donderdag, april 24, 2008

De kunst van het weggeven

Column Binnenlands Bestuur dd 2 mei 2008

Driemaal is scheepsrecht. Maar ondanks deze oude regel sombert de Algemene Rekenkamer dat ze voor een vierde keer zal moeten nagaan of belastinguitgaven beter dan voorheen worden beheerst. Dat blijkt ondanks drie opeenvolgende onderzoeken nog steeds niet het geval. Wat is er aan de hand ?

In het rijtje trucs bij gebrek aan budget is de belastinguitgave een populair vluchtheuvel geworden voor politici. Inmiddels wordt ruim 10 miljard aan ontvangsten gederfd, als alternatief voor de striktere uitgavendiscipline. Belastinguitgaven zijn immers gewoon subsidies maar dan in de vorm van een belastingvoordeel. Ze zijn er in alle soorten en maten. Alom bekend zijn de spaarloonregeling of de ouderschapsverlofkorting. Maar er zijn er nog honderden meer. Heel dure zoals de fiscale giftenaftrek, de zelfstandigenaftrek of de verlaagde omzetbelasting op voedingsmiddelen in de horeca. Negen departementen kennen tezamen wel honderd regelingen, waaronder ook veel kleintjes. De filmstimuleringsregeling. Vrijstelling omzetbelasting vakbonden. Teruggaaf energiebelasting kerkgebouwen. Laag tarief accijns OV-bussen en huisvuilauto’s, Verlaagd tarief accijnzen kleine brouwerijen. Bosbouwvrijstelling. Feestdagenregeling. Voor elke gezindte wat.

Welke doelmatigheidsvragen stelt de Rekenkamer? Ten eerste dat er scherp op wordt gelet of een nieuwe belastinguitgave wel nodig is. Verder dat verantwoording wordt afgelegd over de doelstellingen en resultaten en dat de uitvoeringskosten van een regeling zichtbaar zijn. En ten derde dat er ongeveer per vijf jaar wordt onderzocht of een regeling effectief is.

Om met het laatste te beginnen. Evalueren gaat steeds beter. Of dat er ook toe leidt dat minder effectieve regelingen worden beëindigd of bijgesteld is niet duidelijk geworden en dat is uiteindelijk wel de kernvraag. Niet dat er wordt onderzocht maar : doet men wat met de resultaten is de uiteindelijke lakmoesproef.

De verantwoording in de Miljoenennota is ook beter geworden maar opmerkelijk is dat niet de departementen zelf uitleggen waarom deze regelingen lopen, welke uitgaven er mee gemoeid zijn en welke kosten met de uitvoering zijn gemoeid. Dat behoort natuurlijk wel. OV-bussen zijn van Eurlings, natuurgrond van Verburg en kerkgebouwen van Rouvoet. Wat de uitvoering van die regelingen kost? Handenvol maar niemand weet hoeveel. Terwijl iedereen weet dat hoe kleiner een regeling is, hoe hoger het percentage uitvoeringskosten. Naar goed Haags gezegde geldt waarschijnlijk ‘Je wil het niet weten wat dat kost”!

Dan de laatste vraag : waarom komen er toch steeds weer van die belastingweggevertjes bij? Heel eenvoudig. Zolang gederfde belastingen niet gebudgetteerd zijn er gewone subsidies wel, blijft een belastinguitgave gratis geld. De Rekenkamer kan somberen dat ‘er nog steeds weinig aandacht wordt besteed aan een zorgvuldige afweging van de keuze voor een belastinguitgave’ maar de echte oplossing blijkt politiek nog niet acceptabel. Die is eenvoudig. Behandel een gederfde euro even hard als een besteedde euro. Wie een belastinguitgave wil starten moet elders bezuinigen. Wanneer door een regeling meer belastinginkomsten worden gederfd dan eerst, geraamd, moet de verantwoordelijke minister elders compenseren. Wie stopt met belastinguitgaven mag dat geld elders besteden. Als de Kamer dat vereist, zult u zien hoe snel er dan veranderingen komen.

Lerende overheid, intelligent beleid. Binnenkort mag de Tweede Kamer het rapport bespreken.

woensdag, april 16, 2008

De kunst op te leiden

Recensie in Tijdschrift Binneberijk over ‘Situationeel opleiden en leren’ van Gerard Bergenhenegouwen (Kluwer 2007) mei 2008

Een echt ouderwets saai boek. En toch is dat bedoeld als een compliment aan de schrijver die ‘Situationeel opleiden en leren’ het licht liet zien. De markt voor HRM-boeken wordt namelijk overspoeld door allerhande adviesbureaus die hele hippe boeken laten schrijven. Met plaatjes, praatjes en de nieuwste managementmodellen. Over sturen op resultaat, integriteit, diversiteitsmanagement, SAP-implementatie en meer. Anderen zoals van Berenschot maken dáár dan weer een boek over. Vijftig strategiemodellen, honderd gekke ideetjes voor de professional. Aardige boeken, maar vaak niet meer dan dat. Nauwelijks geciteerd, zelden een tweede druk, meer marketinginstrument dan kennisbron of naslagwerk..

Neen, voor een gewoon ordelijk, systematisch goed opgebouwd boek over opleidingenbeleid, voortbouwend op kennis van anderen, zonder de nieuwste plaatjes en praatjes, daarvoor kun je bij de net gepensioneerde Gerard Bergenhenegouwen terecht. En hij heeft wat te melden ook!
Want we zooien blijkbaar maar wat aan in opleidingsland. Eigenlijk is de kans groot, als ik het boek goed begrijp, dat we bij de overheid miljoenen verspillen aan onnutte opleidingen. Financieel opleidingsrendement? Niet naar vragen!
De kracht van het boek is dat helder het abc van een goed opleidingsbeleid wordt neergezet. Aansluiten bij de strategische ontwikkeling van de organisatie. Situationeel bepaald door de ‘rijpheid van de op te leiden personen.. Goed afgewogen tegen andere leervormen en ‘on the job training’. Nauw vervlochten met competentieontwikkeling. Gebaseerd op grondig leerbehoefte-onderzoek vooraf en secuur geëvalueerd op nut en mate van toepassing achteraf. Pas dan kun je volgens de schrijver spreken over een professioneel opleidingsbeleid dat zijn tijd en geld waard is.
En wij? Het rijk kent enkele pareltjes. State-of-the-art academies, learning centers en afgewogen en goed doordachte ontwikkelprogramma’s. Echte toetsing van deelnemers. Maar het zijn uitzonderingen. Te vaak doet men maar wat. Te weinig is er sprake van afgewogen en integraal beleid, buiten MD-beleid voor toppers in spé. Te vaak is het volgen van een opleiding het gevolg van een door medewerkers zelf gevoelde ontwikkelbehoefte waar ‘weinig tegenin te brengen is want er is toch budget voor’. Wat zegt het dat vaak tonnen in een directie aan opleidingen voor twintigers aan dertigers wordt besteed en geen sou voor veertigplussers? Zijn opleidingen vooral secundaire arbeidsvoorwaarden geworden?
Misschien zie ik het verkeerd en komen er ingezonden brieven van HRM-ers die het opleidingenbeleid wél piekfijn hebben ingeregeld. Dat, zou mooi zijn. Voor de anderen ; koop, lees en gebruik dit boek !

zondag, april 13, 2008

Profsalaris

Column Binnenlands Bestuur dd 11 april 2008

Niet voor de eerste keer ontstond in Nederland debat over de hoogleraar en zijn betaling. De eerste keer betrof het de vraag in welke mate en onder welke afspraken hoogleraren betaald onderzoek mogen verrichten naast hun gewone aanstelling. Nu gaat het om de vraag of bedrijven die bijzondere leerstoelen bekostigen zo geen ongewenste invloed uitoefenen op onderzoek(sresultaten). Commercie en onderwijs, ze staan vaak op gespannen voet.
Naomi Klein zette in haat boek No Logo al heel kritisch uiteen hoe Amerikaanse bedrijven zich inkochten in het onderwijs. Wat begon met heel welkome donaties, evolueerde gaandeweg tot sponsoring tegen nauw omschreven tegenprestaties van de scholen, waaronder de plaatsing van de frisdrankautomaten van de sponsor of verplichte afname en gebruik van bedrijfsvriendelijke lespakketten. Tja, lesbrieven, daar weten we hier in Nederland ook over mee te spreken, het Amsterdams college zit nog steeds op de blaren na de omstreden lesbrief van wethouder Hanna Buyne.
Na een rondje surfen, bellen en turven schreef de Volkskrant vorige week dat een kwart van de aangestelde hoogleraren bekostigd wordt door derden. Publieke en private instellingen betalen leerstoelen en het salaris, vaak bezet door een parttime, buitengewone hoogleraar die afkomstig is van de financier of in nauw overleg met de financier is benoemd. De krant heeft een punt als ze vaststelt dat het onnodig veel moeite kost te achterhalen wie welke leerstoel betaalt. Maar dat is via een eenvoudige ingreep te herstellen, zoals minister Plasterk nu ook vraagt. Maar dan. Wat is dan nog het probleem?
Is regulier onderzoek dat door het rijk wordt betaald mild voor de overheid? Zijn de door de Rabobank bekostigde academische onderzoekers onterecht lovend over wankele financiële constructies zoals winstverdriedubbelaars en beleggingshypotheken? Of helpen de door DSM, Rabobank, vakministeries en stichtingen gefinancierde onderzoekers ook gewoon de wetenschap een beetje extra vooruit, door hun grote mate van expertise en behoefte om buiten de bedrijfslaboratoria ook meer fundamenteel onderzoek te kunnen doen? Ondersteunen en inspireren buitengewone hoogleraren hun collega’s en studenten niet andersom juist ook om maatschappelijk relevant onderzoek te doen? Misschien wel allebei. Lopen ze desondanks toch niet het gevaar lichtzinnig al te bedrijfsvriendelijk te publiceren?
Die vrees lijkt me ongegrond. Er zijn weinige serieuze wetenschappelijke tijdschriften die artikelen alvorens ze te publiceren niet duchtig reviewen. Vakgenoten toetsen anoniem gemaakte manuscripten op wetenschappelijke merites, niet zelden tot frustratie van de indieners, die vaak artikelen moeten herschrijven, nader onderzoek doen of gewoon worden afgewezen. Maar dat hoort erbij. Als het werk van buitengewone hoogleraren die toets doorstaat, mag hun geluid gehoord worden.
Meer problemen kun je aanvoeren tegen de door derden betaalde hoogleraren zonder wetenschappelijke reputatie en desondanks benoemd worden of blijven. De professorandessen, die te vaak niet zijn gepromoveerd en niet of nauwelijks in gereviewde wetenschappelijke tijdschriften hebben gepubliceerd of worden geciteerd. Kunnen we het daar eens over hebben. Zijn die hun aanstelling en geld waard? Helpen zij de wetenschap vooruit? Of is die aanstelling meer tot glorie van de financier en de persoon in kwestie. Dat debat lijkt me minstens zo welkom. Wetenschap is een serieuze zaak.