vrijdag, maart 14, 2008

Op waarde schatten

Column binnenlands Bestuur dd 20 maart 2008

In de mooie biografie van Anet Bleich over Joop den Uyl is na te lezen hoe het denken van Den Uyl over de rol van de overheid gaandeweg veranderde. Eerst werd de staat gezien als een werktuig in handen van de heersende klasse. Ze beschikte over bevoegdheden en machtsmiddelen die in de ogen van socialisten werden gebruikt ten nadele van de werkende klasse van arbeiders. In de woorden van de Internationale; ‘De staat verdrukt, de wet is logen’.

Geïnspireerd door de befaamde econoom Galbraith ontdekte Den Uyl en de PvdA dat de staat via de productie van goederen en diensten een wezenlijke rol kon spelen in de maatschappelijke herverdeling van kennis, inkomen en macht.. Juist de staat moest de noodzakelijke correctie brengen op de door Galbraith gesignaleerde ‘public squalor amid private opulence’. Drees jr. gaf Den Uyl nadien de bijnaam ‘professor Uylbraith’.
Te weinig oog bestond er aanvankelijk echter voor falend beleid en niet beoogde effecten van overheidsbeleid. Bijvoorbeeld sociale zekerheid arrangementen die niet werkten als vangnet maar als hangmat, misbruik van overheidsbeleid, verstikking van het private initiatief door te hoge belastingtarieven en verstikkende regeldichtheid. De afkeer van de staat werd door socialisten in de 20e eeuw verruild voor een te innige identificatie en verstrengeling met de staat, leidend tot -althans tijdelijke- doofheid en blindheid voor staatsfalen.
Het is daarom toe te juichen dat tegenwoordig nieuw beleid kritisch wordt getoetst op nut en noodzaak. Het meest ver gaan we daarin bij infrastructuurbeslissingen. Niet alleen verkeerskundig nut en noodzaak van een nieuwe weg of spoorweg wordt verplicht bestudeerd, maar ook welke overige maatschappelijke effecten dat heeft. Klimaat, burgers, bedrijven, flora, fauna, esthetiek; het rijtje variabelen dat onder loupe wordt genomen is groot. Dat is op zich verstandig al blijven er altijd lastige methodische vragen zoals ook professor Wim Derksen laatst in zijn mooie afscheidsbundel 'Ruimte voor debat' verkende. Hoe waardeer je een dure mooie brug tegenover een eenvoudige maar goedkopere. Hoe waardeer je de belevingswaarde van een te bebouwen gebied?. De uiteindelijke besluitvorming blijft daarom aan de politiek, om het onschatbare op waarde te schatten.
Zou een bredere benutting van maatschappelijke kosten-batenanalyses aanbeveling geen verdienen? Op dit moment staat er in de Comptabiliteitswet slechts dat voorstellen van een minister moeten worden onderbouwd met ‘de financiële gevolgen voor het Rijk en, waar mogelijk, de financiële gevolgen voor andere maatschappelijke sectoren’.
Breder kijken dan het Rijk zelf is nuttig, maar de beperking tot de louter financiële gevolgen is een jammerlijke versmalling van afwegingen. Een bredere focus is dringend gewenst.
De wel grondig en breed getoetste infrastructuuruitgaven beslaan minder dan 2% van onze economie. Daar lijkt de studiezin -getuige de metershoge rapportenstapel rond de Betuweroute- wel wat te zijn doorgeslagen. Voor andere beslissingen zoals rond Uruzgan, prachtwijken, kernenergie of onderwijshervorming zou meer oog voor het geheel van maatschappelijke kosten en baten gewenst zijn.
Met de PvdA-er Bos op Financiën, die zich geïnspireerd weet door Den Uyl én de schatkist moet bewaken, zou daartoe toch een aanzet daartoe gegeven moeten kunnen worden.