te staan om in ieder van de mogelijke toekomsten te presteren. In een voorbeeld van ex-Shelltopman Jeroen van der Veer. ‘Als de zon schijnt loopt de ijsverkoop, als het regent paraplu’s, maar chocola kun je verkopen bij ieder weertype’. Kiezen voor het scenario ‘een verenigde wereld’, waarin financiële instellingen wereldwijd opereren en risico’s spreiden, is dus methodologisch gezien onzin en veeleer een geloofsuitspraak. Die daarenboven door de actuele gang van zaken sterk gelogenstraft is. Juist het wereldwijd verhandelen van risico’s leidde ertoe dat Hollandse spaarders in Icesave of beleggers in Fortis bijna alle ingelegde gelden verloren omdat die banken fikse belangen bezaten in onduidelijke samengestelde pakketten vol slechte leningen die aan de man waren gebracht door extreem opportunistische geldverstrekkers op het platteland van Amerika.
Wat zijn de vier grote megatrends die ertoe doen volgens Bakan en Peverelli? Ten eerste globalisering en nieuwe toetreders tot de financiële sector, zoals Microsoft.. No surprise. Ten tweede demografie, waardoor nieuwe doelgroepen als zodanig geïdentificeerd moeten worden, bijvoorbeeld islamitisch bankieren. Ten derde een sterker onderling vooral digitaal verbonden wereld, waarin internetbank ING-direct wereldwijd succes kan hebben en snel de derde spaarbank werd in tien jaar tijd, zonder een heel kantorennet te openen. En tot slot een herwaardering van waarden, oog voor integriteit en duurzaamheid.
Het brengt de auteurs tot drie kernopgaven voor de financiële sector. Win de strijd om schaars talent. Innoveer om een concurrentievoordeel te behalen. En houd het simpel. En met hun slotinzicht, ‘ga terug naar de oorsprong, maatschappelijk nut bewerkstelligen’, is eigenlijk best mooi gevonden.
Maar daarnaast zijn er nog een paar andere vragen die om een antwoord vragen. Hoe borgen we het publieke belang van een goed werkende bankensector? Door blijvende overheidsparticipatie, beter toezicht of andere arrangementen? Hoe kunnen spaarders en beleggers weer vertrouwen krijgen in banken, bijvoorbeeld om bestaande banken het vertrouwen van de markt te laten behouden en straks Fortis/ABN na 2011 succesvol naar de beurs te brengen. Hoe kan risicomanagement binnen banken beter worden georganiseerd dan de collectieve blindheid waaraan het nu bijna ten onder is gegaan. Hoe kan prestatiebeloning van bankiers bijdragen aan betere lange termijnprestaties zonder opportunistisch gedrag uit te lokken met alle gevolgen van dien. Best belangrijke, nog onbeantwoorde vragen.
maandag, december 08, 2008
Te veel old boys
Zalm is van Bos en Bos is van Zalm. Dat is zorgelijk. Laat het me uitleggen. Na de ingreep bij FortisABN heeft minister van Financiën Wouter Bos Gerrit Zalm als topman benoemd. Die, dat weten we nog, eerder als minister de baas was van Bos toen die nog staatssecretaris was. Na deze benoeming moest Bos Zalms benoeming en salaris verdedigen. Zalm is nu de baas van een bank die geld investeert in projecten, zoals de verbouw van het ministerie van…... U raadt het al, Financiën. Het net opgeleverde –en prachtig verbouwde- ministerie van Financiën is dus opnieuw ook weer van haar oud-minister. Straks, als de architectuurrecensies in de krant zijn verschenen en er weer nieuwe kamervragen opkomen (zo ging dat al tijdens bouw) krijgt ons parlement keurige antwoorden, opgesteld door het koningskoppel Zalm en Bos.
Bos moet nu goed gaan opletten wat bankier Zalm uitvoert. Als het niet goed loopt met de bank, vraagt Zalm Bos immers weer extra geld. Maar als Zalm bijvoorbeeld te terughoudend blijkt in het verstrekken van bedrijfskrediet, moet Bos Zalm weer de les lezen. Tegen 2011, als de bank hopelijk weer in rustig vaarwater is en de verkiezingen naderen, zal scherp gekeken worden hoe de nieuwe bezittingen van de staat renderen. Krimpt de ABN/Fortis combinatie, of is ze veel meer waard geworden dan de aankoopprijs? Dat is van belang voor de bonus van Bos aan Zalm en voor de verkiezingsuitslag van Bos. Die daarvoor dus afhankelijk is van het presteren van Zalm. Helpt de VVD-er Zalm de PvdA-er Bos aan een klinkende uitslag?
Dit samenlopen van functies en functionarissen in die kleine financiële sector is ongelukkig. De uitruil van topmensen tussen Financiën, banken, pensioenfondsen, Nederlandse Bank en Autoriteit Financiële markten (AFM) is namelijk fors maar een oude traditie. De ABN werd lange tijd financieel gerund door een ex-toezichthouder van De Nederlandse Bank Tom de Swaan. Bij de kleine bank NIBC is de voormalig Thesaurier-Generaal Van Dijkhuizen van Financiën financieel verantwoordelijk, zoals zijn vroegere voorganger Cees Maas dat lang bij de ING was, waar ook nog ex-minister van Financiën Kok commissaris is. De AFM wordt geleid door een ex-minister van Financiën Hans Hoogervorst, die nu heel streng moet toezien op onder meer Fortisd/ABN waar zijn partijgenoot en opvolger Gerrit Zalm bestuurt. Grootbelegger APG die een sleutelrol kan (gaan) spelen bij de opkomst en ondergang van bedrijven en banken wordt bestuurd door een andere topper van Financiën, Dick Sluimers. En de Nederlandse bank wordt geleid door supertoezichthouder Wellink, ook ex-Thesaurier-Generaal van Financiën.
Allemaal kundige, competente mensen met een hoge professionaliteit. Maar ook allen erg nauw verbonden. Dat is ongelukkig. Meer afstand en kritische distantie zou beter zijn, om te voorkomen dat zoals in België bij Fortis laatst gebeurde, de aandeelhouders het vertrouwen verliezen in de (nieuwe) top, omdat die te zeer onderdeel is van te kleine, een besturende elite. Verse benoemingen zijn daarom erg welkom. Zorgen vrouwen nu eindelijk voor die frisse wind?
dinsdag, november 18, 2008
Te hard van stapel
Als Wouter het doet, willen Ahmed en Hans en Paul het ook. Zelfs Flip doet mee. Wat? Het geld laten rollen. De verkeerde reflexen steken helaas al snel op bij Pvda-ers. De schatkist misbruiken als nationale zak van Sinterklaas. Kadootjes weggeven. ‘Dat is schokkend hoor’, zou Boekestijn zeggen, als hij mocht. Wat is er allemaal mis??
De tijdelijke overname van Fortis/ABN en de omvangrijke bankensteun door Wouter Bos lijkt voor Pvda-ers het startsein voor nieuwe tijden.De overname van Fortis voor 17 miljard, de 10 miljard voor steun aan banken en verzekeraars en de 200 miljard kredietfaciliteit van Wouter Bos maakt bij vooral PvdA-ers veel los.. Natuurlijk, vanaf het begin heeft Bos benadrukt dat zijn interventies uitzonderlijke maatregelen van een uniek en tijdelijk karakter. Maar de geest lijkt uit de fles. Eerst was het de faux pas van Aboutaleb, Spekman en Tang die te lichtvaardig hun partijgenoten deden voorkomen dat hun partij de minima een kerstpresentje van 50 euro bezorgden. De schatkist als campagnekas. Daarna rammelde Flip de Kam aan de poort die zich liet inspireren door Amerika. Daar krijgen alle belastingbetalende Amerikanen binnenkort van de eigen overheid een dikke vette cheque. En dat zou hier ook moeten, vindt hij. Alle volwassen burgers moeten nog voor de kerst een cheque krijgen van 500 euro. Dat kost 6 miljard, 1% BBP. Maar zegt de Kam, de crisis rechtvaardigt een stevige aanpak.
Tja, Keynes was natuurlijk niet gek. Maar het probleem met actief stimulerend overheidsbeleid op zijn Keynesiaans is dat er tegenover moet staan dat in goede tijden te royaal opgevoerde bestedingen worden omgebogen. Dan moet de PvdA in goede tijden eens niet willen indexeren voor minima, moet De Kam pleiten voor belastingverhoging en moeten te rijke provincies en gemeenten het geld teruggeven aan de burger in plaats van te parkeren op hoogrentende rekeningen.
Maar daar zit de zwakke schakel. Uitgavenplannetjes in slechte tijden lijken onomstreden, wie zou er geen 500 euro per persoon willen ontvangen? Maar als in goede tijden wordt nagelaten de broekriem aan te trekken, kunnen we ook maar beter deze socialistische kerstcadeautjes achterwege laten.
Ook electoraal is het onverstandig. Bos en zijn partij worden nu in de peilingen niet beloond omdat ze gekke uitgavenplannetjes smeden, maar omdat ze de rust bewaren en de ergste rampspoed keren. Maar als na de komende economische crisis in 2009 en misschien 2010 de rust weerkeert en de economie weer opkrabbelt, is de beste verkiezingsinzet te laten zien dat het beoogde overschot van 1% op de rijksbegroting in 2011 ook echt is gerealiseerd. En dat is aan de ene kant nodig ook, de vergrijzing gaat gewoon door, en aan de andere kant moeilijk genoeg. Want belastingen en misschien zelfs gasopbrengsten zullen gaan tegenvallen en de oplopende werkgelegenheid vergt hogere uitgaven.
Als de overheid voorgenomen investeringen gewoon doorzet en toch een overschot weet te realiseren, is dat het beste voor het land en ook de beste verkiezingsstrategie voor de PvdA. Er is geen reden voor roekeloosheid maar behoefte aan chirurgisch precisiewerk. Uitzonderlijke tijden vragen om uitzonderlijke maatregelen, niet om opportunistisch gedrag.
zondag, november 09, 2008
Andere tijden
Neen, niet nog meer Obamania in deze kolom. Hoewel het verleidelijk is alles en nog wat aan hem toe te schrijven denk ik dat zijn verkiezing goed past in de veranderende tijdgeest. Een kentering, ook in het denken over overheidsmanagement en overheidsfinanciën. De verandering van ‘de bedrijfsmatige overheid’ naar een nieuwe tijd wordt zichtbaar. ‘New public management’ is oud geworden, er breken nieuwe tijden aan. Zonder een overheid die aan anorexia lijdt en politici die alleen maar minder overheid willen , maar ook zonder beleggende overheidsboekhouders, zonder de vooronderstelling dat de markt superieur is.
Al Gore, de net-niet president heeft heel wat op zijn geweten. Het is immers zijn omarming van bedrijfsmatige concepten voor de (Amerikaanse) overheid die navolging kreeg in westerse landen. Die dat te onkritisch overnamen en doorgaven aan medeoverheden en andere landen, tot ontwikkelingslanden toe.
Het heeft niet gebracht wat het moest worden.
Nu moeten we new public management niet helemaal ter zijde zetten. De dienstverlening inrichten vanuit de behoefte van de burger als klant is een groot goed. Investeren in loopbaankansen voor medewerkers is dat ook. Een minder technische meer beleidsmatige begroting is ook nuttig. Zakelijker sturing tussen opdrachtgever en uitvoerder ook. En zo zijn er meer verdiensten van new public management.
Maar de schaduwzijde is er ook. De markt is te innig omarmd als de oplossing voor van alles en nog wat. Per saldo is marktwerking te breed toegepast. Ook bij ontbrekende of onvolledige concurrentie zijn publieke taken vervreemd. De sterkere rol van gelddenken en controllers heeft geleid tot controlitis en cijferfetisjisme. Kosten-batenanalyses zijn in plaats van politieke eindoordelen gekomen. Bankierende overheden hebben daar aan zeker verdiend maar hebben ook door incidenten als Icesave geleid tot reputatieverlies van bestuurders als hoeders van schaarse belastingmiddelen.
Inmiddels wordt het idee verlaten dat de markt superieur is, dat bedrijfsmatig management verkieslijk is, dat prestatiebeloningen ook voor ambtenaren moeten gelden. Minister van Financiën Bos bracht het nog zuinig eerder dit jaar, bij staatsdeelnemingen geldt niet meer ‘markt tenzij’ maar ‘publiek tenzij’. Het leek een eerste kentering. Maar misschien is het tijd om niet meer zo zuinig en pragmatisch te kijken naar de balans overheid markt.
Zonder nu te betogen dat de overheid net als bij de banken meer bedrijven moet nationaliseren, is het wel tijd na te gaan of niet op meer terreinen het Markt tenzij principe verlaten moet worden. Waarom commercialiseren we de zorg, thuishulp, onderwijs, uitvoering van overheidstaken als sociale diensten, infrastructuuraanleg- of onderhoud of reïntegratie? Als publieke organisaties hun taken niet helemaal naar behoren uitvoeren, is te snel gezocht naar marktoplossingen. Oplossingen die hun eigen feilen kenden.
De tijd en energie die is gestoken aan het doen ontstaan van markten, taakuitbesteding, kundig opdrachtgeverschap kan beter besteed worden aan verbetering van bestaande publieke dienstverlening? Gewoon publieke organisaties belangwekkende taken toevertrouwen, toereikende budgetten beschikbaar stellen en hoge eisen stellen aan de taakuitoefening. Niet langer naïeve koppentaakstellingen leggenmaar slecht presenterende organisaties aanpakken en afscheid nemen van falende managers. Als dat de nieuwe trend wordt in het publiek management teken ik daarvoor.
vrijdag, oktober 24, 2008
Apologie van een wethouder
Overal wordt dezer dagen gedebatteerd over de politieke gevolgen van de kredietcrisis voor bestuurders. Wie draagt de verantwoordelijkheid voor de verliezen die publieke instellingen lijden door het onderbrengen van liquide middelen bij inmiddels vrijwel gefailleerde banken als Lehman Brothers of IJslandse banken? Meestal wordt de zaak zó voorgesteld:
Onze organisatie beschikt over liquide middelen die niet altijd direct nodig zijn. Een deel van het geld is pas verder in een jaar, het volgende jaar of nog later pas echt nodig. Het geld staat dus ergens op een bank. Om de risico's te spreiden meestal niet bij één maar bij meerdere. We hebben inderdaad regelmatig geld over, doordat pas gedecentraliseerd rijksbeleid niet zo snel tot besteding komt, doordat ontvangsten voorafgaan in de tijd aan uitgaven of door positieve jaarresultaten. En we hebben potjes voor latere investeringen natuurlijk.
Iedere keer wanneer een bedrag beschikbaar is, vergelijken we aanbiedingen van geldmakelaars en banken en kiezen we de aantrekkelijkste aanbieding. De wet vraagt ons om liquide middelen integer te beheren en alleen banken met tenminste een A-rating ons geld toe te vertrouwen. Wij hebben ons aan deze wet gehouden en het geld gespreid en altijd banken met een minimale A-rating gezocht. Eigenlijk was dit lopende band werk, per jaar sloten we wel tientallen van zulke deposito's af en feitelijk ben ik als politiek bestuurder nauwelijks betrokken bij dagelijkse beslissingen ter zake. Door de jaren heen hebben we aardig geboerd. Als we vergelijken wat we aan rendement maakten op onze uitgezette middelen ten opzichte van een gewone rekening-courant mag ik zeggen dat we ver in de plus zitten. Ik heb de cijfers niet direct paraat maar vertrouwt u me maar op mijn woord. Wij dekten met goede spaarresultaten regelmatig de gaatjes in de begroting die anderen lieten vallen. Of dat ook komt doordat we goedkoop geld aantrokken dat we vervolgens tegen een beter percentage kunnen uitzetten is me niet helemaal duidelijk, maar dat wordt nu uitgezocht. Het zou niet in de geest zijn van het treasurystatuut dat we hier sinds 2002 hebben, maar ik durf er mijn hand niet voor in het vuur te steken. Dit soort dagelijkse beslissingen onttrok zich in zekere zin ook aan mijn waarneming.
Den Haag moet zich natuurlijk niet gaan bemoeien met onze beheersbeslissingen zoals nu dreigt dat ze ons gaan voorschrijven dat we alleen bij de BNG of zelfs bij Financiën gaan bankieren. Ons geld beheren we zelf en daarvoor ben ik verantwoordelijk. Dat we nu een aanzienlijk bedrag lijken te hebben verloren betreuren we natuurlijk zeer. Gelukkig kunnen we dit opvangen en hoeven de belastingen niet omhoog. We moeten wel de lange termijngevolgen bezien. Uit al het voorgaande kom ik daarom niet tot de conclusie dat mij politiek iets aan te rekenen valt.'
De burger hoort het met open mond aan. Miljoenen kwijt en niemand verantwoordelijk? Wie niet adequaat heeft opgetreden moet aftreden.
maandag, oktober 20, 2008
3X winst voor Financiën
Vorige en deze week is het idee geopperd medeoverheden te verplichten banktegoeden te parkeren bij het ministerie van Financiën. Dit zou een verdere uitbreiding van de machtsbasis van Financiën betekenen, die toch al snel groeit. Zie ook de geslaagde aanpak van topsalarissen in de publieke, semi-publieke en nu zelfs private sector. In tien jaar tijd is de invloed van Financiën fors gegroeid, een trend die is overgewaaid uit landen als Canada en het Verenigd Koninkrijk. Daar is de zittende minister van Financiën steeds vaker de kroonprins en opvolger van de premier, iets wat tien jaar geleden ook Kok lukte en straks misschien Bos.
Het opnieuw opbouwen van haar machtsbasis was nodig omdat Financiën eerder, vooral in de jaren zeventig en tachtig vaak geen toereikende positie had in de beheersing van de overheidsuitgaven. Vijfentwintig jaar geleden had Nederland zelfs even een financieringstekort van 10% op de rijksbegroting. De regie die met toen kwijt was is gaandeweg op veel terreinen terugveroverd. De financiële crises helpt weer een stukje. Dit keer ten opzichte van medeoverheden.
De achterliggende decennia zijn door Financiën eerst gebruikt om budgettair orde op zaken te stellen binnen de rijksoverheid. Onbeheersbare uitgavenregelingen werden dichtgeschroeid en afspraken over reductie van het financieringstekort werden steeds strikter vastgelegd in regeeraccoorden. De Europese besluitvorming rond het Stabiliteitspact gaven Financiën een sterke binnenlandse positie bij het vaststellen van steeds striktere budgettaire mores. De in steen gebeitelde regels budgetdiscipline, politieke afspraken binnen het kabinet om uitgavenproblemen snel en zelf op te lossen doen de rest, zelfs ons parlement bindt zich er vrijwillig aan.
Ook het in de jaren negentig geboekte terreinverlies ten opzichte van zelfstandige bestuursorganen is bijna geheel gecompenseerd. Immers, Financiën zag met lede ogen aan dat daar topsalarissen werden betaald en grote hoeveelheden geld omgaan, die vrijwel buiten haar bereik bleven. Dat is inmiddels goedgemaakt door salarismaximering en de invoering van het zogenaamd schatkistbankieren, wat medeoverheden nu mogelijk ook te wachten staat.
Schatkistbankieren is drie keer winst voor Financiën. Hoe werkt het?
Om te voorkomen dat zelfstandige bestuursorganen en bijvoorbeeld politiekorpsen liquide middelen risicovol beleggen, danwel leningen verstrekken aan niet solvabele partijen (of sparen bij niet solide banken) moeten zij bij wet alle liquide middelen verplicht stallen bij Financiën. Daar kan er immers niets mis mee gaan, Financiën is ‘triple A met een plusje’. Maximale zekerheid voor de belastingbetaler is de redenering. Ten tweede ‘profiteert’ de rijksbelastingbetaler omdat de rente die door Financiën wordt vergoedt aan de sparende rekeninghouder minder is dan Financiën op de geldmarkt kwijt zou zijn als ze daar geld moest lenen. Dat is goed voor de rijksbelastingbetaler. Ten derde houdt Financiën door schatkistbankieren tot op dagbasis zicht op de ontvangsten, uitgaven en saldi van rekeninghouders. Zou in enig jaar in december de 3%-grenswaarde voor het EMU-saldo in zicht komen, waarvoor saldi van rijks, medeoverheden en zelfstandige bestuursorganen immers meetellen, dan kan Financiën razendsnel haar overredingskracht aanwenden en alle partijen bewegen uitgaven op te schorten of te verplaatsen tot na de jaarwisseling.
De aanleiding voor de invoering van schatkistbankieren was destijds het mislukte Ceteco-avontuur van Zuid-Holland. Die kleine crisis verzilverde Financiën met snelle regelgeving voor zbo’s en de wet Financiering decentrale overheden. Nu is een verdergaande stap denkbaar geworden waarbij ook gemeenten en provincies verplicht zijn om te gaan schatkistbankieren.
Daar is vanuit hun perspectief veel tegenin te brengen maar schatkistbankieren is drie keer winst voor Financiën en die lijkt aan de winnende hand. Bos beschermt met schatkistbankieren het geld van provincie- en gemeentebesturen. Hij financiert zijn eigen nog steeds bestaande geldbehoefte voordelig. En ziet tot slot iedere stuiver van medeoverheden passeren, wat zonodig interveniëren vergemakkelijkt. Als dergelijke wetgeving erdoor komt, is dat uit beleidswetenschappelijk oogpunt een mooi staaltje geslaagd crisismanagement.
zaterdag, oktober 11, 2008
Buiten spel gezet
Eerst dacht ik dat ‘Vreugdevuur der IJdelheden’ de beste beschrijving zou geven van de loutering van een bankier, zoals Tom Wolfe twintig jaar geleden deed. Maar romanheld Sherman McCoy past niet op de profielen van de huidige generatie bankiers. Dichter bij huis is een veel passender beschrijving gemaakt toen historicus Marcel Metze in 1993 ‘De geur van geld’ publiceerde. Het vertelt de wordingsgeschiedenis van de ING, uit Postbank en NMB enerzijds en verzekeraar Nationale Nederlanden anderzijds. De Volkrant noemde het ‘een boeiende schets van de zeden en gebruiken in de top van het bankwezen’.
Pijnlijk zijn de verhalen over de bankiers die door DNB tot opstappen werden aangezet, omdat ze met hun vingers in de snoeptrommel hadden gezeten. De vermeende winnaars van het eerste uur, de NMB-bankiers die meenden een grote vis aan de haak te hebben geslagen, werden door diezelfde Postbakvis in de plomp getrokken en meegesleurd naar peilloze dieptes. De door Metze opgetekende sketch die de echtgenotes van de NMB-top opvoerden op een onderling feestavondje (op een dag zetten de ‘post’bezorgers van de fusiegenoot jullie aan de kant en bezorgen jullie nog slechts de post) werd vrijwel bewaarheid. Pas Aad Jacobs bracht het ING-concern in rustiger vaarwater. Maar toen waren al wel groteske overname- en fusiepogingen van Belgische banken (sic) gestrand en ego’s en carriers roemloos gesneuveld. Lezen dus dat boek, of herlezen. Want er lijkt weinig geleerd.
De slotregels van Metze lijken zelfs profetisch. ‘Als de NMB-affaires één ding duidelijk hebben gemaakt, dan is het dat de DNB moet worden beschouwd als een bastion van Hollands calvinisme, dat ondanks alle sfeerveranderingen in de jaren tachtig toch nog steeds vindt dat de geur van geld in wezen een minder aangename is’.
Maar net zoals toen kennen we ook nu verliezers en winnaars. De 120.000 spaarders die dachten dat ijs safe was hadden zich vergist maar lijken grotendeels gered. Beleggers in Fortis en andere fondsen zijn verliezers maar dat hoort bij het aandelenrisico. Of pensioentrekkers goed weg komen is nog onzeker. Tal van Britse overheidslichamen zijn flink getroffen, zoals Transport for London dat een heleboel congestiemuntjes op een grote hoop had gegooid bij Icesave maar weinig zal terugzien. Ook in Nederland zien we schoorvoetend de bekentenissen loskomen wie publiek geld verkeerd heeft geparkeerd.
De winnaars? Balkenende kreeg slechts een glimpje roem maar voorlopig lijkt de grootste winnaarpremie naar Wouter Bos te gaan plus ex-Financiën-ambtenaar Welling.
De grootste verliezer is ons parlement. Toen het erop aankwam werden ze slechts achteraf geïnformeerd, zowel toen een miljardenbedrag voor Fortis beschikbaar kwam als toen de hele bank werd overgenomen. Ook toen Icesaveklanten werden gesauveerd en zelfs toen er daarna twintig miljard (of zonodig meer) voor de financiële wereld werd losgemaakt stond het parlement buiten spel. Haar rest slechts een rol in de aftiteling, om de geschiedenis van de recente verwikkelingen in de financiële wereld te documenteren. Maar dat kan Metze misschien beter.
dinsdag, oktober 07, 2008
Hoop voor HRM
HRM is een lastig vak, want iedereen ‘heeft er verstand van’. Het is eigenlijk net als met leiderschap. Iedereen vindt er iets van. Maar vindt eens een ordelijk, met onderzoek onderbouwd boek over de effectiviteit van leiderschapsstijlen. Die zijn veel schaarser.
‘Bedrijfskundige aspecten van HRM’ is de titel van een belangwekkend HRM-boek dat eerder dit jaar onder redactie van Frits Kluijtmans bij Noordhoff is verschenen. Het boek behandelt een aantal goede vragen. Bijvoorbeeld: we kunnen vaststellen wat HRM-activiteiten kosten, maar wat levert het op?
De auteurs leggen als antwoord op deze vraag een goed onderbouwde relatie tussen HRM-activiteiten (selectie, training, coaching), HRM-uitkomsten (tevredenheid, motivatie, loyaliteit) en organisatieprestaties (klanttevredenheid, productiviteit, resultaat). Sommige aangehaalde onderzoekers gaan in hun beweringen zelfs zo ver dat ze een financiële relatie leggen tussen de groei van de HRM-uitgaven en de ontwikkeling van de omzet of de winst per medewerker.
Maar de boekauteurs zijn fair genoeg om dit soort bevindingen wat te relativeren. Zo kan een vastgestelde relatie tussen HRM-uitgaven per medewerker en omzet twee zaken indiceren. Ofwel veel HRM-uitgaven helpen de organisatie daadwerkelijk beter te presteren. Ofwel goed presterende organisaties geven veel geld uit aan HRM.
Op deze wijze komen in het boek een veelheid aan onderwerpen aan de orde. Te denken valt bijvoorbeeld aan hele praktische vragen, zoals wat - op basis van de transactiekostentheorie van Williamson - de mogelijke beslisregels zijn wanneer je beter iemand voor een taak tijdelijk kan inhuren of juist vast in dienst kan nemen. Maar ook meer strategische vragen, bijvoorbeeld hoe de HR-functie verschillende posities kan innemen afhankelijk van het stadium van ontwikkeling van de organisatie. En actuele vragen als hoe HR bij kan dragen aan de branding van het ‘merk’.
Wie dit boek leest, zal een pijnlijke kloof vaststellen tussen de potentie van de HR-professie - zoals die uit het boek naar voren komt - en de dagelijkse realiteit. De elf hoofdstukken van dit boek bieden echter veel inspiratie en concrete aanknopingspunten voor de praktijk. Als in een volgende druk nog iets meer inspirerende cases voorkomen - zonder dat casuïstiek de grondigheid van de hoofdstukken teniet doet - en er iets meer oog is voor specifieke opgaven in not-for-profit organisaties en overheid, is er nog meer reden het boek te benutten.
zondag, oktober 05, 2008
Goed nadenken
Tim Hartford is een undercover econoom. Zijn gelijkluidende boek ‘The undercover economist’ droeg ik bij me op een recente reis langs drie buitenlandse zusterbedrijven. Iedere avond aan tafel besprak ik met mijn reisgenoten het volgende vrolijke hoofdstuk. Zoals de uitleg waarom je eigenlijk nooit een goede tweedehands auto kan kopen. Of waarom stationscappuccino zo duur is maar de uitbater van de coffeecorner er toch niet rijk van wordt (wie wel legt Hartford uit). En waarom overheidsingrijpen vaak zo beroerd uitpakt.
Tijden de reis bleek Hartfords eigenwijze, onderzoekende stijl van denken en vragen stellen aanstekelijk. Gedurende alle opeenvolgende interviews werden ook mijn reisgenoten en ik steeds scherpzinniger en analytischer. Steeds meer volgden we onze verbazing over de soms half affe redeneringen van onze gesprekspartners. Vroeger we door. Toegegeven, we scheerden wel eens langs de rand van de beleefdheid, maar hielden we op zijn Hartfords niet op met doorvragen.
Bijvoorbeeld bij een geprivatiseerde overheidsorganisatie waar na lang doorvragen geen enkele economische prikkel effectief bleek te werken. Er werd dan ook al sinds de oprichting een negatief jaarresultaat geboekt en de totale schuld was sinds de privatisering verdubbeld. ‘Ligt er dan niemand wakker van op het ministerie of bij jullie’, probeerden we bij de CFO? ‘Tja, mijn oude vader’, gaf hij toe, ‘die denkt dat het bedrijf failliet gaat maar dat kan helemaal niet. Maar wij hier slapen goed hoor.’. Of het gesprek met de top van een PPS-consortium die een groots nieuw prestigeproject mocht bouwen. Men vertelde tussen de regels door maar zichtbaar trots hoe het consortium deze opdracht van de overheid had gekregen. ‘Gekregen, zonder concurrentie, kan dat nog in Europa’, wilden we weten? Tja, blijkbaar nog steeds.
Goed nadenken, doordenken en doorvragen zijn natuurlijk ook kerncompetenties voor controllers. Maar waar waren deze controllers toen banken, pensioenfondsen en hypotheekverstrekkers fatale risico’s namen? Toen slechte hypotheken werden gestapeld tot slechte derivaten. Toen te dure overnames en perverse prestatieprikkels werden doorgevoerd. Deden of doen risicoanalisten en businesscontrollers wel voldoende hun werk als ‘corporate policemen’? Of waren ze te zeer ‘businesspartner’? Deelden ze zelf ook mee in ontijdige prestatiebeloningen van de top.
Het zijn de pijnlijke vragen die de komende weken en maanden beantwoord moeten gaan worden, op zijn Hartfords. Goed nadenken, doordenken, en doorvragen. ‘Food for thought’ zouden de Britten zeggen..
vrijdag, september 26, 2008
Slecht financieel advies
‘I am sorry’, luidde het afscheidsbriefje 121/2 jaar geleden van Nick Leeson toen hij spoorslags verdween en de Baringsbank naar de afgrond voerde. In de film Rogue Trader wordt zijn verhaal naverteld. ‘De ambitie van één man leidde tot een van de grootste financiële catastrofes in de geschiedenis’, volgens de filmtrailer. Maar dat was 1999 en werd één bank getroffen, nu in 2008 gaat het om veel meer. Hoewel, misschien is Leeson wel de bekendste maar zeker niet de grootste mislukkeling. Hij staat slechts negende op de lijst van opmakers. Acht anderen verbrandden meer geld van hun bazen en klanten.
Voorlopig wordt de top-30 van voor deze barre financiële herfst aangevoerd door de Fransman Jerome Kerviel die begin dit jaar bijna vijf miljard euro liet verdampen van zijn Franse werkgever Societe Generale. Maar misschien heeft u niet eerder gehoord van de nummer twee, de Canadese wiskundige Brian Hunter die als twintiger al bijna 50 miljoen in twee jaar verdiende voor zijn eerste werkgever maar daarna in 2006 bijna vijf miljard verspeelde met speculaties op energietransacties.
Nee, Leeson die minder dan een miljard euro verspeelde is in dit rijtje van louter heren een kleine jongen.
Verder valt op dat in de top dertig van schandalen acht Europese voorvallen staan en ook dat tweederde van de schandalen in de laatste tien jaren plaatsvond. Slechts drie van de top dertig schandalen betroffen aandelen, het overgrote deel derivaten, waar met een kleinere inleg een veel hogere winst (of verlies) mogelijk is. Kortom, grandioze mislukte beleggingen komen wereldwijd voor, hebben aan omvang gewonnen door de derivatenhandel en worden veroorzaakt door overijverige mannen en tekortschietende risicobeheersingsmaatregelen.
Al ruim een decennium geleden is hiervoor een hele beroepsgroep ontstaan die ‘het management van de organisatie ondersteunt met risicoanalyses en aanbevelingen doen over de te volgen strategie voor de beheersing van risico’s’. Ze verkopen hun professie met slogans als ‘de snelste auto’s hebben de beste remmen nodig’. Schandalen zoals veroorzaakt door Nick Leeson, de boekhoudschandalen bij Enron en Ahold en de mislukte beleggingen van de provincie Zuid-Holland en elders, alles wordt gebruikt als argument voor meer en beter risicomanagement.
Toch zit misschien de opkomst van risicomanagers wel de kiem van veel ook recente mislukkingen in de financiële wereld. Alle ‘business control risc advisors’ binnen banken, auditfirma’s en publieke toezichthouders tezamen hebben er niet voor kunnen zorgen dat najaar 2008 blijkt dat veel banken en verzekeraars door risico-onderschatting rijp zijn voor de sloop. Goedbedoelende adviseurs hebben het topmanagement in slaap gesust met hun onnavolgbare sommen en spreadsheets en zo roekeloze beleggingen gelegitimeerd. Of ze hebben er in hun modellen te weinig rekening mee gehouden dat de top gevoeliger is voor de verlokkingen van eigen gewin door risicovol gedrag, dan voor de lange termijn stabiliteit van de onderneming. In beide gevallen is er reden voor herbezinning op de bijdrage van risicoadviseurs in de financiële wereld.
maandag, september 15, 2008
Hoera hij is er weer!
Opstellen aangeboden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Dat is de ware status van de miljoenennota waar Frits Wester en zijn RTL-nieuws jaarlijks naar op zoek is.
De NRC troefde hem vorig weekeinde af en verdiende er waarschijnlijk een paar centen mee via een hogere oplage maar verspeelde ook aanzien. Juridisch bezien is de miljoenennota ‘papier’, meer niet. Het is geen besluitvormingsdocument zoals een begrotingswet. Die kun je amenderen, wegstemmen of goedkeuren. Een wet creëert rechten, plichten of anderszins. Die status ontbeert de miljoenennota. Maar het is wel een stapel papier waar veel aan wordt opgehangen.
Al 102 jaar verwoordt de miljoenennota de financiële visie op heden en toekomst van het zittende kabinet. Tot 1906 werd er slechts een miljoenenrede door de minister van Financiën uitgesproken, vanaf toen is de rede vervangen door geschreven teksten met steeds dikkere bijlagen vol cijfers. De viering van ‘honderd jaar miljoenennota’ leverde zelfs een mooi boekje op van voormalige Financiën-topambtenaar Jan Postma.
Stabiel is de inhoud van de miljoenennota niet. In de loop der jaren kwamen en gingen thema’s en bijlagen. Onderwerpen als financieel management verdwenen bijvoorbeeld, er kwamen meer internationale en vooral Europese getinte beschouwingen voor in de plaats.
Vrolijk stemmend is altijd weer hoe de ambtenaren van Financiën internationale statistieken van IMF, OESO of Europese Centrale Bank weten op te snorren die onderstrepen dat het gekozen beleid ofwel hard nodig is - omdat we Europees bezien ergens laag op scoren - ofwel bevestigen dat het ingezette beleid goed uitpakt en we er vooral mee moeten doorgaan. Als er geen Europese statistieken te vinden waren, werd in andere jaren rustig Amerika of zelfs exotische landen Singapore opgevoerd als inspiratiebron of referentiekader.
Sommige cijferbijlagen zijn en blijven vrijwel onbegrijpelijk, zoals de verticale toelichting. Maar de enkelen die ze proberen te doorgronden of zelfs denken te snappen smullen ervan. In deze bijlage is te lezen hoe mee- en tegenvallers zijn herverdeeld tussen beleidsterreinen en in welke mate de minister van Financiën meevallers heeft ‘ingepikt’. Feinkost voor de liefhebber, een modern soort Kremlinwatching hoe sterk Bos staat tegenover vakministers.
Wat verbaast is dat door de tijd heen de miljoenennota het dragende document is geworden ook bij de grote algemene politieke beschouwingen. De minister-president dreigt bijna onzichtbaar te worden door alle aandacht voor Bos’ miljoenennota enerzijds en de door de koningin uitgesproken troonrede anderzijds.
Dat je aan het uitventen van de miljoenennota kunt verdienen -zoals de NRC nu - bleek overigens op een andere wijze al tijdens mijn studiejaren. De toenmalig hoogleraar Jo Ritzen had de nota voorgeschreven als verplichte kost voor het college Openbare Financiën. Voor studenten was het echter een dure maar weinig duurzame aanschaf. Tot een slimme student ontdekte dat Financiën bereid was op aanvraag hem dozen vol miljoenennota’s te verzenden ‘voor onderwijsdoeleinden’. Waarna ze vervolgens in de collegezaal voor een paar gulden werden verhandeld.
Zo zie je maar weer, de miljoenennota is niet alleen leesbaar en leerzaam, je kunt er zelfs wat aan overhouden.
zondag, augustus 31, 2008
Politici of deskundigen?
Column Binnenlands Bestuur dd 5 september 2009
Twee mooie debatten de laatste dagen en in beide gevallen hetzelfde onderliggende vraagstuk: moeten we de besteding van geld overlaten aan politici of deskundigen? Zowel bij kunstsubsidies als besteding van aardgasgeld was dit aan de orde.
Na de bekendmaking van de verdeling van subsidies leek het of de kunstensector door een clusterbom was getroffen die dood en verderf had gezaaid. Tirades werden afgestoken over willekeur, bureaucratie en gebrek aan deskundigheid van … de deskundigen die over hun lot beslist hadden. Als we de verliezers mogen geloven tenminste. De politiek zou deze verdeling weer in handen moeten nemen, werd wel geopperd.
Bij de besteding van aardgasgelden via het Fonds Economische Structuurversterking (FES) was het debat juist andersom. Medewerkers van de Nederlandse bank betoogden dat het huidige FES niet optimaal werkt. Aardgasgeld zou moeten worden besteed aan investeringen en verlaging van de staatsschuld. Maar de praktijk is dat onze langstzittende minister van Financiën Zalm met aardgasgeld behalve de Betuweroute en HSL en wat wegen te betalen ook voor tientallen miljarden aan gaten in de begroting gedicht heeft. Daarom zouden de aardgasgelden beter kunnen worden belegd in aandelen waarna alleen de jaaropbrengsten aan de politiek worden toevertrouwd. Belegd door wie? ‘Door deskundigen zoals de mensen van het ABP natuurlijk’, riep onder andere de Volkskrant,. Tja, wat is wijsheid.
Op meer dan een plaats is het inmiddels gebruik geworden dat de verdeling van gelden niet (meer) door politici plaatsvindt maar door deskundigen. Dat is eigenlijk niet helemaal correct verwoordt: onder de verantwoordelijkheid van een bestuurder. Deze ontwerpt een verdelingsysteem en is daarop aanspreekbaar. De feitelijke verdelingskeuze wordt toevertrouwd aan deskundigen. Een beetje politiek en een beetje deskundigenbestuur samen dus eigenlijk. Zo immuniseert de politicus zich voor een al te heftige publiciteitslobby na de gemaakte keuzen die hem zelden veel goeds oplevert. Immers, de winnaars houden zich stil, de verliezers roeren de trom, zoals bij de kunstsubsidies. Plasterk krijgt onder uit de zak.
Is er een alternatief? We kunnen de sector zelf keuzen laten maken via een soort Poolse landdag. Dat wordt waarschijnlijk een bloedig tafereel, maar het idee is misschien een toneelstuk waard. De markt of het publiek laten beslissen door toeschouwersaantallen of sponsorgelden als maatstaf voor subsidietoekenning te hanteren? Kan ook maar als dit criterium te zwaar weegt kan de overheid nog lastig zelf richting te geven aan de ontwikkeling van de kunsten. Decentraliseren en zo de pijn verschuiven? Kan maar het betekent de voortzetting van de strijd op een andere plaats.
Daarom is politiek geregisseerd deskundigenbestuur nog niet zo’n gekke stap, mits de regels van het spel transparant zijn, op welke gronden gekozen wordt, wie de keuzeheren aanwijst en welke zorgvuldigheidseisen en bezwarenprocedures bestaan.
Zo bezien is er niets op tegen als het ABP onze aardgasgelden gaat beleggen. Mits dat maar gebeurt via een transparant beleggingsmodel met een duidelijke politieke instructie. Dus niet in clusterbommen. Waaraan wel? Is het een idee te beleggen in wegen spoorwegen en andere infrastructuur?
.
.
vrijdag, augustus 29, 2008
Presteren kun je leren
Klaar met tijdschrijven vandaag? Voldoende onderzoeken afgerond? Deadlines gehaald? Voor steeds meer ambtenaren is prestatiemeting en -verantwoording een gewone zaak. En ze lijken daar maar wisselend tevreden over. Sommigen zijn zelfs ronduit negatief. Prestatiemeting: een gruwel. Toch wordt het misschien tijd deze scepsis overboord te zetten en nog één keer een afgewogen boek er over te lezen dat zojuist is verschenen. Het geeft een fair en realistisch beeld van de mogelijkheden en valkuilen bij prestatiemeting. De afgewogen conclusie : prestatiemeting kan nuttig zijn maar vergt een wijs gebruik. Zoals dat eigenlijk geldt voor alle sturinginstrumenten.
Veel instrumenten uit het bedrijfsleven zijn bij de overheid door misschien wel ontijdig of onoordeelkundige gebruik snel weer van tafel geraakt. Een van de blijvertjes is echter prestatiemeting. Eerst in de jaren zeventig en tachtig gekoppeld aan begrotingen. Later meer om verantwoording af te leggen. Maar gaandeweg ook steeds meer voor de sturing, bekostiging en verantwoording van uitvoerende diensten. Dit terwijl de kranten en tijdschriften ook regelmatig melding maken van onoordeelkundig gebruik van prestatiemeting. Er blijft ondanks de mislukkingen een voedingsbodem voor bestaan, zij het dat door schade en schande wel belangrijke lessen zijn geleerd.
Zeven auteurs hebben hierover samen een mooi breed boek geschreven. Breed zowel omdat het diverse overheidsterreinen bestrijkt, als de daarop volgende analyse hoe prestatiemeting nu wel en niet nuttig kan zijn. Het boek bevat veel eye-openers. Hoe in het stad- en streekvervoer slim gebruik wordt gemaakt van prestaties om offertes te vergelijken. Hoe bij de politie is voorkomen dat veel ‘gemakkelijke bonnen’ werden uitgeschreven enkel en alleen om de prestatiedoelen te halen. Hoe het in de zorg door gebrek aan keuze voor consumenten ondanks de ranglijst met prestaties van ziekenhuizen toch lastig blijft om echt te kiezen.
Het boek eindigt met praktische tips, waaronder zelfs uitgeschreven sjablonen voor de vormgeving van prestatiecontracten.
Een heus gemis is dat er zelfs niet één hyperlink is naar bestaande –vaak openbare- digitale bronnen, om als lezer zelf kennis te nemen van bestaande contracten en andere documentatie over prestatiemeting. Dat is voor een modern boek wel heel erg 20e-eeuws.
donderdag, augustus 28, 2008
Kost en uitwoning
Campings door heel Europa modderen maar wat aan met hun tariefstelling. Dat bleek weer tijdens onze vakantie deze zomer. Met de beste bedoelingen wordt er een rommeltje gemaakt van tariefbepaling en kostprijsberekening. Het lijkt de bedrijfsmatige overheid wel.Eén tarief voor een nachtje kamperen is een uitzondering. Vaak brengt de campingbaas een trits aan kosten in rekening, elk apart op de afrekening genoteerd. Het begint met de staanplaats natuurlijk, groot of klein, met of zonder eigen water of rioolvoorziening, stroom of kabelaansluiting. De auto. Een prijs per persoon, vaak gespecificeerd naar leeftijd. De hond (poezen gratis). Voor de stroom soms een vast bedrag, soms naar hoeveelheid ampère. De wifi-aansluiting, per uur, dag of week. Het aantal gedraaide wasjes, afgenomen broodjes, ijsjes, koffie, bier en meer. En toeristenbelasting. Tien of meer variabelen was deze zomer heel gewoon.De een zal zo’n uitgebreide specificatie een gevoel van fairness geven, ieder betaalt immers naar zijn of haar specifieke omstandigheden. Voor een ander is zo’n specificatie overbodig. Geef hen maar een all-intarief, dan weet je vooraf waar je aan toe bent en kun je eten, drinken en vakantie houden zonder verrassingen. De laatsten lijken in de hotelwereld aan de winnende hand. Op de camping heerst nog de uitgebreide specificatie als richtsnoer.Tussen departementen van de rijksoverheid en de vele tientallen voor hen werkende uitvoeringsorganisaties is ook zo’n richtingenstrijd aan de gang. Is het budget ‘de hoeveelheid maal de prijs, om het simpel te zeggen? Of krijgen uitvoeringsorganisaties hun geld via tevoren afgesproken kostprijsberekeningsmodellen? De gedetailleerde rekeningen van de camping, zeg maar. Het eerste heeft ieders voorkeur, maar als er meningsverschillen ontstaan over geleverde prestaties en benodigde budgetten beweegt het debat zich richting de gedetailleerde kostprijsberekening.Nu is het een voorschrift van het ministerie van Financiën dat agentschappen moeten beschikken over zo’n kostprijsberekeningmodel. Maar ook zo’n model lost zelden budgettaire meningsverschillen op. Daarvoor is het veel te arbitrair, want welke kosten worden aan welke producten en diensten toegerekend?Aan het einde van het debat, als globale sturing op prestaties en kosten niet voldoet, en ook kostprijsberekeningsmodellen geen oplossing bieden, valt men daarom gewoon terug op klassieke budgettaire sturing. Het departement vertelt hoeveel budget er komend jaar beschikbaar is en welke prestaties men ongeveer verlangt. De uitvoeringsorganisatie legt uit dat men voor dat budget niet alles kan realiseren, maar belooft zich in te spannen zonder garanties te geven.Beide weten dat er geen andere uitweg is. Men is tot elkaar veroordeeld en moet nog langer samen optrekken, met of zonder kostprijsmodellen. Jammer is alleen dat zoals Nobelprijswinnaar Roald Coase al eens uiteenzette alle tijd en moeite rond de weinig gebruikte kostprijsmodellen ook zo zijn prijs heeft. Die wordt door de burger wel betaald, zonder dat er veel tegenover staat.
vrijdag, juli 18, 2008
Soms moet de nanny-staat maar
Toegegeven, het gaat nog om geruchten maar met enige verbijstering las ik dat er ideeën bestaan om de verkeersveiligheid van ouderen te vergroten, door 55-plussers te verplichten met zijwielen te gaan fietsen. Roken mag bijna nergens meer, drinken alleen met mate, drugs zijn vrijwel verboden, vet eten of weinig bewegen wordt ontraden enzovoort. De nanny-staat lijkt alomtegenwoordig.
Vandaar dat u mijn navolgende pleidooi voor een beetje méér financiële overheidsbetutteling misschien niet direct serieus neemt. Toch is het wel zo bedoeld.
Nederlanders kunnen namelijk niet met geld omgaan En dat richt grote en kleine rampjes aan die te voorkomen zijn. Ik zou het daarom toejuichen als er meer aandacht komt van de overheid bij de financiële huishouding van burgers. De pijn zit lang niet alleen bij mensen met een onaflosbaar hoge schuld, persoonlijke faillissementen of tieners met torenhoge telefoonrekeningen. Daarachter zit nog een miljoenenpubliek dat de eigen huishoudportemonnee eigenlijk heel slecht bestiert. Dan doel ik even niet op beleggers die de ‘verkeerde aandelen’ kopen, dat hoort erbij. Neen, er zijn andere echte pijnlijke voorbeelden te over.
Zo hebben miljoenen Nederlanders het vorig decennium een peperdure kapitaalverzekering afgesloten in de jacht op beurswinsten, via de Legio Winstverdriedubbelaar of een half huis verspeeld via beleggingshypotheken en andere slapend-rijk-arrangementen. Even zovelen lenen bij de firma Scheringa-Zalm c.s. tegen hoge tarieven terwijl ze veel goedkoper elders terecht kunnen. Sterker: velen kopen op krediet terwijl ze eigenlijk over voldoende eigen middelen beschikken. Weer anderen blijken twee- of driedubbel verzekerd. Duizenden laten hun spaargeld op nauwelijks renderende rekening wegkwijnen en houden daar na de vermogensrendementsheffing van 1,2% en inflatie van 2-3% geen cent aan over.
Heel veel Nederlanders kunnen kortom niet goed met geld omgaan. Mijn punt is dat de overheid zich dat wel aantrekt maar alles via de aanbodzijde aanpakt. Zo is er een omvangrijke Autoriteit Financiële markten opgetuigd, waaromheen een hele toezichtindustrie is ontstaan. Die bakkeleit onophoudelijk met de aanbieders van financiële producten over de kleine lettertjes, de financiële bijsluiters en de grootte van advertenties.
Maar al die maatregelen aan de aanbodzijde kunnen niet verhelen dat er aan de vraagzijde, bij de burger of consument, sprake blijft van een vaak ondeskundig publiek dat als was is in de handen van geldverstrekkers, vermogensadviseurs, verzekeringsexperts en pensioenbureaus. Een betere financiële opvoeding van burgers zou daarom veel leed besparen. Tot nu toe staan adviseurs alleen de allerrijksten bij om orde te brengen in hun financiële huishouding. Maar wat te doen voor de minder rijken?
Een vak ‘persoonlijke financiën’ in het eindexamenjaar van middelbare scholieren? Een cursus en een soort ‘rijbewijs’ voordat men de financiële snelweg op mag? Een van de belasting aftrekbare second-opinion op een financiële check-up of bij grote beslissingen? Alles wat ik bedenk tart taboes over de nanny-state , maar niets doen is te makkelijk. Het is in de 21e eeuw tijd voor een beetje eigentijdse financiële inburgering.
maandag, juni 30, 2008
Zijn financials hun geld waard?
Vakbladen voor afstudeerders of ‘young professionals’ melden al jaren lang dat er schaarste is aan financiële professionals, zowel in het bedrijfsleven als bij overheid. Die schaarste heeft er inmiddels toe geleid dat relatief hoge salarissen en bonussen worden betaald aan startende of ervaren financials, zonder dat die zich echter professioneel sterk hoeven te ontwikkelen. Dat vraagt om actie.
November en juni zijn de maanden waarin beslissingen worden genomen door ambitieuze ambtenaren of ze deel gaan nemen aan vervolgopleidingen bij instituten en universiteiten. Altijd een spannende tijd voor opleidingmanagers, komen er voldoende goede kandidaten? Inmiddels kunnen geïnteresseerde kandidaten kiezen uit een groeiend aantal puike opleidingen, waar financiële allrounders worden opgeleid tot professionals, bijvoorbeeld public controller of andere soortgelijke kwalificaties op masterniveau. Ondanks het succes van deze opleidingen is het opmerkelijk hoe weinig mensen per saldo deelnemen aan financiële master- of voortgezette vakopleidingen. Zeker wanneer dit wordt vergeleken met de sterk gegroeide grootte van de financiële functie bij de overheid.
De reden is eenvoudig. De schaarste aan financials is zo groot, dat ook zonder veel vervolgopleidingen een mooie carrière in het verschiet ligt voor de meest startende financials bij de overheid.
Econoom hoeft een startende financial allang niet meer te zijn, werkgevers zijn vaak al blij met bestuurskundigen of andere breed opgeleide academici die een enkel financieel vak gevolgd hebben. Eenmaal aangenomen zijn er voor starters vaak goed georganiseerde initiële opleidingen, zoals bij de Rijksacademie van het ministerie van Financiën. ‘Wat zijn de bevoegdheden van de Rekenkamer, hoe verloopt het begrotingsproces en hoe werkt een baten-lastenstelsel’, kortom het financieel a-b-c krijgt men aangeleerd.
Maar daarna rollen financials vrijwel als vanzelf door de ambtelijke rangen heen. Regelmatige promoties liggen voor de meeste financials om de twee tot drie jaar in het verschiet, doorgaans sneller dan in beleidsfuncties. Maar vreemd genoeg, echt inhoudelijke eisen aan hun professionele kwalificaties worden nauwelijks gesteld. De enige eis die bijvoorbeeld bij de rijksoverheid aan financieel directeuren wordt gesteld is dat het ministerie van Financiën instemt met de benoeming. Niet dat ze een passende opleiding hebben, relevante werkervaring is opgedaan of een financieel-economische graad is behaald. Ook aan zittende financials worden geen professionaliteiteisen gesteld. Moeten accountants en bijvoorbeeld advocaten jaarlijks verplicht veertig of meer uren aan vakopleidingen besteden, zulke eisen bestaan niet voor financials.
Misschien is het daarom ook geen wonder dat universitaire opleidingen openbare financiën vrijwel zijn verdwenen, er geen drie behoorlijke financiële tijdschriften meer zijn en bestaande masteropleidingen zoals aan de Erasmus Universiteit en de VU weliswaar worden geprezen, maar slechts een zeer beperkt bereik hebben.
Het is tijd voor verandering.
Aan financiële professionals mogen hogere eisen worden gesteld dan nu, anders worden ze lui en dom. Net als andere professionele beroepsgroepen zouden financiële medewerkers passende startkwalificaties moeten bezitten of behalen en jaarlijkse hun kennis verversen en verdiepen. Zodat ze hun hoge salaris niet alleen hebben te danken aan schaarste.
woensdag, juni 25, 2008
Wie heeft er tegenwoordig nog iets met boeken?
Mijn brievenbus raakte nou niet bepaald verstopt met felicitaties toen ik werd benoemd tot boekrecensent van BinnenbeRijk. Boeken, wie heeft daar immers nog wat mee?
Onderzoek leert dat ook hoger opgeleiden - na de verplichte nummers op de middelbare school en later op hbo en universiteit - weinig meer lezen. Typische boekkopers en lezers zouden vrouwen van boven de veertig zijn geworden. Abonneebestanden van kranten vergrijzen en NRC maakt bijvoorbeeld NRCNext om een nieuwe generatie krantenlezers te bereiken en binden. De gratis bladen mogen gerust het succesnummer van de laatste jaren worden genoemd. Denk maar eens aan kranten als Metro, Spits, De Pers en DAG. Maar ook voor professionals zijn er gratis bladen. Vaak zijn ze nog best goed ook. Ze vormen bovendien een laagdrempelige manier om het eigen vakgebied bij te houden en gevoel te houden voor de bestuurlijke context van het werk. En dat nog eens gratis ook, in een paar kwartier per week.
Favorieten
Mijn favorieten onder de gratis bladen voor professionals zijn Intermediair en Binnenlands Bestuur, maar nieuwe bladen als Re-public en PM Den Haag zijn ook het noemen waard.
Intermediair blijft een knappe mengeling van Elsevier en de wetenschapsbijlage van de Volkskrant: goede columnisten, soms een beetje gesundes Volksempfinden en breedte en diepgang in de wetenschapsverhalen. Mooi meegenomen is natuurlijk dat de publieke sector - een belangrijke bron van advertentie-inkomsten - steeds beter wordt belicht. Menige overheidsorganisatie beoogt inmiddels in het linkerrijtje van de Intermediair te komen als meest geliefde (publiek) werkgever. Enne… gratis via www.intermediar.nl!
Weekblad Binnenlands Bestuur is hét venster op de trends en thema’s van gemeente en provincie. Het blad kan zich kwalitatief meten met de katernen van de grote kranten. Maar omdat de grote kranten nu eenmaal geen publieke sector-bijlage hebben of alleen rijksbeleid coveren blijft Binnenlands Bestuur haar eigen plaats houden. Enne… gratis via www.binnenlandsbestuur.nl!
Kracht en zwakte
Tweewekelijks magazine PM Den Haag heeft als kracht en zwakte dat vooral Den Haag wordt belicht. Deels met een light touch met foto’s van borrels en symposia, maar ook met handige signaleringen van opkomende parlementaire activiteiten. Urgent nieuws brengt het blad niet vaak, maar de interviews met topambtenaren - die in de kranten bijna altijd door ministers worden verdrongen - vergoeden veel. Enne… gratis als je departementale baas het voor je koopt! Zie www.pm.nl.
Re-public ten slotte is een recente poging om jonge ambtenbaren aan het lezen te krijgen en zo adverteerders te vinden. Net nieuw, nog een beetje zoekend naar een eigen vorm, maar de moeite van het proberen waard. Zie www.rePublic.nl.
Tot slot: gratis bladen worden gelezen. U doet het nu tenslotte ook zelf...
maandag, juni 16, 2008
Voor de gek
Er drong maar weinig voetbal door in het zaaltje vol budgetexperts die de universiteit Leiden vorige week naar Den Haag haalde. Uit tien landen, van Nieuw-Zeeland tot Spanje en van Amerika tot Australië deelden praktijkmensen en academici hoe de budgettaire praktijken zich in hun land ontwikkelden. Over begroten in Italië onder Berlusconi, de verwachtingen van Obama en Nederland na Zalm. Ook successen en mislukkingen werden besproken van ooit veelbelovende vernieuwingen als de prestatiebegroting en het baten-lastenstelsel. Over retoriek en realiteit van ‘de bedrijfsmatige overheid’ dat nu bijna overal wordt beschouwd als het grote idee van gisteren.
Er was veel wederzijdse herkenning. Bijvoorbeeld hoe steeds meer landen budgettaire overschotten weten te bereiken. Maar, viel velen ook op, overschotten waar men niet altijd goed mee om weet te gaan. En die daarom soms snel verdwijnen door ‘leuke dingen voor de mensen in de vorm van belastingverlagingen, of miljardenbedragen die worden verstopt in fondsen binnen en buiten begrotingsverband.
Maar de meeste discussie ging over de wijze waarop landen mooie budgettaire cijfers weten te schrijven. Natuurlijk, de gestegen grondstofprijzen voor olie en gas geven veel landen een steuntje in de rug, alsook de lagere rente in de laatste jaren. Maar uit bijna alle hoeken klonk ook het verhaal van het bewust laag ramen van ontvangsten, die dan in de uitvoering leiden tot mooie meevallers.
Strategisch ramen, het is een abc-tje voor insiders en komt blijkbaar wereldwijd voor. Bewust uitgaven laag ramen om een voorstel geaccepteerd te krijgen, of juist wat hoger zodat er een buffer is bij tegenvallers. Maar de meeste aandacht ging uit naar de tactiek van schatkistbewakers om economische ramingen lager voor te stellen dan reëel, waardoor in de praktijk de schatkist vaak gespekt wordt. Door hoger dan geraamde belastingontvangsten, verkoopopbrengsten van olie of gas of andere eigenlijk al voorziene meevallers. Maar zonder dat op uitgavenbeluste vakministers of het parlement nog aan het geld kan komen.
Erg prikkelend is het dan dat vanuit sommige landen wel luidkeelse protesten klinken over zulke strategische ramingpraktijken. Dat zijn vaak landen waar een sterk parlement, ondersteund door een sterke deskundige financiële staf, de begroting controleert of in hoge mate zelf opstelt en bepaalt. Vanuit die landen wordt dit bewust te lage ramen als absoluut ongewenst beschouwt. ‘Budgets are moral document’ wordt wel gezegd, ze reflecteren de waarden van een samenleving, laten zien waar echt de prioriteit ligt. Dat geldt natuurlijk ook voor de wijze van ramen.
Dit debat kennen we nu ook weer in Nederland. Rutte verwijt Bos dan hij het begrotingsbeleid van Zalm niet voortzet. Onder Zalms bewind werden economische ramingen bewust te laag ingeboekt. Bos kiest voor realistische groeiramingen. Maar dat realistische ramen verkleint de kans op meevallers, aldus Rutte. Dat is helemaal waar. Maar zou het parlement uiteindelijk niet beter af zijn met de meest realistische ramingen dan met een gemanipuleerde cijferbrij? Een sterk parlement zou geen andere ramingen moeten willen accepteren dan de meest realistische. Met minder zou geen gemeenteraad, Staten of Kamer genoegen moeten nemen.
zondag, juni 01, 2008
Als drie heren oreren ..
Column Binnenlands Bestuur dd 6 juni 2007
Het wil nog niet erg vlotten met het aanstellen van vrouwelijke hoogleraren in Nederland. Ook op het terrein van overheidsbeleid en –financiën was het recent weer de beurt aan drie heren die hun oraties uitspraken. Vrolijk stemmen de oraties niet, als het gaat om de prestaties van de overheid. Bas Jacobs vindt het welvaartsverlies van alle goedbedoelde nivelleringsmaatregelen veel te hoog. Goos Minderman, die eerder in zijn dissertatie een appél deed aan het parlement meer werk te maken van zijn budgetrecht, verlegt zijn aandacht naar maatschappelijke ondernemingen. En evaluatie-expert Frans Leeuw zet uiteen dat veel overheidsinterventies zo krachteloos zijn, dat ze veeleer gerekend moeten tot de categorie ‘beleidshomeopathie’ dan als werkzame bestanddelen. Is er nog hoop of wordt het wachten tot Rita de bezem door de overheid haalt?
Leeuw in Maastricht presenteert duizelingwekkende getallen omtrent overheidsingrepen. Nederland kent welgeteld 10.000 wetten, Amvb’s en ministeriële regelingen en dat aantal groeit jaarlijks ruim twee procent. En er zijn buiten het rijk om nog eens tweeënhalf duizend rechtspersonen met een wettelijke taak plus honderden stichtingen. Marktmeesters en toezichthouders leggen jaarlijks -tezamen met de gehele strafrechtsketen- zo’n 400.000 bestuursrechtelijke- en 500.000 strafrechtelijke maatregelen op. Dan wordt via ruim 500 subsidiemaatregelen zo’n 80 miljard besteed. En dan is er nog pseudo-wetgeving, rechtersrecht en meer. Het is veel maar : werkt het? Veel te weinig, meent Leeuw, doordat er in ‘beleidssilo’s’ wordt gewerkt en bij beleidsontwerp en subsidieverstrekking weinig nota wordt genomen van het groeiende inzicht over menselijk gedrag uit de psychologie, sociologie en andere kennisgebieden. Weinige overheidsinterventies werken aantoonbaar, daaromheen klungelen we met de beste intenties maar wat aan.
Jacobs in Rotterdam legt bloot dat in het streven gelijkheid te bevorderen de ‘prijs’ in de zin van welvaartsverlies van dit herverdelen van één euro oploopt tot gemiddeld 15%. Dit, betoogt Jacobs in lijn met Leeuw, omdat burgers hun gedrag veranderen als gevolg van de progressie of structuur van belastingen en premies. Gevolg is dat velen niet meer extra willen werken of zelfs geen baan accepteren. De marginale kosten van herverdeling van de laatste euro kunnen soms wel 50% zijn, sombert Jacobs.
Toch wordt het bij hem, noch bij Leeuw, een ‘weg met de overheid’-verhaal. Links en rechts berijden stokpaarden die hij beide bestrijdt. Zelf denkt hij wel een derde van de totale welvaartsverliezen te kunnen beperken door de onnodig gunstige behandeling van woningbezit (hypotheekrente) en pensioenopbouw te beëindigen en in ruil daarvoor de belastingen te verlagen. Deze kunnen dan tien (TIEN !) procentpunten omlaag en een welvaartswinst van 2,5% lonkt.
Minderman in Amsterdam betoogt dat de door Leeuw geturfde duizenden middenveldorganisaties transparanter moeten worden aan alle belanghebbenden. Niet alleen aan de overheid maar aan de breedte van de samenleving. Maatschappelijk verantwoord ondernemen kortom, door zowel de spelregels van het private als het publieke domein te respecteren. Een aparte rechtsvorm, de maatschappelijke onderneming is daarvoor niet per se nodig, een betere legitimatie wel.
Boeiende kost. De een zal in de drie oraties zijn gelijk vinden dat de overheid er weinig van bakt, de ander dat er perspectief is op beter.
zondag, mei 18, 2008
Externen en salarissen
Column Binnenlands Bestuur dd 23 mei 2008
Nee, geen betoog dat het een schande is dat de overheid meer geld heeft besteed aan externen. Het was blijkbaar nodig. En ook geen gejammer dat 25 topambtenaren meer salaris dan Balkenende ontvangen. Ze zullen het vast verdienen. Mijn zorg is het vertrek van ambtenaren die de publieke sector verruilen voor externe adviesbureaus en dan voor het dubbele weer worden ingehuurd.
Eén licht ik er eerst even uit, de jonge Dries van Agt, over wie deze week een prachtbiografie verscheen. Nadat hij zijn rechtenstudie cum laude had afgerond, lijfde Landbouw hem in. Hij toonde grote kennis van zaken en promotie tot referendaris en administrateur volgde snel. Na vijf jaar verzocht Justitie Landbouw of ze er problemen mee zouden hebben indien Van Agt daar kwam werken. De volgende vijf jaar werkte Van Agt naar ieders tevredenheid bij de vermaarde wetgevingsafdeling van Justitie. Zijn loopbaan was ook hier zo voorspoedig dat men de dan 37-jarige jurist tot de hoge rang van raadadviseur wilde bevorderen. Eigenlijk ‘te vroeg’ maar de promotie werd voorbereid. En toch verliet Van Agt nog voor deze promotie het departement. De universiteit Nijmegen bood hem de kans te promoveren, door het overlijden van de hoogleraar van zijn sectie werd hij al na een half jaar tot hoogleraar bevorderd. Drie jaar later werd hij overigens onverwacht minister van Justitie en de rest van het verhaal is bekend.
Het verhaal van de jonge talentvolle ambtenbaar Van Agt wordt nog dagelijks geschreven. Starters treden jong en gemotiveerd uit de collegebanken aan bij de rijksoverheid. Om de drie tot vier jaar verkassen ze naar een andere werkplek, soms een ander departement. Na drie banen gaan ze een leidinggevende rol vervullen, soms verbreden ze zichzelf met een masteropleiding. Langzaam maar zeker komen ze als gedreven dertigers in beeld voor zwaardere posten. Een deel volgt de directeursopleiding van de Algemene Bestuursdienst, anderen worden zonder dit klasje bevorderd. Maar minstens zo velen, en helaas niet de minsten, verruilen na tien tot vijftien jaar de overheid voor een adviesbureau. Daar gaan ze met dezelfde passie weer voor de publiek sector aan de slag, brengen hun kennis over op nieuwe opdrachtgevers en verrijken zo het openbaar bestuur. Per dag kosten ze nu echter het dubbele voor de opdrachtgever, ruim duizend euro, twee ton of meer per jaar. Dat krijgen ze bepaald niet als salaris. De hoge overhead van de kantoren leidt ertoe dat maar iets in salaris stijgen, afgezien van een (belaste) auto en de kans op een bonus..
Het verbaast me steeds weer. De overheid neemt talentvolle academici aan. Deze werken vijftien jaar naar ieders tevredenheid, maar vertrekken door gebrek aan perspectief en worden voor het dubbele weer ingehuurd.
Onzichtbaar voor de statistieken rond topsalarissen, is zo een groep rondtrekkende kenniswerkers ontstaan, die evenveel kosten als de 25 ambtelijke toppers, maar werken op het niveau van een middelbaar ambtenaar. Kan de overheid zichzelf niet wat flexibeler organiseren en talent behouden? We zien het gebeuren, staan erbij en kijken ernaar. Niemand maakt er een probleem van en het blijft maar doorgaan.
donderdag, mei 15, 2008
Receptuur tegen nieuwe Hollandse ziekte gevraagd
Op een dag weet je het. Dan wordt je filantropisch adviseur, aldus een recent artikel in de NRC. Adviseur tegen betaling wel te verstaan. Oude maar vooral nieuwe rijken weten blijkbaar niet altijd goed waar ze hun vermogen het best aan kunnen doneren. En hoe dat fiscaal gunstig kan. Omgaan met (te) veel geld blijkt zijn eigen sores op te leveren. Vermogen kan blijkbaar een last zijn. Ook voor bedrijven, die door aandeelhouders op te grote reserves worden aangesproken. Een te grote kas leidt tot begerige blikken en de roep om de uitkering van de kasmiddelen via een eenmalig superdividend. Zoals ook het rijk nu van Schiphol vraagt. Vermogen of budgettaire overschotten kunnen ook een last vormen voor overheden. Want daar ontstaan steeds vaker overschotten, die ‘zo gewonnen’ maar helaas ook weer ‘zo geronnen’ blijken te kunnen worden. Hoe gaan overheden wijs om met een overschot op de begroting of zelfs een aangroeiend vermogen? Een pakhuis bouwen a la Dagobert Duck of meer de Robin Hoodbenadering; doorgeven (of in Robins woorden : teruggeven) aan de armen?
Deze week, op derde woensdag, wordt het bekend. Het rijk boekt officieel een overschot op de begroting 2007. Eigenlijk een zeldzaam en vooral : onverwacht verschijnsel. En dat in het eerste jaar van Wouter Bos als minister van Financiën. Zijn voorganger Zalm had het hem niet voorspeld en zelf geloofde hij er ook niet in, blijkens alle officiële publicaties van zijn hand in 2007. Maar als een duveltje uit een doosje bericht hij nu dat er over 2007 opeens een overschot in de boeken staat. Niet eens handig voor Bos, het overschot blijkt een bijproduct van tijdelijke belastingmeevallers en nog niet bestede uitgavenpotjes die echter later wel worden besteed. Het overschot van 2007 wordt dus het probleem van 2008 en later omdat een deel van de onbestede budgetten worden ‘meegenomen’ en dan wel besteed worden. Veel liever zouden Balkenende en Bos -zoals ook in het regeerakkoord is beoogd- in 2011, zo tegen de verkiezingen zwarte cijfer schrijven en deze mooie begrotingscijfers vertalen in een goede verkiezingsuitslag. Dat wordt door de schijnbare meevaller in 2007 dus lastiger.
Maar stel nu dat een overschot niet als verrassing verschijnt maar gepland is. Mág de overheid naar een structureel budgettair overschot streven en zo mogelijk ook behalen? Het is een relevante vraag. Toen aan het begin van dit decennium in de VS in de jaren van voorspoed politici over elkaar heen buitelden over de vraag hoe ze de overschotten als gevolg van hogere belastingontvangsten zouden besteden, eiste een schrijver van een ingezonden brief in een grote krant het teveel geïncasseerde geld direct terug voor de burgers. ‘It’s not your money, its ours’ was zijn redenering. Een rake. Kan de overheid er naar streven bewust meer ontvangsten uit vooral belastingen binnen te halen dan zij uit verwacht te geven? Is het niet ‘our money’?
Eerst de feiten. Geen wet verhindert de overheid overschotten na te streven. Voor de overheid is wettelijk gezien, ook een fors overschot -zoals bijvoorbeeld Luxemburg en Noorwegen regelmatig kennen- acceptabel. Een negatief EMU-saldo groter dan drie procent wordt wel in EU-verband gesanctioneerd, nu ja tenzij landen als Frankrijk of Duitsland falen is. Dan wordt de soep vaak toch niet zo heet gegeten. ‘Naming en shaming’, niet veel meer. Er is echter geen beleid rond overschotten. Blijkbaar is het idee dat overschotten vanzelf verdwijnen. En zo is het –helaas- ook wel een beetje.
Inhoudelijk kan Nederland het huidig kabinetsstreven naar een structureel overschot van 1-2% eenvoudigweg verdedigen met de nog steeds bestaande staatsschuld van ruim 200 miljard, ongeveer 40% van ons nationaal inkomen. En, veel belangrijker, kan men wijzen op het belang deze schuld snel af te lossen en de jaarlijkse rentelasten van bijna 10 miljard te verlagen, voordat de vergrijzing verder doorzet en zorgkosten en AOW nieuwe records bereiken. Als we dan grotendeels af zijn van rentebetalingen, zijn de later stijgende vergrijzingkosten beter betaalbaar, is al tien jaar het idee achter het begrotingsbeleid van de opeenvolgende kabinetten. ‘We betalen af wat de generatie voor ons aan schulden heeft gemaakt en we besparen nu ook nog om de pensioenen te betalen van diezelfde naoorlogse babyboomers’ is wel eens de vrije vertaling van het gevoerd begrotingsbeleid. De twintigers en dertigers van nu danken u.
Maar, los van de oorzaak, slecht beleid is het niet om nu overschotten te creëren voor latere uitgaven. En best Hollands. Zoals we ook onze pensioenen nu en straks betalen uit opgebouwde kapitalen die pensioenfondsen beheren. Deden anderen landen het ook maar. Alom wordt gevreesd voor potverterende mediterrane landen die nauwelijks houdbare pensioenstelsels kennen. Nog steeds kan men er vroeg met pensioen en worden pensioenen betaald uit de lopende begroting. Dit met alle mogelijke gevolgen voor een verzwakkende euro op termijn, die ook ons gaan raken. Dank zij Sarkozy, Berlusconi en consorten.
Zijn de overschotten die we in Nederland nu kennen op de begroting zoals in 2000 en 2007 onder Zalm en Bos dan het gevolg van bewust beleid ? Ja en nee. Was het eigenlijk maar zo mooi. Economische groei, belastingontvangsten en overheidsuitgaven laten zich domweg slecht voorspellen. Een ramingsfout van een procent of meer voor economische groei en het nationaal inkomen (van zo’n vijfhonderd honderd miljard) overkomt nog regelmatig onze beste rekenmeesters van CPB en Financiën. En ondanks de hoge mate van budgettering blijken ook de departementsuitgaven zelden goed beheersbaar. Deels doordat begrotingsramingen nu eenmaal geen wiskunde zijn, maar een mengeling van mens en machine, getal en gedrag, ambtelijke en politieke rekenkunde. Strategisch ramen is het kloppend hart budgettaire verdeelvraagstukken, maar betekent dat we zaken soms bewust te hoog -of laag- voorstellen.
Maar dat verklaart maar een deel. Nederlandse overheidsuitgaven en ontvangsten zijn door onze open economie gewoon sterk afhankelijk van de wereldhandel. Omdat binnen 12 maanden een prijsfluctuatie kan optreden van 100% op een enkel olievat, zoals de laatste tijd, bewegen onze gasontvangsten -die in de miljarden lopen- mee. En ook 11 september, Katrina of andere ‘Acts of God’ zitten niet in de economische modellen. Met als gevolg soms zwaar tegenvallende –of juist en meevallende- budgettaire saldi.
Daarom is het op zich verstandig dat steeds meer wordt gekeken naar de structurele, voor tijdelijke of conjuncturele en incidentele factoren geschoonde ontvangsten en uitgaven. Maar goed, het eindresultaat is per saldo dat er dus soms begrotingsoverschotten ontstaan, per ongeluk.
Overschotten bij de rijksoverheid zijn dus te verdedigen met het oog op de oude schuld en nieuwe maatschappelijke opgaven. Er wordt gestreefd naar jaarlijkse overschotten maar die kunnen ook zomaar ontstaan, en verdwijnen door macro-economische ontwikkelingen. En door politici zelf.
Toen rond de eeuwwisseling Amerika onder Clinton zwarte cijfers schreef buitelden politici, lobbyisten, wapenfabrikanten, vakbonden en alle andere duizenden met plannen over elkaar heen hoe dit nooit verwachte overschot zou moeten worden besteed. Het gonsde in Washington DC. Geen wonder dat een bescheiden paper van het Congressional Budget Office niet heel erg opviel. De titel: ‘Stop me before I spend again’. De auteur probeerde met alle redelijke denkbare argumenten te voorkomen dat de historische overschotten snel zouden worden verjubeld. Het bleek tegen dovemansoren gezegd. Door gebrek aan een stevig beleidskader hoe overschotten aangewend moesten worden, braken alle budgettaire dammen door. De nieuwe President Bush verlaagde drastisch de belastingen, de massieve uitgavenstijging aan Defensie na ‘911’ deden de rest. Sindsdien schrijft Amerika weer dieprode cijfers. De les, die Zalm kort erna trok voor het Nederlands begrotingsbeleid was identiek, nadat hij in tijden van hoogconjunctuur en gunstige overheidsfinanciën in de ministerraad vrijwel werd uitgekleed door overvragende vakministers, ook van zijn eigen partij. Er is stevig verankerd, liefst wettelijk vastgelegd beleid nodig hoe om te gaan met overschotten, voordat de politiek afgesproken regels budgetdiscipline worden omgebogen en eenmalige overschotten worden ingeruild voor structurele belastingverlagingen of uitgavenstijgingen. Zo bezien lijkt de behandeling van overschotten op de Hollandse ziekte uit de jaren zeventig. De Dutch disease, die eruit bestond dat eenmalige of kortdurende hoge aardgasbaten werden gebruikt ter financiering van langdurige, kostbare sociale zekerheidsarrangementen. Toch zal binnenkort een politicus het foute voorstel doen de aardgasmeevallers in te zetten voor kinderopvang, wacht maar.
Binnen onderdelen van de overheid en eromheen, ontstaat soms als gevolg van opeenvolgende kasoverschotten enige vermogensvorming. De lessen die kunnen worden getrokken uit de wijze van benutting van deze vermogens bij afzonderlijke onderdelen van de overheidsorganisatie, stemmen niet heel hoopvol. Men blijkt vermogen weliswaar graag en steeds méér op te potten, maar duidelijke vermogensnormen ontbreken en overheden hebben soms een pijnlijk ongelukkige hand van beleggen. Vermogensvorming resulteert lang niet altijd in mooie rendementen, lagere tarieven of -belastingen.
Door het toekennen van een zekere mate van zelfstandigheid aan publieke organisaties als zelfstandige bestuursorganen en agentschappen is de laatste 15 jaar ook voor hen de vraag actueel geworden; streeft de organisatie vermogensvorming na en zoja in welke mate? Provincies, gemeenten en volkshuisvestingcorporaties hebben daar al langer ervaring mee. Het is geen onverdeeld succes. Ten eerste omdat de omvang van het vermogen voor controlerende instanties als gemeenteraad en Provinciale Staten niet voldoende transparant is, zoals het COELO uit Groningen regelmatig laat zien. Ten tweede omdat er niet altijd even kundig en handig mee wordt omgegaan. Denk aan de bestuurscrisis in Zuid-Holland als gevolg van de slechte leningen die een provincieambtenaar verstrekte aan een later gefailleerd bedrijf. Ten derde omdat er geen duidelijk beleid is waarom een vermogen wordt gevormd en in welke omvang.
Daarom wordt het nu tijd voor een evenwichtig vermogensbeleid in de publieke sector. Ten eerste zou de maximale vermogensomvang voor organisaties moeten worden gedefinieerd. Het is waanzin dat er publieke instellingen zijn die vermogens hebben gevormd tot een veelvoud van de jaaromzet. Of scholen met een solvabiliteit (eigen vermogen gedeeld door balanstotaal) van meer dan 80%. Of kleine gemeenten die een solvabiliteit kennen van meer dan 75%, waar de grootste gemeenten in de ordegrootte van 15% scoren en het gemiddelde van alle gemeenten in de twintig is. Natuurlijk, kleine gemeenten lopen wat meer risico’s maar tussen kleine gemeenten divergeren de ratio’s ook enorm. Hier wordt publiek geld van burgers en bedrijven onnodig opgehoopt. Definieer de maximale vermogensomvang daarom beter aan de sobere kant. Te sterk gegroeide vermogens duiden op een te ruime financiering, een te sobere taakuitvoering of een te speculatief beleggingsbeleid. Of alledrie. Laat overtallige middelen boven de gestelde vermogensgrens daarom maar beter stapsgewijs terugvloeien naar de burger, wanneer er geen adequaat bestedingsplan is. Verlaag tarieven van te rijke uitvoeringsorganisaties structureel of stort vermogen terug aan het departement. Alle begrip zo bezien voor minister Vogelaar die vermogens van woningbouwcorporaties maatschappelijk productief wilde maken.
Ten tweede moet er een ondubbelzinnig en conservatief beleggingbeleid worden gehanteerd, Bedenk hoe zeer de pensioenfondsen, waar miljarden worden belegd, slechts met de grootste mogelijke moeite duurzaam kunnen voldoen aan de pensioendekkingseisen door steeds maar weer fluctuerende beleggingsopbrengsten. En dat ondanks alle daar verzamelde dure kennis en knappe koppen, Zou dan het schoolbestuur, de financiële man van het ZBO, de afdeling Treasury van de woningbouwcoöperatie vol hobby-beleggers het beter doen? Het lijkt me illusoir (hoewel ik ook wel weet dat de dolfijnen van het Dolfinarium -door gekleurde ballen die bedrijven representeren uit het water te gooien -in menig jaar betere aandelen selecteren dan beursanalisten. Maar toch.) Periodieke berichten over blunderende beleggingsafdelingen bij bedrijven en overheden zijn misschien maar het topje van de ijsberg. Argeloze ambtenaren en bestuurders worden licht opgezadeld met slechte risico’s, die fors kunnen terugslaan op de eigen organisatie.
Ten derde, Veel meer transparantie is nodig. Te meer wanneer er nog geen passende vermogensnormen zijn en er nog steeds een schimmig beleggingsbeleid wordt gevoerd, is meer openheid nodig. Leg maar uit waarom er een overschot moet zijn, hoe de risico-rendementsprofielen er uit zien, hoe ethisch er wordt belegd. Leg maar uit waaraan opgebouwd vermogen in de toekomst moet worden besteed. De Rekenkamers kunnen er hun tanden in zetten. De toegankelijkheid van jaarverantwoordingen van publieke instellingen moet veel kortom beter.
Uiteindelijk is een goed vermogensbeleid mensenwerk. Doortastende bestuurders. Professionalisering van de financiële functie, inzet van treasury-expertise. De politieke wil om transparant te zijn. En anders? Dan gaan andere partijen maar aan de bel trekken. Net als aandeelhouders bedrijven dwingen tot een superdividend, zullen medebelanghebbenden aan de pot willen komen. Zoals de Algemene Onderwijsbond (AOB) pas nog probeerde bij scholen waar het vermogen is gegroeid tot 2,4 miljard euro (waarvan 1,8 miljard op de bank). ‘De AOB denkt aan extra docenten, nieuwe technologie in de klas, schoolboeken, of, als dat nodig is, een extra schoonmaakbeurt. Scholen in Amsterdam kunnen denken aan een parkeervergunning voor hun docenten’. Wanneer niet tijdig wijs budgettair beleid bij overschotten en vermogens wordt vastgesteld, verdampt het vermogen aan ‘leuke dingen voor de mensen’. Met een variant op het Amerikaanse paper; ‘Stop them, before they spoil again’.
donderdag, april 24, 2008
De kunst van het weggeven
Column Binnenlands Bestuur dd 2 mei 2008
Driemaal is scheepsrecht. Maar ondanks deze oude regel sombert de Algemene Rekenkamer dat ze voor een vierde keer zal moeten nagaan of belastinguitgaven beter dan voorheen worden beheerst. Dat blijkt ondanks drie opeenvolgende onderzoeken nog steeds niet het geval. Wat is er aan de hand ?
In het rijtje trucs bij gebrek aan budget is de belastinguitgave een populair vluchtheuvel geworden voor politici. Inmiddels wordt ruim 10 miljard aan ontvangsten gederfd, als alternatief voor de striktere uitgavendiscipline. Belastinguitgaven zijn immers gewoon subsidies maar dan in de vorm van een belastingvoordeel. Ze zijn er in alle soorten en maten. Alom bekend zijn de spaarloonregeling of de ouderschapsverlofkorting. Maar er zijn er nog honderden meer. Heel dure zoals de fiscale giftenaftrek, de zelfstandigenaftrek of de verlaagde omzetbelasting op voedingsmiddelen in de horeca. Negen departementen kennen tezamen wel honderd regelingen, waaronder ook veel kleintjes. De filmstimuleringsregeling. Vrijstelling omzetbelasting vakbonden. Teruggaaf energiebelasting kerkgebouwen. Laag tarief accijns OV-bussen en huisvuilauto’s, Verlaagd tarief accijnzen kleine brouwerijen. Bosbouwvrijstelling. Feestdagenregeling. Voor elke gezindte wat.
Welke doelmatigheidsvragen stelt de Rekenkamer? Ten eerste dat er scherp op wordt gelet of een nieuwe belastinguitgave wel nodig is. Verder dat verantwoording wordt afgelegd over de doelstellingen en resultaten en dat de uitvoeringskosten van een regeling zichtbaar zijn. En ten derde dat er ongeveer per vijf jaar wordt onderzocht of een regeling effectief is.
Om met het laatste te beginnen. Evalueren gaat steeds beter. Of dat er ook toe leidt dat minder effectieve regelingen worden beëindigd of bijgesteld is niet duidelijk geworden en dat is uiteindelijk wel de kernvraag. Niet dat er wordt onderzocht maar : doet men wat met de resultaten is de uiteindelijke lakmoesproef.
De verantwoording in de Miljoenennota is ook beter geworden maar opmerkelijk is dat niet de departementen zelf uitleggen waarom deze regelingen lopen, welke uitgaven er mee gemoeid zijn en welke kosten met de uitvoering zijn gemoeid. Dat behoort natuurlijk wel. OV-bussen zijn van Eurlings, natuurgrond van Verburg en kerkgebouwen van Rouvoet. Wat de uitvoering van die regelingen kost? Handenvol maar niemand weet hoeveel. Terwijl iedereen weet dat hoe kleiner een regeling is, hoe hoger het percentage uitvoeringskosten. Naar goed Haags gezegde geldt waarschijnlijk ‘Je wil het niet weten wat dat kost”!
Dan de laatste vraag : waarom komen er toch steeds weer van die belastingweggevertjes bij? Heel eenvoudig. Zolang gederfde belastingen niet gebudgetteerd zijn er gewone subsidies wel, blijft een belastinguitgave gratis geld. De Rekenkamer kan somberen dat ‘er nog steeds weinig aandacht wordt besteed aan een zorgvuldige afweging van de keuze voor een belastinguitgave’ maar de echte oplossing blijkt politiek nog niet acceptabel. Die is eenvoudig. Behandel een gederfde euro even hard als een besteedde euro. Wie een belastinguitgave wil starten moet elders bezuinigen. Wanneer door een regeling meer belastinginkomsten worden gederfd dan eerst, geraamd, moet de verantwoordelijke minister elders compenseren. Wie stopt met belastinguitgaven mag dat geld elders besteden. Als de Kamer dat vereist, zult u zien hoe snel er dan veranderingen komen.
Lerende overheid, intelligent beleid. Binnenkort mag de Tweede Kamer het rapport bespreken.
woensdag, april 16, 2008
De kunst op te leiden
Een echt ouderwets saai boek. En toch is dat bedoeld als een compliment aan de schrijver die ‘Situationeel opleiden en leren’ het licht liet zien. De markt voor HRM-boeken wordt namelijk overspoeld door allerhande adviesbureaus die hele hippe boeken laten schrijven. Met plaatjes, praatjes en de nieuwste managementmodellen. Over sturen op resultaat, integriteit, diversiteitsmanagement, SAP-implementatie en meer. Anderen zoals van Berenschot maken dáár dan weer een boek over. Vijftig strategiemodellen, honderd gekke ideetjes voor de professional. Aardige boeken, maar vaak niet meer dan dat. Nauwelijks geciteerd, zelden een tweede druk, meer marketinginstrument dan kennisbron of naslagwerk..
Neen, voor een gewoon ordelijk, systematisch goed opgebouwd boek over opleidingenbeleid, voortbouwend op kennis van anderen, zonder de nieuwste plaatjes en praatjes, daarvoor kun je bij de net gepensioneerde Gerard Bergenhenegouwen terecht. En hij heeft wat te melden ook!
Want we zooien blijkbaar maar wat aan in opleidingsland. Eigenlijk is de kans groot, als ik het boek goed begrijp, dat we bij de overheid miljoenen verspillen aan onnutte opleidingen. Financieel opleidingsrendement? Niet naar vragen!
De kracht van het boek is dat helder het abc van een goed opleidingsbeleid wordt neergezet. Aansluiten bij de strategische ontwikkeling van de organisatie. Situationeel bepaald door de ‘rijpheid van de op te leiden personen.. Goed afgewogen tegen andere leervormen en ‘on the job training’. Nauw vervlochten met competentieontwikkeling. Gebaseerd op grondig leerbehoefte-onderzoek vooraf en secuur geëvalueerd op nut en mate van toepassing achteraf. Pas dan kun je volgens de schrijver spreken over een professioneel opleidingsbeleid dat zijn tijd en geld waard is.
En wij? Het rijk kent enkele pareltjes. State-of-the-art academies, learning centers en afgewogen en goed doordachte ontwikkelprogramma’s. Echte toetsing van deelnemers. Maar het zijn uitzonderingen. Te vaak doet men maar wat. Te weinig is er sprake van afgewogen en integraal beleid, buiten MD-beleid voor toppers in spé. Te vaak is het volgen van een opleiding het gevolg van een door medewerkers zelf gevoelde ontwikkelbehoefte waar ‘weinig tegenin te brengen is want er is toch budget voor’. Wat zegt het dat vaak tonnen in een directie aan opleidingen voor twintigers aan dertigers wordt besteed en geen sou voor veertigplussers? Zijn opleidingen vooral secundaire arbeidsvoorwaarden geworden?
Misschien zie ik het verkeerd en komen er ingezonden brieven van HRM-ers die het opleidingenbeleid wél piekfijn hebben ingeregeld. Dat, zou mooi zijn. Voor de anderen ; koop, lees en gebruik dit boek !
zondag, april 13, 2008
Profsalaris
Niet voor de eerste keer ontstond in Nederland debat over de hoogleraar en zijn betaling. De eerste keer betrof het de vraag in welke mate en onder welke afspraken hoogleraren betaald onderzoek mogen verrichten naast hun gewone aanstelling. Nu gaat het om de vraag of bedrijven die bijzondere leerstoelen bekostigen zo geen ongewenste invloed uitoefenen op onderzoek(sresultaten). Commercie en onderwijs, ze staan vaak op gespannen voet.
Naomi Klein zette in haat boek No Logo al heel kritisch uiteen hoe Amerikaanse bedrijven zich inkochten in het onderwijs. Wat begon met heel welkome donaties, evolueerde gaandeweg tot sponsoring tegen nauw omschreven tegenprestaties van de scholen, waaronder de plaatsing van de frisdrankautomaten van de sponsor of verplichte afname en gebruik van bedrijfsvriendelijke lespakketten. Tja, lesbrieven, daar weten we hier in Nederland ook over mee te spreken, het Amsterdams college zit nog steeds op de blaren na de omstreden lesbrief van wethouder Hanna Buyne.
Na een rondje surfen, bellen en turven schreef de Volkskrant vorige week dat een kwart van de aangestelde hoogleraren bekostigd wordt door derden. Publieke en private instellingen betalen leerstoelen en het salaris, vaak bezet door een parttime, buitengewone hoogleraar die afkomstig is van de financier of in nauw overleg met de financier is benoemd. De krant heeft een punt als ze vaststelt dat het onnodig veel moeite kost te achterhalen wie welke leerstoel betaalt. Maar dat is via een eenvoudige ingreep te herstellen, zoals minister Plasterk nu ook vraagt. Maar dan. Wat is dan nog het probleem?
Is regulier onderzoek dat door het rijk wordt betaald mild voor de overheid? Zijn de door de Rabobank bekostigde academische onderzoekers onterecht lovend over wankele financiële constructies zoals winstverdriedubbelaars en beleggingshypotheken? Of helpen de door DSM, Rabobank, vakministeries en stichtingen gefinancierde onderzoekers ook gewoon de wetenschap een beetje extra vooruit, door hun grote mate van expertise en behoefte om buiten de bedrijfslaboratoria ook meer fundamenteel onderzoek te kunnen doen? Ondersteunen en inspireren buitengewone hoogleraren hun collega’s en studenten niet andersom juist ook om maatschappelijk relevant onderzoek te doen? Misschien wel allebei. Lopen ze desondanks toch niet het gevaar lichtzinnig al te bedrijfsvriendelijk te publiceren?
Die vrees lijkt me ongegrond. Er zijn weinige serieuze wetenschappelijke tijdschriften die artikelen alvorens ze te publiceren niet duchtig reviewen. Vakgenoten toetsen anoniem gemaakte manuscripten op wetenschappelijke merites, niet zelden tot frustratie van de indieners, die vaak artikelen moeten herschrijven, nader onderzoek doen of gewoon worden afgewezen. Maar dat hoort erbij. Als het werk van buitengewone hoogleraren die toets doorstaat, mag hun geluid gehoord worden.
Meer problemen kun je aanvoeren tegen de door derden betaalde hoogleraren zonder wetenschappelijke reputatie en desondanks benoemd worden of blijven. De professorandessen, die te vaak niet zijn gepromoveerd en niet of nauwelijks in gereviewde wetenschappelijke tijdschriften hebben gepubliceerd of worden geciteerd. Kunnen we het daar eens over hebben. Zijn die hun aanstelling en geld waard? Helpen zij de wetenschap vooruit? Of is die aanstelling meer tot glorie van de financier en de persoon in kwestie. Dat debat lijkt me minstens zo welkom. Wetenschap is een serieuze zaak.
vrijdag, maart 28, 2008
Besparen op staven
De laatste jaren schieten binnen de rijksoverheid SSO’s, shared service organisaties als paddenstoelen uit de grond. Brengen deze wat hiervan gehoopt wordt , een kleinere overheid met een betere dienstverlening?
Overheidsorganisaties kennen uitgebreide staven, leert bijvoorbeeld de kritische Berenschotpublicatie ‘Heeft iemand de overhead gezien’ van januari jl. Grote stafdiensten zorgen voor personeelszaken, financiën, ICT en meer. Ze zijn onmisbaar, doordat ze facturen verwerken, zorgen dat de lonen worden uitbetaald en de pc’s laten werken. Uitvoerende stafdiensten worden echter gaandeweg geïntegreerd. Deze sso-vorming is geïnspireerd door managementgoeroes als Tom Peters, de mogelijkheden van de ICT-revolutie maar in belangrijke mate ook door bezuinigingsnoodzaak. Om dat laatste zijn deze diensten in één organisatie bijeen gebracht en op een plaats geconcentreerd, in plaats van als decentrale bedrijfsbureau ‘om de hoek van de gang’.
Mogelijk is deze eerste generatie sso’s die nu is ontstaan maar een tijdelijke verschijningsvorm. Langs vier sporen kan de SSO zich verder ontwikkelen, het debat is nog gaande welke vorm de juiste is
Een eerste spoor is om de huidige generatie SSO’s te bundelen met andere en zo enkele grote SSO’s te bouwen, die in concurrentie met elkaar voor de departementen werken. Een tweede spoor is om rijksbreed alle eenheden die financiële of juist personele werkzaamheden verrichten bijeen te brengen en zo gespecialiseerde SSO’s op te richten. Bij SSO-managers zelf leeft ook wel een derde idee, om kleiner te willen worden, door minder uitvoerend werk zelf te doen maar wel de opdrachtgevers te blijven helpen om alle diensten bij derden in te kopen. Een deel van deze SSO-werkzaamheden zou immers ook door andere publieke of private partijen kunnen worden gedaan. Outsourcing van diensten, het vierde spoor, is ook een optie.
Is SSO-vorming al een succes? Dat is lastig te zeggen. Het niet blijkt eenvoudig om vast te stellen of het oorspronkelijke doel van SSO-vorming, meer kwaliteit met minder ambtenaren, is gerealiseerd. Wat is daarvoor de reden? Diverse, maar twee springen eruit.
Veel dienstverlenend stafwerk is lastig te gieten in producttermen, waar een prijs en kwaliteitsniveau aan gekoppeld kan worden. Inzicht in de ontwikkeling van de kwaliteit van de dienstverlening in de tijd is dan ook vaak niet mogelijk. Er is ook een tweede, dieperliggend probleem. Departementale opdrachtgevers vinden ‘opdrachtgeven’ eigenlijk heel lastig. ‘Dat werk moet gewoon gebeuren, goed en snel en voordelig’ maar al die gesprekken over ‘servicelevel-agreements’ zijn niet hun favoriete tijdverdrijf. Door gebrek aan tijd en aandacht zijn lijnmanagers hierdoor overgeleverd aan de uitvoerende SSO, die eigenlijk in hoge mate bepalen wat geleverd wordt en tegen welke prijs en kwaliteit.
Zo bezien is het eigenlijk een wonder dat dankzij de eerste generatie SSO’s al flinke taakstellingen op ambtenaren zijn ingevuld. Maar of die bereikt zijn door slimmer ingerichte werkprocessen of een lager dienstverleningsniveau en of die besparing niet ook bereikt kon worden met slimme ICT zonder opschaling van stafdiensten, wie het weet mag het zeggen.
Voorlopig tuft der SSO-trein voort, gedreven door de kabinetstaakstellingen. Langs vier sporen. Waarheen zal snel blijken nu het kabinet besparingen wil gaan realiseren.