Column financien dd 17 december 2010 in tijdschrift Binnenlands Bestuur
De weg uit de crisis vraagt om serieuze financiële keuzen. Nog veel langer op ‘zien komen’ spelen kan eigenlijk niet meer. Tijd om kleur te bekennen kortom. Maar eenvoudig blijkt dat niet. In veel regeringen zijn inmiddels enorme patstellingen ontstaan. Partijen van gene zijde ontberen de meerderheid -dus macht- om echt een koers uit te zetten of beter: door te zetten. Wat resteert is een patstelling die de problemen vergroot, de crisis ten spijt.
Zo is in de Verenigde Staten de patstelling inmiddels grotesk. De onder Bush ingevoerde belastingverlaging loopt na een aantal jaren af en de vraag was: doorzetten of niet? De gederfde ontvangsten kan de schatkist eigenlijk niet missen. Maar terugdraaien kan het economische herstel schaden. Wat te doen?
Rechts wil –zoals altijd- lagere belastingen maar verzuimt aan te geven welke uitgaven dan moeten sneuvelen. Elke twee jaar kent Amerika verkiezingen dus men past op zijn tellen al te impopulaire keuzen te maken.
Democraten willen de uitgaven ook op peil houden –een groot del van de achterban is ervan afhankelijk maar de Democraten durven niet de belastingen van de middel- en hogere klasse ervoor te verhogen –om die stemmen straks niet te missen.
Omdat beide partijen na de recente verkiezingen een parlementaire meerderheid missen en daarmee de mogelijkheid de eigen wil door te zetten, is na lang soubatten een compromis bereikt.
Nu denkt de leek: dat is dan simpel. Lagere uitgaven én lagere belastingen, misschien zelfs wat schuldreductie. Dat is weliswaar pijnlijk maar dan is er een duidelijk koers en kan het herstel uiteindelijk inzetten. Bekend is immers dat de economische schade van ferme ingrepen meevalt als er maar perspectief op betere tijden gloort.
Maar nee. Het slechtst denkbare compromis werd gesloten. De tijdelijke belastingverlagingen blijven bestaan, een punt voor de Republikeinen. Maar de uitgaven worden niet verlaagd, de wens van Democraten. Het enorme tekort en daarmee de torenhoge staatsschuld loopt daardoor nog verder op en de rekening wordt verlegd naar de toekomst. Bad boys.
Doen wij het beter? Alles behalve dat! Al in de formatie ging het mis toen de hervormingsgezinde VVD veel compromissen moest sluiten. Minder besparen op ontwikkelingsamenwerking om het CDA niet te verliezen, geen beperking van de ontslagbeschering om de PVV erbij te houden en ga zo maar door.
Nu is dat op zich niet nieuw. CDA en PvdA spraken in de vorige kabinetspeiode af om én de huren niet te verhogen (de PvdA-wens) én de aftrekbaarheid van de hypotheekrente niet te perken, de CDA-wens. Het had ook allebei wél gekund om zo een echte hervorming gerealiseerd en de financiële positie te verbeteren. Een klassiek ‘prisoners dilemma’ kortom.
De perikelen rond de eventuele verhoging van de BTW op kunst deze weken zijn dus een symptoom van een dieperliggend probleem, politieke onmacht. En ook een gebrek aan leiderschap om uit de zelf zelfingenomen loopgraven te komen. Wat rest is een verlammende omhelzing van politici en partijen zonder toekomstvaste keuzen, een blijvend hoge schuld en gebrek aan perspectief.
Een overzicht van publicaties als onderzoeker aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Wil je reageren ? bestebreur@fsw.eur.nl of #bestebreur op Twitter
zondag, december 12, 2010
zondag, november 28, 2010
Europa redt
Column Binnenlands Bestuur dd 3 december 2010
Nederland vaart schijnbaar wel bij de problemen bij de PIGS, Portugal, Ierland, Griekenland en Spanje omdat beleggers een veilig heenkomen zoeken. In plaats van de 8% die deze landen bereid waren te betalen, stallen beleggende pensioenfondsen, banken en particulieren hun geld liever bij Duitsland en Nederland, de safe havens. Zo kan Nederland voor een paar procent haar geld ophalen en de eigen problemen relatief wat verlichten. Met dank aan de PIGS.
Bijzonder is wel dat de ziekte van de PIGS erg verschillend is. Griekenland kende een volkomen ontransparante overheidboekhouding. Op het frauduleuze af hielden politici daar zichzelf, elkaar, parlement, kiezers en Europa voor de gek. Politici van links en rechts verzuimde de overheidsboekhouding in balans te brengen en zo stapelden de schulden zich op. Toen zelfs trucs gefaciliteerd door zakenbanken niet meer werkten, werd het budgettaire drama zichtbaar. Ierland en Spanje lijden onder een vastgoeddrama, met volkomen opgeblazen vastgoedportefeuilles waardoor geldverstrekkers een afnemende kans hebben op teruggave van hun geld. Huiseigenaren staken zich veel te hoog in de schulden, banken wankelden en politici wakkerden het vastgoedvuurtje aan in plaats van te dempen. Portugal moet budgettair ook saneren maar lijdt onder lage groei, wat het wegkomen uit de malaise moeilijker maakt. Want groei is vaak de sleutel tot de oplossing, begrijpelijk maar desondaks bizar dat Ierland -waar alles gaat krimpen- nog met bijna 3% groei rekent, economisch bezien welhaast onmogelijk.
Toch is de PIGS ziekte een lastige en in zekere zin besmettelijke. Want veel van de uitstaande middelen bij banken en overheden in PIGSlanden komen ook uit Nederland, van onze pensioenfondsen en banken. Zo verloor de ING dat relatief veel geld via hypotheekverstrekking in Spanje heeft de laatste weken erg fors op de beurs. En echte transparant in welke mate onze pensioenfondsen in de PIGS hebben belegd is er niet, maar het ergste valt te vrezen. Zo vatten wij in Nederland ook griep door varkensziekten elders.
De uitweg? Iedere crisis in de Europese Unie leidt tot nieuwe beleidsinitiatieven die de macht van de lidstaten verder reduceert en die van Europa vergroot. Na de energieproblemen met Rusland (de gaskraan dicht) kwam er Europese coördinatie van het energievraagstuk. Na de IJslandse vulkaanproblemen kwamen er sterke Europese afspraken over luchtverkeer. De actuele budgettaire problemen bij PIGS hebben nu gezorgd voor een tijdelijk noodmechanisme waardoor 750 mrd beschikbaar is gekomen. Maar al vanaf 2013 is er een permanent noodmechanisme. En dat is een enorme stap op budgettair terrein, vanwege de met de regeling samenhangende afspraken over begrotingsbeleid en serieuze sanctiemogelijkheden jegens overtreders.
Historici zullen later deze eeuw waarschijnlijk vaststellen dat vanaf de val van de muur in 1989 binnen 25 jaar een ongekend sterke nieuw Europa is gegroeid met enorme bevoegdheden, een sterk en dualistisch opererend parlement en -na afbouw van de tenenkrommende landbouwsubsidies- behoorlijk effectiviteit. Zo moeten de lidstaten economische en budgettair steeds meer naar Europa luisteren. Nu al moet Nederland de budgettaire plannen om uit de crisis te komen en vergrijzing aan te pakken aan Europa voorleggen. Nieuwe tijden breken aan.
Nederland vaart schijnbaar wel bij de problemen bij de PIGS, Portugal, Ierland, Griekenland en Spanje omdat beleggers een veilig heenkomen zoeken. In plaats van de 8% die deze landen bereid waren te betalen, stallen beleggende pensioenfondsen, banken en particulieren hun geld liever bij Duitsland en Nederland, de safe havens. Zo kan Nederland voor een paar procent haar geld ophalen en de eigen problemen relatief wat verlichten. Met dank aan de PIGS.
Bijzonder is wel dat de ziekte van de PIGS erg verschillend is. Griekenland kende een volkomen ontransparante overheidboekhouding. Op het frauduleuze af hielden politici daar zichzelf, elkaar, parlement, kiezers en Europa voor de gek. Politici van links en rechts verzuimde de overheidsboekhouding in balans te brengen en zo stapelden de schulden zich op. Toen zelfs trucs gefaciliteerd door zakenbanken niet meer werkten, werd het budgettaire drama zichtbaar. Ierland en Spanje lijden onder een vastgoeddrama, met volkomen opgeblazen vastgoedportefeuilles waardoor geldverstrekkers een afnemende kans hebben op teruggave van hun geld. Huiseigenaren staken zich veel te hoog in de schulden, banken wankelden en politici wakkerden het vastgoedvuurtje aan in plaats van te dempen. Portugal moet budgettair ook saneren maar lijdt onder lage groei, wat het wegkomen uit de malaise moeilijker maakt. Want groei is vaak de sleutel tot de oplossing, begrijpelijk maar desondaks bizar dat Ierland -waar alles gaat krimpen- nog met bijna 3% groei rekent, economisch bezien welhaast onmogelijk.
Toch is de PIGS ziekte een lastige en in zekere zin besmettelijke. Want veel van de uitstaande middelen bij banken en overheden in PIGSlanden komen ook uit Nederland, van onze pensioenfondsen en banken. Zo verloor de ING dat relatief veel geld via hypotheekverstrekking in Spanje heeft de laatste weken erg fors op de beurs. En echte transparant in welke mate onze pensioenfondsen in de PIGS hebben belegd is er niet, maar het ergste valt te vrezen. Zo vatten wij in Nederland ook griep door varkensziekten elders.
De uitweg? Iedere crisis in de Europese Unie leidt tot nieuwe beleidsinitiatieven die de macht van de lidstaten verder reduceert en die van Europa vergroot. Na de energieproblemen met Rusland (de gaskraan dicht) kwam er Europese coördinatie van het energievraagstuk. Na de IJslandse vulkaanproblemen kwamen er sterke Europese afspraken over luchtverkeer. De actuele budgettaire problemen bij PIGS hebben nu gezorgd voor een tijdelijk noodmechanisme waardoor 750 mrd beschikbaar is gekomen. Maar al vanaf 2013 is er een permanent noodmechanisme. En dat is een enorme stap op budgettair terrein, vanwege de met de regeling samenhangende afspraken over begrotingsbeleid en serieuze sanctiemogelijkheden jegens overtreders.
Historici zullen later deze eeuw waarschijnlijk vaststellen dat vanaf de val van de muur in 1989 binnen 25 jaar een ongekend sterke nieuw Europa is gegroeid met enorme bevoegdheden, een sterk en dualistisch opererend parlement en -na afbouw van de tenenkrommende landbouwsubsidies- behoorlijk effectiviteit. Zo moeten de lidstaten economische en budgettair steeds meer naar Europa luisteren. Nu al moet Nederland de budgettaire plannen om uit de crisis te komen en vergrijzing aan te pakken aan Europa voorleggen. Nieuwe tijden breken aan.
woensdag, november 24, 2010
Leiderschap in verandering
Recensie in tijdschrijft BinnenBerijk, december 2010
Veranderen heeft een harde en een zachte kans, zekerheiden en twijfels. Het boek van Erik Koenen illustreert de waarde van twijfelen en vragen stellen.
Op ieder departement worden de plannen gesmeed hoe gevolg moet worden gegeven aan de nieuwe politieke koers en de uitwerking van de gevolgen voor de organisatie. Inschikken, afslanken en anders werken zijn aan de orde van de dag. Op sommige departementen moet bovendien werk gemaakt worden van een fusieproces. Eerst zijn en worden de directie staven onder de bewindspersonen geïntegreerd. Dan de concernbrede staven als financiën, HRM, juridisch en communicatie. Daarna is de integratie of andere werkwijze van beleidsdirectoraten en –directies aan de orde. Al met al een hele opgave.
Nu zijn er twee soorten rationaliteit nodig in deze tijden. De ene is ‘de school van de duidelijkheid’, die pleit voor een stip op de horizon, een nieuwe missie, visie en doelen plus als het even kan snel ook de hark van de toekomst. Voor niet-insiders, de nieuwe organisatiestructuur. Daadkracht en duidelijkheid, nieuwe zingeving is in dit denken nodig, een marsroute het liefst.
Maar er zijn ook pleidooien voor een opener benadering. Schrijfster Desanne van Brederode hielde tijdens de nacht van advies op de SS Rotterdam de aanwezigen laatst voor juist niet organisaties weer te geven in taartpunten en staafdiagrammen. Een vastliggende aanpak of vooraf omlijnd stappenplan is zelfs ongewenst. Geen mens of organisatie is het zelfde, weg met het sjabloondenken kortom.
Inspirerend en direct hier op aansluitend is het boek van Erik Koenen die schrijft over De kunst van leiderschap in tijden van verandering. Over Amerikaanse managementboeken schrijft hij: ‘Aanvankelijk verwachtte ik hierin de wijsheid, maar het lezen ervan maakte me depressief. Ze staan vol met cases, succesvolle cases…..zij wel.’ Zijn boek gaat uit van de erkenning dat door ergens mee bezig te gaan zaken al veranderen, de veranderaar beïnvloedt. Zoals een roman- of scenarioschrijver zelf niet altijd weet hoe het met de hoofdpersoon zal aflopen, weet een organisatieveranderaar dat ook niet. En dat geeft niet, vindt Koenen. Twijfel, reflectie, bijsturing en intermezzo’s, soft skills kortom, mogen er ook zijn, zoals de computer ook uiteindelijk draait op ‘software’.
Het boek van Koenen is een wonderschoon geïllustreerd boek geworden, met 80 meer of minder bekende schilderijen links en een korte overdenking op de rechterpagina. Bijvoorbeeld de pop-arttekening van Roy Lichtenstein van een verdrinkend meisje (‘I’d rather sink than call Brad for help’) roept bij Koenen de vraag op of bestuurders wel op tijd hulp durven te vragen. Dali inspireert hem tot de idee hoe belangrijk het is om grote dromen te hebben. De schreeuw van Munch tot een pleidooi twijfels uit te spreken, ‘een zwijgend team moet worden ontbonden’.
Een bladerboek kortom met ook een opdracht aan de lezer. Welke illustratie past het meest bij de organisatieverandering waar je nu zelf aanwerkt? De goochelaar van Jeroen Bosch? Slapende reiziger? Dog barking at the moon?
Veranderen heeft een harde en een zachte kans, zekerheiden en twijfels. Het boek van Erik Koenen illustreert de waarde van twijfelen en vragen stellen.
Op ieder departement worden de plannen gesmeed hoe gevolg moet worden gegeven aan de nieuwe politieke koers en de uitwerking van de gevolgen voor de organisatie. Inschikken, afslanken en anders werken zijn aan de orde van de dag. Op sommige departementen moet bovendien werk gemaakt worden van een fusieproces. Eerst zijn en worden de directie staven onder de bewindspersonen geïntegreerd. Dan de concernbrede staven als financiën, HRM, juridisch en communicatie. Daarna is de integratie of andere werkwijze van beleidsdirectoraten en –directies aan de orde. Al met al een hele opgave.
Nu zijn er twee soorten rationaliteit nodig in deze tijden. De ene is ‘de school van de duidelijkheid’, die pleit voor een stip op de horizon, een nieuwe missie, visie en doelen plus als het even kan snel ook de hark van de toekomst. Voor niet-insiders, de nieuwe organisatiestructuur. Daadkracht en duidelijkheid, nieuwe zingeving is in dit denken nodig, een marsroute het liefst.
Maar er zijn ook pleidooien voor een opener benadering. Schrijfster Desanne van Brederode hielde tijdens de nacht van advies op de SS Rotterdam de aanwezigen laatst voor juist niet organisaties weer te geven in taartpunten en staafdiagrammen. Een vastliggende aanpak of vooraf omlijnd stappenplan is zelfs ongewenst. Geen mens of organisatie is het zelfde, weg met het sjabloondenken kortom.
Inspirerend en direct hier op aansluitend is het boek van Erik Koenen die schrijft over De kunst van leiderschap in tijden van verandering. Over Amerikaanse managementboeken schrijft hij: ‘Aanvankelijk verwachtte ik hierin de wijsheid, maar het lezen ervan maakte me depressief. Ze staan vol met cases, succesvolle cases…..zij wel.’ Zijn boek gaat uit van de erkenning dat door ergens mee bezig te gaan zaken al veranderen, de veranderaar beïnvloedt. Zoals een roman- of scenarioschrijver zelf niet altijd weet hoe het met de hoofdpersoon zal aflopen, weet een organisatieveranderaar dat ook niet. En dat geeft niet, vindt Koenen. Twijfel, reflectie, bijsturing en intermezzo’s, soft skills kortom, mogen er ook zijn, zoals de computer ook uiteindelijk draait op ‘software’.
Het boek van Koenen is een wonderschoon geïllustreerd boek geworden, met 80 meer of minder bekende schilderijen links en een korte overdenking op de rechterpagina. Bijvoorbeeld de pop-arttekening van Roy Lichtenstein van een verdrinkend meisje (‘I’d rather sink than call Brad for help’) roept bij Koenen de vraag op of bestuurders wel op tijd hulp durven te vragen. Dali inspireert hem tot de idee hoe belangrijk het is om grote dromen te hebben. De schreeuw van Munch tot een pleidooi twijfels uit te spreken, ‘een zwijgend team moet worden ontbonden’.
Een bladerboek kortom met ook een opdracht aan de lezer. Welke illustratie past het meest bij de organisatieverandering waar je nu zelf aanwerkt? De goochelaar van Jeroen Bosch? Slapende reiziger? Dog barking at the moon?
zondag, november 14, 2010
Weg met de uitvoering?
Column Binnenlands Bestuur dd 19 november 2010
Recente beleidsexperimenten laten iets heel interessant zien: je kunt beleidsdoelen goed realiseren zonder geld uit te geven aan de uitvoerder. Dat klinkt natuurlijk te mooi om waar te zijn maar hoe werkt dat, uitkeringen zonder uitkeerders, subsidies zonder intermediairs, welzijnszorg zonder welzijnswerkers?
In de chique Londense City bestaat een hardnekkig daklozenprobleem. Alle programma’s ten spijt bleek van de doelgroep een groot aantal meerjarig op straat te verblijven, een probleem voor hen en de samenleving als geheel. Maar veel programma’s bleken niet erg effectief. Tot men een experiment startte. Men vroeg buitenslapers die langer dan vier jaar op straat verbleven eenvoudigweg: wat heb je nodig om van straat te gaan? Dertien van hen wilden meewerken. Niemand vroeg onredelijke zaken of te mogen blijven in de daklozenopvang. Maar een eenvoudige wens als ‘een eigen caravan op een woonwagenkamp’ werd zonder direct en tegen beperkte kosten gehonoreerd. Voor gemiddeld ruim 1000 euro per persoon werden zo 11 mensen effectief van straat gehaald, blijvend. Waarom? Betrokkenen gaven aan niet langer betutteld te willen worden maar gegeven de kans zelf verantwoordelijkheid te willen nemen voor hun leven.
Een andere doorbraak kwam van de nu pas 33 jonge Harvard hoogleraar, Fryer. Roland Fryer groeide op zonder moeder, zijn vader mishandelde hem en werd veroordeeld voor verkrachting. Maar Fryer ontsteeg zijn eenvoudige milieu en geldt nu als een van de topeconomen met baanbrekende onderzoeksresultaten rond het effectief stimuleren van schoolprestaties van (vaak zwarte) drop-outs. Hij toonde met veldexperimenten met 18.000 scholieren aan dat een directe beloning voor studenten om regelmatig school te blijven bezoeken leidde tot veel betere resultaten dan bestaande blijf-op-school-programma’s. Ofwel, open eenvoudigweg een bankrekening voor scholieren en betaal voor aanwezigheid, voor ieder gelezen of een andere taak die is voltooid en de leerprestaties stijgen aantoonbaar. En belangrijker, stop beter met bestaande programma’s als kleinere klassen, bonussen voor betere leraren en andere geldverslindende poeha. Geld geven aan scholieren om te werken is eenvoudiger, goedkoper en effectiever.
Laatste voorbeeld. In Malawi krijgen meisjes uit budgetten van de Wereldbank kleine beloningen om langer op school te lijven. Het werkte direct, ze volgden langer onderwijs en hadden als bijkomend effect een veiliger bestaan door een lagere kans op HIV-besmetting.
Zijn er zo meer kansen? Een paar kennen we al. Anders dan in andere landen hebben wij Nederlanders zelf de verantwoordelijkheid de auto te laten keuren, daar komt (bijna) geen ambtenaar meer aan te pas. De Belastingdienst vraagt particulieren zelf hun aangifte via Internet in te typen (dat deden vroeger duizenden tijdelijke krachten!) of bedrijven zelf te laten waarmerken dat hun aangifte correct is, het scheelt enorme uitvoeringslasten.
Maar er kan dus blijkbaar nog veel meer overheidsbeleid worden gerealiseerd zonder de uitvoeringslast bij de overheid te leggen. Soms door ze bij betrokkenen zelf te leggen, soms door te experimenteren met prikkels. De winst is dat er geld vrijgespeeld wordt voor het beleid zelf en we geen schaarser wordende ambtenaren of middelen besteden terwijl er betere kosteneffectieve oplossingen zijn.
Recente beleidsexperimenten laten iets heel interessant zien: je kunt beleidsdoelen goed realiseren zonder geld uit te geven aan de uitvoerder. Dat klinkt natuurlijk te mooi om waar te zijn maar hoe werkt dat, uitkeringen zonder uitkeerders, subsidies zonder intermediairs, welzijnszorg zonder welzijnswerkers?
In de chique Londense City bestaat een hardnekkig daklozenprobleem. Alle programma’s ten spijt bleek van de doelgroep een groot aantal meerjarig op straat te verblijven, een probleem voor hen en de samenleving als geheel. Maar veel programma’s bleken niet erg effectief. Tot men een experiment startte. Men vroeg buitenslapers die langer dan vier jaar op straat verbleven eenvoudigweg: wat heb je nodig om van straat te gaan? Dertien van hen wilden meewerken. Niemand vroeg onredelijke zaken of te mogen blijven in de daklozenopvang. Maar een eenvoudige wens als ‘een eigen caravan op een woonwagenkamp’ werd zonder direct en tegen beperkte kosten gehonoreerd. Voor gemiddeld ruim 1000 euro per persoon werden zo 11 mensen effectief van straat gehaald, blijvend. Waarom? Betrokkenen gaven aan niet langer betutteld te willen worden maar gegeven de kans zelf verantwoordelijkheid te willen nemen voor hun leven.
Een andere doorbraak kwam van de nu pas 33 jonge Harvard hoogleraar, Fryer. Roland Fryer groeide op zonder moeder, zijn vader mishandelde hem en werd veroordeeld voor verkrachting. Maar Fryer ontsteeg zijn eenvoudige milieu en geldt nu als een van de topeconomen met baanbrekende onderzoeksresultaten rond het effectief stimuleren van schoolprestaties van (vaak zwarte) drop-outs. Hij toonde met veldexperimenten met 18.000 scholieren aan dat een directe beloning voor studenten om regelmatig school te blijven bezoeken leidde tot veel betere resultaten dan bestaande blijf-op-school-programma’s. Ofwel, open eenvoudigweg een bankrekening voor scholieren en betaal voor aanwezigheid, voor ieder gelezen of een andere taak die is voltooid en de leerprestaties stijgen aantoonbaar. En belangrijker, stop beter met bestaande programma’s als kleinere klassen, bonussen voor betere leraren en andere geldverslindende poeha. Geld geven aan scholieren om te werken is eenvoudiger, goedkoper en effectiever.
Laatste voorbeeld. In Malawi krijgen meisjes uit budgetten van de Wereldbank kleine beloningen om langer op school te lijven. Het werkte direct, ze volgden langer onderwijs en hadden als bijkomend effect een veiliger bestaan door een lagere kans op HIV-besmetting.
Zijn er zo meer kansen? Een paar kennen we al. Anders dan in andere landen hebben wij Nederlanders zelf de verantwoordelijkheid de auto te laten keuren, daar komt (bijna) geen ambtenaar meer aan te pas. De Belastingdienst vraagt particulieren zelf hun aangifte via Internet in te typen (dat deden vroeger duizenden tijdelijke krachten!) of bedrijven zelf te laten waarmerken dat hun aangifte correct is, het scheelt enorme uitvoeringslasten.
Maar er kan dus blijkbaar nog veel meer overheidsbeleid worden gerealiseerd zonder de uitvoeringslast bij de overheid te leggen. Soms door ze bij betrokkenen zelf te leggen, soms door te experimenteren met prikkels. De winst is dat er geld vrijgespeeld wordt voor het beleid zelf en we geen schaarser wordende ambtenaren of middelen besteden terwijl er betere kosteneffectieve oplossingen zijn.
maandag, november 01, 2010
Actuele opgaven personeelsmanagement
Recensie Binnenberijk november 2010
‘Het kabinet beëindigt het diversiteits/voorkeursbeleid op basis van geslacht en etnische herkomst. Selectie moet plaatsvinden op basis van kwaliteit.’
Het zijn inmiddels bekende zinnen uit het nieuwe regeeraccoord.
Spannend daarom om het Jaarboek Personeelsmanagement te lezen met als thema : ‘Het managen van een heterogene workforce’.
Het jaarlijks verschijnende Jaarboek Personeelsmanagement biedt een goed leesbaar inkijkje in de actuele thema’s op personeelsmanagement terrein. Schrijvers van vooral onderzoeksbureaus bundelen hun onderzoekservaring en belichten dit via een kort en doorwrocht artikel aangevuld met een verslag va een rondetafel bijeenkomst met 5-15 experts uit het werkveld.
Het centrale thema is goedgekozen; het managen van een heterogene workforce is een relevante en actuele opgave. Alleen de aard van de heterogeniteit is divers. Defensie moet militairen en burgers verenigen, Buitenlandse Zaken ‘overplaatsbaren en de Haagse of lokale staf, de Belastingdienst fiscaal juristen economen en accountants. Maar ook moeten departementen beleidsmakers, uitvoerders en toezichthouders intern goed samen laten werken. Allemaal thema’s uit de publieke sector. Graag had ik daar meer over gelezen, maar deze thema’s ontbreken. Het handboek gaat in op die andere heterogeniteit. mannen versus vrouwen, autochtonen versus allochtonen, ouderen en jongeren.
Op het eerste oog zijn de conclusies ontnuchterend. Ten eerste bleek er heel er weinig respons te zijn op alle uitgezette onderzoeken. Maar 2,6% op 17230 vragenlijsten is wel heel weinig. Dit terwijl het thema volgens de schrijvers heel erg leeft. De onderzoeksbevindingen zijn niet heel erg lovend over de mogelijkheden en behaalde successen van diversiteitenbeleid. Bij werving zegt 70% van de respondenten dat diversiteit géén rol speelt. Het sturen van talenten wordt door respondenten belangrijk gevonden, ‘maar dat het er op sturen in de praktijk nog maar weinig gebeurt’. In het hoofdstuk over belonen is te lezen dat ‘diversiteit organisaties veel mogelijkheden biedt’, maar dat het een uiterst complex onderwerp is om beleid op te ontwikkelen, laat staan te implementeren. Het hoofdstuk over ontwikkelen leert dat iedereen investeren in mensen enorm belangrijk vindt, maar dat meer dan de helft van de mensen niet meer of zelfs minder dan een week per jaar ontwikkelingstijd hebben/krijgen en dat budgetten in en na 2011 erg onder druk staan.
Wat is dan wel belangrijk om te weten? Het boek bevat veel leesbaars. Onder andere dat de groei van het arbeidsaanbod komende jaren vrijwel geheel komt van vrouwen, maar dat de participatiegrens van hen vrijwel is bereikt. Er gaat dus na 2015 druk ontstaan op de arbeidsmarkt. Wie nu en straks vrouwen weet te vinden en binden doet het dus goed. Daarnaast is het zaak een succes te maken van de werving en binding van jonge allochtonen, waar nu nog een relatief grote werkloosheid heerst (21%).
Diversiteitbeleid kon en kan door sommigen misschien als een niet verplichte luxe worden gezien in tijden van een ruime arbeidsmarkt. Als deze omslaat en de schaarste komende jaren toeslaat kan een effectief diversiteitbeleid broodnodig zijn. Bijvoorbeeld om vrouwen, jongeren en allochtonen te vinden en te binden, om talenten en specialistische medewerkers te boeien en te ontwikkelen. En om ouderen productief en gezond te houden. Zuinig zijn en blijven op menselijk kapitaal kortom.
‘Het kabinet beëindigt het diversiteits/voorkeursbeleid op basis van geslacht en etnische herkomst. Selectie moet plaatsvinden op basis van kwaliteit.’
Het zijn inmiddels bekende zinnen uit het nieuwe regeeraccoord.
Spannend daarom om het Jaarboek Personeelsmanagement te lezen met als thema : ‘Het managen van een heterogene workforce’.
Het jaarlijks verschijnende Jaarboek Personeelsmanagement biedt een goed leesbaar inkijkje in de actuele thema’s op personeelsmanagement terrein. Schrijvers van vooral onderzoeksbureaus bundelen hun onderzoekservaring en belichten dit via een kort en doorwrocht artikel aangevuld met een verslag va een rondetafel bijeenkomst met 5-15 experts uit het werkveld.
Het centrale thema is goedgekozen; het managen van een heterogene workforce is een relevante en actuele opgave. Alleen de aard van de heterogeniteit is divers. Defensie moet militairen en burgers verenigen, Buitenlandse Zaken ‘overplaatsbaren en de Haagse of lokale staf, de Belastingdienst fiscaal juristen economen en accountants. Maar ook moeten departementen beleidsmakers, uitvoerders en toezichthouders intern goed samen laten werken. Allemaal thema’s uit de publieke sector. Graag had ik daar meer over gelezen, maar deze thema’s ontbreken. Het handboek gaat in op die andere heterogeniteit. mannen versus vrouwen, autochtonen versus allochtonen, ouderen en jongeren.
Op het eerste oog zijn de conclusies ontnuchterend. Ten eerste bleek er heel er weinig respons te zijn op alle uitgezette onderzoeken. Maar 2,6% op 17230 vragenlijsten is wel heel weinig. Dit terwijl het thema volgens de schrijvers heel erg leeft. De onderzoeksbevindingen zijn niet heel erg lovend over de mogelijkheden en behaalde successen van diversiteitenbeleid. Bij werving zegt 70% van de respondenten dat diversiteit géén rol speelt. Het sturen van talenten wordt door respondenten belangrijk gevonden, ‘maar dat het er op sturen in de praktijk nog maar weinig gebeurt’. In het hoofdstuk over belonen is te lezen dat ‘diversiteit organisaties veel mogelijkheden biedt’, maar dat het een uiterst complex onderwerp is om beleid op te ontwikkelen, laat staan te implementeren. Het hoofdstuk over ontwikkelen leert dat iedereen investeren in mensen enorm belangrijk vindt, maar dat meer dan de helft van de mensen niet meer of zelfs minder dan een week per jaar ontwikkelingstijd hebben/krijgen en dat budgetten in en na 2011 erg onder druk staan.
Wat is dan wel belangrijk om te weten? Het boek bevat veel leesbaars. Onder andere dat de groei van het arbeidsaanbod komende jaren vrijwel geheel komt van vrouwen, maar dat de participatiegrens van hen vrijwel is bereikt. Er gaat dus na 2015 druk ontstaan op de arbeidsmarkt. Wie nu en straks vrouwen weet te vinden en binden doet het dus goed. Daarnaast is het zaak een succes te maken van de werving en binding van jonge allochtonen, waar nu nog een relatief grote werkloosheid heerst (21%).
Diversiteitbeleid kon en kan door sommigen misschien als een niet verplichte luxe worden gezien in tijden van een ruime arbeidsmarkt. Als deze omslaat en de schaarste komende jaren toeslaat kan een effectief diversiteitbeleid broodnodig zijn. Bijvoorbeeld om vrouwen, jongeren en allochtonen te vinden en te binden, om talenten en specialistische medewerkers te boeien en te ontwikkelen. En om ouderen productief en gezond te houden. Zuinig zijn en blijven op menselijk kapitaal kortom.
zondag, oktober 31, 2010
Een linkse begroting?
Column Binnenlands Bestuur dd 5 november 2010
Na de start van Rutte is de voorbereiding van de volgende verkiezingen begonnen. Welke budgettaire opties zijn er voor links om een alternatief te bieden voor Rutte-1? Of gaat Rutte in analogie met Lubbers van 1982-989 acht jaar no-nonsense aan de slag voordat links weer mee mag doen, zoals destijds Kok in ’89 van het CDA bij Lubbers mocht aanschuiven?
Volgend de economische analyses eerder in 2010 moet Nederland met het oog op de langere termijn 4,5% van het BBP besparen, de bekende 29 miljard, het houdbaarheidstekort. Dat hoeft volgens de rekenmeester weliswaar niet ineens, maar tot 2014, deze kabinetsperiode, zou er zeker 15 of meer miljarden moeten worden omgebogen. In een latere kabinetsperiode zou dan de rest moeten volgen.
Rutte-1 gaat die opgave aan en beoogt tot 2014 een besparing van deze omvang te realiseren. Natuurlijk opponeren Cohen, Halsema en anderen maar hun alternatieve begrotingsplannen hebben onvoldoende zetels opgeleverd. Het is ook een illusie ervan uit te gaan dat zij de komende jaren veelvuldig betrokken worden bij de alternatieve invulling van budgettaire besparingen. Waarschijnlijk moet men het doen met kleine succesjes, een bepaalde groep die wat ontzien wordt in de beapringen op de zorg hier of een gered orkest daar, maar veel scoringskansen zal Rutte hen niet geven.
Bij wijze van troost zij bedacht dat indien links wel zou hebben meegeregeerd, de huidige keuzen niet heel anders zouden zijn uitgepakt. Ook links zou flink korten op, op sociale zekerheid, zorg en onderwijs, budgettair gezien nu eenmaal de grote drie. Ook ambtenaren(salarissen), bestuurlijke organisatie en publieke dienstverlening zouden door links worden gekortwiekt, en flink ook. Accentverschillen zouden liggen in het eigenwoningdossier (meer), ontwikkelingssamenwerking (minder) en een andere mix van ombuigingen versus belastingmaatregelen.
Hoe kan links dan wel een alternatief beiden voor de komende jaren? Om in 2014 een kans te hebben op een goede uitslag en regeringsdeelname, zou links nu al het debat moeten starten over een eigen invulling van houdbare overheidsfinanciën. Voorstellen moeten optellen tot een ordegrootte van 15 miljard, acceptabel zijn qua robuustheid voor coalitiegenoten en tot slot de (linkse) kiezers bekoren, ga er maar aan staan.
In de zorg zal men de discussie aanmoeten over beperking van het pakket (curatief en AWBZ) en de onvermijdelijke eigen bijdragen. Onontkoombaar zullen burgers meer zelf opzij moeten leggen voor de oude dag en minder rekenen op collectief gefinancierde voorzieningen. Met betrekking tot de sociale zekerheid moet een links geluid komen over ontslagbeperking enerzijds en een werkgeversplicht te investeren in werknemers anderzijds, een dossier waar Rutte weinig aan doet. In het onderwijs moeten dringend maatregelen worden doordacht om de kosten te verlagen en de productiviteit te verhogen. Eigen bijdragen en differentiatie tussen scholen moet ook overwogen worden, hoezeer ook nog taboe.
Het lijkt nog ver weg en een op termijn houdbare begroting is een reuzeklus voor links, maar, zonder zo’n herbezinning en zonder doorbreking van budgettaire taboes is de kans reëel dat men voor acht jaar de politieke woestijn in gaat.
Na de start van Rutte is de voorbereiding van de volgende verkiezingen begonnen. Welke budgettaire opties zijn er voor links om een alternatief te bieden voor Rutte-1? Of gaat Rutte in analogie met Lubbers van 1982-989 acht jaar no-nonsense aan de slag voordat links weer mee mag doen, zoals destijds Kok in ’89 van het CDA bij Lubbers mocht aanschuiven?
Volgend de economische analyses eerder in 2010 moet Nederland met het oog op de langere termijn 4,5% van het BBP besparen, de bekende 29 miljard, het houdbaarheidstekort. Dat hoeft volgens de rekenmeester weliswaar niet ineens, maar tot 2014, deze kabinetsperiode, zou er zeker 15 of meer miljarden moeten worden omgebogen. In een latere kabinetsperiode zou dan de rest moeten volgen.
Rutte-1 gaat die opgave aan en beoogt tot 2014 een besparing van deze omvang te realiseren. Natuurlijk opponeren Cohen, Halsema en anderen maar hun alternatieve begrotingsplannen hebben onvoldoende zetels opgeleverd. Het is ook een illusie ervan uit te gaan dat zij de komende jaren veelvuldig betrokken worden bij de alternatieve invulling van budgettaire besparingen. Waarschijnlijk moet men het doen met kleine succesjes, een bepaalde groep die wat ontzien wordt in de beapringen op de zorg hier of een gered orkest daar, maar veel scoringskansen zal Rutte hen niet geven.
Bij wijze van troost zij bedacht dat indien links wel zou hebben meegeregeerd, de huidige keuzen niet heel anders zouden zijn uitgepakt. Ook links zou flink korten op, op sociale zekerheid, zorg en onderwijs, budgettair gezien nu eenmaal de grote drie. Ook ambtenaren(salarissen), bestuurlijke organisatie en publieke dienstverlening zouden door links worden gekortwiekt, en flink ook. Accentverschillen zouden liggen in het eigenwoningdossier (meer), ontwikkelingssamenwerking (minder) en een andere mix van ombuigingen versus belastingmaatregelen.
Hoe kan links dan wel een alternatief beiden voor de komende jaren? Om in 2014 een kans te hebben op een goede uitslag en regeringsdeelname, zou links nu al het debat moeten starten over een eigen invulling van houdbare overheidsfinanciën. Voorstellen moeten optellen tot een ordegrootte van 15 miljard, acceptabel zijn qua robuustheid voor coalitiegenoten en tot slot de (linkse) kiezers bekoren, ga er maar aan staan.
In de zorg zal men de discussie aanmoeten over beperking van het pakket (curatief en AWBZ) en de onvermijdelijke eigen bijdragen. Onontkoombaar zullen burgers meer zelf opzij moeten leggen voor de oude dag en minder rekenen op collectief gefinancierde voorzieningen. Met betrekking tot de sociale zekerheid moet een links geluid komen over ontslagbeperking enerzijds en een werkgeversplicht te investeren in werknemers anderzijds, een dossier waar Rutte weinig aan doet. In het onderwijs moeten dringend maatregelen worden doordacht om de kosten te verlagen en de productiviteit te verhogen. Eigen bijdragen en differentiatie tussen scholen moet ook overwogen worden, hoezeer ook nog taboe.
Het lijkt nog ver weg en een op termijn houdbare begroting is een reuzeklus voor links, maar, zonder zo’n herbezinning en zonder doorbreking van budgettaire taboes is de kans reëel dat men voor acht jaar de politieke woestijn in gaat.
zondag, oktober 17, 2010
Veel op het spel
Column Binnenlands Bestuur dd 22 oktober 2010
Er is bijna geen land dat niet door de bancaire, economische en budgettaire crisis is getroffen. En er is ook bijna geen land dat er echt lessen uit heeft getrokken. Ook Nederland niet.
Maar eerst even over Ierland, dat ik net bezocht. Op het eiland dat in inwoners en economievier keer kleiner is dan Nederland, heeft de crisis veel harder toegeslagen. Ook de Ierse overheid moest de banken de reddingsboei toewerpen en alleen al een volkomen ontspoorde zakenbank ruim 20 miljard doteren. Ierland heeft nu een bezuinigingsnoodzaak van 18 miljard per jaar, in euri even groot als Nederland maar nogmaals, het land is vier keer zo klein. Veel debat dus ook daar over oorzaken van de crisis en de uitwegen.
‘I spend the better half of my professional career in a corrupt system’, verzuchtte een zakenbankier. Gebrek aan toezicht, een naïeve ,incompetente of misschien deels corrupte politieke topstructuur die banken en vastgoedontwikkelaars geen strobreed in de weg legde en hypotheekverstrekking aan burgers tot surrealistische porporties liet opblazen.
En nu de schaamte, de boosheid en de blaren. Bij banken, projectontwikkelaars, politici en huizenbezitters. Maar iets geleerd? Er zijn nauwelijks vervangingen aan de top, op wat bankiers na. Nieuwe regelgeving is in de maak, maar mosterd na de maaltijd. Pensioenen staan onder druk, ambtenaren leverden a l10-20% salaris in. Resterende budgettaire gaten worden in een binnenkort te verschijnen draconische besparingsoperatie waarschijnlijk gedicht, maar zonder zicht op een alternatieve, betere toekomst. Maar het vertrouwen van kapitaal verstrekkers blijft laag, de leningrente hoog, de toekomst onzeker.
Presteert Nederland beter? De verkiezingen hebben niet direct duidelijkheid gegeven over de te volgen richting. Dat er bezuinigd moest worden was wel duidelijk, zowel links als rechts ging daarvan uit. Maar het dichten van boekhoudkundige gaten alleen is niet genoeg. Als alle budgettair beleid wat dit kabinet Rutte voorstaat slaagt, wat door velen wordt betwijfeld vanwege het zachte karakter van veel besparingen, resteert in 2014 nog steeds een miljardentekort en schuld. Terwijl de echte tikkende tijdklok van vergrijzing al tien jaar is benoemd, zijn we ook in 2014 nog geen stap dichter bij een oplossing, druk als we zijn met het dichten van de gaten die we gisteren hebben veroorzaakt.
De kritiek op dit kabinet is dan niet eens zozeer het boterzachte karakter van de bezuinigingen. De kritiek is het gebrek aan perspectiefvolle investeringen in de toekomst. Drieduizend agenten, 500 animal cops, en een halve snelweg extra van 500 miljoen, maken Nederland niet voldoende sterker en beter of gesteld voor de echte opgaven. Er is geen richtinggevend perspectief op het bestuur dan afschaffing van stadsregio’s en reductie van parlementariërs, geen ambitieuze duurzaamheidagenda om echt te vergroenen, geen doorbraken op de arbeidsmarkt via een levenslange leerplicht of ontslagversoepeling , geen beweging in de huizenmarkt om scheefwonen en hypotheeksubsidie te beperken. Terwijl er zo veel op het spel staat neuzelen we over een Zweeds paspoort en het verbod te huwen met je nichtje.
Never waste a good crisis’, declameerde Obama. Wij doen dat wel.
Er is bijna geen land dat niet door de bancaire, economische en budgettaire crisis is getroffen. En er is ook bijna geen land dat er echt lessen uit heeft getrokken. Ook Nederland niet.
Maar eerst even over Ierland, dat ik net bezocht. Op het eiland dat in inwoners en economievier keer kleiner is dan Nederland, heeft de crisis veel harder toegeslagen. Ook de Ierse overheid moest de banken de reddingsboei toewerpen en alleen al een volkomen ontspoorde zakenbank ruim 20 miljard doteren. Ierland heeft nu een bezuinigingsnoodzaak van 18 miljard per jaar, in euri even groot als Nederland maar nogmaals, het land is vier keer zo klein. Veel debat dus ook daar over oorzaken van de crisis en de uitwegen.
‘I spend the better half of my professional career in a corrupt system’, verzuchtte een zakenbankier. Gebrek aan toezicht, een naïeve ,incompetente of misschien deels corrupte politieke topstructuur die banken en vastgoedontwikkelaars geen strobreed in de weg legde en hypotheekverstrekking aan burgers tot surrealistische porporties liet opblazen.
En nu de schaamte, de boosheid en de blaren. Bij banken, projectontwikkelaars, politici en huizenbezitters. Maar iets geleerd? Er zijn nauwelijks vervangingen aan de top, op wat bankiers na. Nieuwe regelgeving is in de maak, maar mosterd na de maaltijd. Pensioenen staan onder druk, ambtenaren leverden a l10-20% salaris in. Resterende budgettaire gaten worden in een binnenkort te verschijnen draconische besparingsoperatie waarschijnlijk gedicht, maar zonder zicht op een alternatieve, betere toekomst. Maar het vertrouwen van kapitaal verstrekkers blijft laag, de leningrente hoog, de toekomst onzeker.
Presteert Nederland beter? De verkiezingen hebben niet direct duidelijkheid gegeven over de te volgen richting. Dat er bezuinigd moest worden was wel duidelijk, zowel links als rechts ging daarvan uit. Maar het dichten van boekhoudkundige gaten alleen is niet genoeg. Als alle budgettair beleid wat dit kabinet Rutte voorstaat slaagt, wat door velen wordt betwijfeld vanwege het zachte karakter van veel besparingen, resteert in 2014 nog steeds een miljardentekort en schuld. Terwijl de echte tikkende tijdklok van vergrijzing al tien jaar is benoemd, zijn we ook in 2014 nog geen stap dichter bij een oplossing, druk als we zijn met het dichten van de gaten die we gisteren hebben veroorzaakt.
De kritiek op dit kabinet is dan niet eens zozeer het boterzachte karakter van de bezuinigingen. De kritiek is het gebrek aan perspectiefvolle investeringen in de toekomst. Drieduizend agenten, 500 animal cops, en een halve snelweg extra van 500 miljoen, maken Nederland niet voldoende sterker en beter of gesteld voor de echte opgaven. Er is geen richtinggevend perspectief op het bestuur dan afschaffing van stadsregio’s en reductie van parlementariërs, geen ambitieuze duurzaamheidagenda om echt te vergroenen, geen doorbraken op de arbeidsmarkt via een levenslange leerplicht of ontslagversoepeling , geen beweging in de huizenmarkt om scheefwonen en hypotheeksubsidie te beperken. Terwijl er zo veel op het spel staat neuzelen we over een Zweeds paspoort en het verbod te huwen met je nichtje.
Never waste a good crisis’, declameerde Obama. Wij doen dat wel.
zondag, oktober 03, 2010
Met minder mensen minder verdienen
Column Binnenlands Bestuur dd 8 oktober 2010
Cafés en bakkerijen in de buurt van scholen, ministeries en gemeentehuizen gaan goede zaken doen. De komende 10 jaar vertrekken naar schatting 275 duizend ambtenaren, leraren, politieagenten en gevangenisbewaarders. Daarnaast veranderen zo’n half miljoen medewerkers van baan. Veel afscheidstraktaties en borrels kortom.
Zitten er dan geen nadelen aan deze komende uittocht? De mensen worden toch gewoon vervangen? Nee dus. Ten eerste moet de overheid fors krimpen, ten tweede wordt werken bij de overheid minder aantrekkelijk. Want heel leuk is werken bij de overheid straks niet meer. Er is genoeg vraag naar de diensten, maar de personeelsomvang staat fiks onder druk en de lonen zullen achterblijven bij de markt. Met minder mensen minder verdienen kortom.
Kan de overheid dan niet gewoon doelmatiger gaan werken, met minder mensen hetzelfde werk doen of meer? Daar is al jaren aan gewerkt en dat heeft ook veel opgeleverd. Maar het tempo van de verbetering van de arbeidsproductiviteit is door de aard van het overheidswerk niet zo hoog als in de private sector. Het is maar de vraag of de nu gevraagde extra stijging van 1,5% per jaar haalbaar is, los van de stapeling met andere taakstellingen. In Den Haag circuleren nu ramingen dat tot 2015 wel15-25% van de apparaatomvang gereduceerd moet worden. Ten dele door Balkeneindes taakstellingen uit 2007, ten dele door keuzen in de Miljoenennota 2011, ten dele door de nieuwe cumulatieve 1,5%-per jaar-korting, ten dele door generieke en enkele specifieke taakstellingen. Hoe dat te realiseren?
Taken zouden moeten worden geschrapt, bijvoorbeeld in de drie grootste departementale rijkssectoren, belastingen, detentie en weg- en waterbouw.. Bijvoorbeeld fiscale wet- en regelgeving zou zó moeten worden vereenvoudigd, dat de Belastingdienst met substantieel minder mensen toch voldoende belastingen kan blijven binnenhalen én een redelijke controledichtheid blijft realiseren. Maar initiatieven in die richting zijn nog niet genomen.
De omvang van het gevangeniswezen zou beperkt kunnen worden door decriminalisering. Maar plannen als strafbaarstelling van illegaliteit, extra blauw op straat plus 500 ‘animal cops’ wijzen de andere kant op.
Op het terrein van verkeer- en vervoer wil men om Nederland veilig en mobiel te houden extra uitgaven realiseren, niet minder. Natuurlijk kan er meer ingenieurswerk door de markt worden gedaan, maar ook die rekening moet gewoon worden betaald.
Wat is er mogelijk met bestaande ideeën om de overheid doelmatiger te laten werken? Taken overdragen aan anderen overheden? Samengaan of samenwerken van ministeries in shared service centers? Soms een goed idee, niet altijd. Want in alle gevallen maak je de eerste jaren fikse kosten bij de opbouw van gemeenschappelijke voorzieningen, voordat het terugverdienen begint. Zeker is dat je kosten maakt, onzeker blijft of en wanneer de baten worden gerealiseerd.
Nu kundige oudere medewerkers uitstromen, achterblijvers weinig tijd en budget hebben voor aanvullende scholing en training en het binnenhalen van nieuwkomers lastig wordt de kwaliteit van de overheid steeds meer onderwerp van zorg en kan de publiek dienstverlening schraal worden. De overheid wordt daarom zonder inhoudelijke keuzen. zeker kleiner en grijzer, maar niet beter
Cafés en bakkerijen in de buurt van scholen, ministeries en gemeentehuizen gaan goede zaken doen. De komende 10 jaar vertrekken naar schatting 275 duizend ambtenaren, leraren, politieagenten en gevangenisbewaarders. Daarnaast veranderen zo’n half miljoen medewerkers van baan. Veel afscheidstraktaties en borrels kortom.
Zitten er dan geen nadelen aan deze komende uittocht? De mensen worden toch gewoon vervangen? Nee dus. Ten eerste moet de overheid fors krimpen, ten tweede wordt werken bij de overheid minder aantrekkelijk. Want heel leuk is werken bij de overheid straks niet meer. Er is genoeg vraag naar de diensten, maar de personeelsomvang staat fiks onder druk en de lonen zullen achterblijven bij de markt. Met minder mensen minder verdienen kortom.
Kan de overheid dan niet gewoon doelmatiger gaan werken, met minder mensen hetzelfde werk doen of meer? Daar is al jaren aan gewerkt en dat heeft ook veel opgeleverd. Maar het tempo van de verbetering van de arbeidsproductiviteit is door de aard van het overheidswerk niet zo hoog als in de private sector. Het is maar de vraag of de nu gevraagde extra stijging van 1,5% per jaar haalbaar is, los van de stapeling met andere taakstellingen. In Den Haag circuleren nu ramingen dat tot 2015 wel15-25% van de apparaatomvang gereduceerd moet worden. Ten dele door Balkeneindes taakstellingen uit 2007, ten dele door keuzen in de Miljoenennota 2011, ten dele door de nieuwe cumulatieve 1,5%-per jaar-korting, ten dele door generieke en enkele specifieke taakstellingen. Hoe dat te realiseren?
Taken zouden moeten worden geschrapt, bijvoorbeeld in de drie grootste departementale rijkssectoren, belastingen, detentie en weg- en waterbouw.. Bijvoorbeeld fiscale wet- en regelgeving zou zó moeten worden vereenvoudigd, dat de Belastingdienst met substantieel minder mensen toch voldoende belastingen kan blijven binnenhalen én een redelijke controledichtheid blijft realiseren. Maar initiatieven in die richting zijn nog niet genomen.
De omvang van het gevangeniswezen zou beperkt kunnen worden door decriminalisering. Maar plannen als strafbaarstelling van illegaliteit, extra blauw op straat plus 500 ‘animal cops’ wijzen de andere kant op.
Op het terrein van verkeer- en vervoer wil men om Nederland veilig en mobiel te houden extra uitgaven realiseren, niet minder. Natuurlijk kan er meer ingenieurswerk door de markt worden gedaan, maar ook die rekening moet gewoon worden betaald.
Wat is er mogelijk met bestaande ideeën om de overheid doelmatiger te laten werken? Taken overdragen aan anderen overheden? Samengaan of samenwerken van ministeries in shared service centers? Soms een goed idee, niet altijd. Want in alle gevallen maak je de eerste jaren fikse kosten bij de opbouw van gemeenschappelijke voorzieningen, voordat het terugverdienen begint. Zeker is dat je kosten maakt, onzeker blijft of en wanneer de baten worden gerealiseerd.
Nu kundige oudere medewerkers uitstromen, achterblijvers weinig tijd en budget hebben voor aanvullende scholing en training en het binnenhalen van nieuwkomers lastig wordt de kwaliteit van de overheid steeds meer onderwerp van zorg en kan de publiek dienstverlening schraal worden. De overheid wordt daarom zonder inhoudelijke keuzen. zeker kleiner en grijzer, maar niet beter
woensdag, september 22, 2010
Goede non-antwoorden
Recensie tijdschrift Binnenberijk september 2010
(Stine Jensen en Rob Wijnberg Dus ik ben)
Nederland is in een zoektocht beland, een zoektocht naar haar identiteit. De TweedeKamer verkiezingen laten dat zien. Niet eerder haalden zoveel partijen zetels, waren de grote partijen zo klein en de kleine zo groot. De felheid van discussies op Internet en erbuiten doet echter soms denken aan de rechts-links polarisatie in de jaren zeventig. Zelfs de Libelle moest haar Internetforum blokkeren omdat de debatten al te scherp werden. De Libelle!
Jensen en Wijnberg schreven een prachtboek, eigenlijk tien losse hoofdstukken, over deze verwarring. Daarbij nemen ze steeds een aspect van het zoeken naar identiteit, geven de breedte van het debat aan en zoeken naar bronnen in de filosofie die een licht werpen op deze hedendaagse dilemma’s. Over werken, erbij horen, lijden, liefhebben, consumeren en veel meer.
Een van de sterkste betogen is het openingsverhaal over de zoektocht naar de Nederlandse identiteit. Nu de wereld door onze reislust, open grenzen en internationale handelsstromen kleiner lijkt te worden, ervaren mensen dat ook als bedreigend. Hun werk lijkt te verdwijnen naar Polen of Azië en migranten uit Marokko, Turkije en verder worden hun nieuwe buren. Omdat migranten, althans eerste generaties vasthouden aan hun traditie, religie en identiteit, roept dat de prikkelende vraag op wat dan (nog wel) de Nederlandse identiteit is. ‘Alle Menschen werden Brüder’ proclameert de EU als volkslied maar weinigen hier zingen mee. Ziedaar de behoefte aan een historische canon, het Nationaal historisch museum en misschien zelfs de PVV, althans volgens de schrijvers. Dat onbehagen en diep roep om een identiteit is een sterke stroming, waartegen zelfs volksheldin Maxima (‘de Nederlander bestaat niet’) nauwelijks tegenop kan.
Ook sterk is het vertoog over de polemiek tussen Balkenende over het ontslagrecht (‘U liegt en u draait’) en Bos. Aan het einde van het hoofdstuk, als uiteengezet is hoe de filosofen Kant (‘Durf te blijven denken’) en Mill (‘tolerantie als waarde’) aankijken tegen dogmatisme en anti-dogmatisme persifleren ze Wouter Bos die na de aanval van Balkenende ook had kunnen zeggen: ‘Ja meneer Balkenende, ik ben van mening veranderd. Want de feiten en omstandigheden zijn veranderd. (..) Wie nooit van mening veranderd, heeft nooit iets geleerd’.
Tot slot nog iets over het thema werken. Filosofen vragen zich al lang af of werk mensen zich door te werken van zichzelf vervreemden (van Aristoteles tot Marx) of dat werk juist een levensvervulling is. Is werk een lust of een last. Dat debat is nog steeds gaande. De SP fulmineert tegen een hogere AOW-leeftijd (‘na je 65e mag je nog een tijdje van het leven genieten’), D66 noemt dit een achterhaalde kijk op werk uit de tijd van de arbeider achter de lopende band. Steeds laten Jensen en Wijnberg zien hoe de filosofie verklaringen of handvatten biedt voor inzicht in deze actuele discussies en presentere ze een heel positieve, existentialistische kijk op werk, als vorm van zingeving.
Het boek is kortom een verademing in de kakofonie van meningen.
(Stine Jensen en Rob Wijnberg Dus ik ben)
Nederland is in een zoektocht beland, een zoektocht naar haar identiteit. De TweedeKamer verkiezingen laten dat zien. Niet eerder haalden zoveel partijen zetels, waren de grote partijen zo klein en de kleine zo groot. De felheid van discussies op Internet en erbuiten doet echter soms denken aan de rechts-links polarisatie in de jaren zeventig. Zelfs de Libelle moest haar Internetforum blokkeren omdat de debatten al te scherp werden. De Libelle!
Jensen en Wijnberg schreven een prachtboek, eigenlijk tien losse hoofdstukken, over deze verwarring. Daarbij nemen ze steeds een aspect van het zoeken naar identiteit, geven de breedte van het debat aan en zoeken naar bronnen in de filosofie die een licht werpen op deze hedendaagse dilemma’s. Over werken, erbij horen, lijden, liefhebben, consumeren en veel meer.
Een van de sterkste betogen is het openingsverhaal over de zoektocht naar de Nederlandse identiteit. Nu de wereld door onze reislust, open grenzen en internationale handelsstromen kleiner lijkt te worden, ervaren mensen dat ook als bedreigend. Hun werk lijkt te verdwijnen naar Polen of Azië en migranten uit Marokko, Turkije en verder worden hun nieuwe buren. Omdat migranten, althans eerste generaties vasthouden aan hun traditie, religie en identiteit, roept dat de prikkelende vraag op wat dan (nog wel) de Nederlandse identiteit is. ‘Alle Menschen werden Brüder’ proclameert de EU als volkslied maar weinigen hier zingen mee. Ziedaar de behoefte aan een historische canon, het Nationaal historisch museum en misschien zelfs de PVV, althans volgens de schrijvers. Dat onbehagen en diep roep om een identiteit is een sterke stroming, waartegen zelfs volksheldin Maxima (‘de Nederlander bestaat niet’) nauwelijks tegenop kan.
Ook sterk is het vertoog over de polemiek tussen Balkenende over het ontslagrecht (‘U liegt en u draait’) en Bos. Aan het einde van het hoofdstuk, als uiteengezet is hoe de filosofen Kant (‘Durf te blijven denken’) en Mill (‘tolerantie als waarde’) aankijken tegen dogmatisme en anti-dogmatisme persifleren ze Wouter Bos die na de aanval van Balkenende ook had kunnen zeggen: ‘Ja meneer Balkenende, ik ben van mening veranderd. Want de feiten en omstandigheden zijn veranderd. (..) Wie nooit van mening veranderd, heeft nooit iets geleerd’.
Tot slot nog iets over het thema werken. Filosofen vragen zich al lang af of werk mensen zich door te werken van zichzelf vervreemden (van Aristoteles tot Marx) of dat werk juist een levensvervulling is. Is werk een lust of een last. Dat debat is nog steeds gaande. De SP fulmineert tegen een hogere AOW-leeftijd (‘na je 65e mag je nog een tijdje van het leven genieten’), D66 noemt dit een achterhaalde kijk op werk uit de tijd van de arbeider achter de lopende band. Steeds laten Jensen en Wijnberg zien hoe de filosofie verklaringen of handvatten biedt voor inzicht in deze actuele discussies en presentere ze een heel positieve, existentialistische kijk op werk, als vorm van zingeving.
Het boek is kortom een verademing in de kakofonie van meningen.
Niet schaven maar sturen
Recensie tijdschrift Binnenberijk, oktober 2010
Het was vast even spannend voor de uitgever van het boekje van DirkJan de Bruijn of Mark Rutte echt voor 1 juli zijn kabinet gevormd zou hebben. Gelukkig voor hen is het een klassieke formatie geworden van ruim 100 dagen en blijft er ruimte voor een boekje hoe ambtenaren met de komende ombuigingen kunnen omgaan.
Bezuinigen, ombuigen of zoals het tegenwoordig heet in de Miljoennenota ‘consolideren’ is een kunst op zich. Na de politieke toedeling van (kleinere) budgetten moeten er immers nog heel veel nadere keuzen gemaakt worden. Waar en hoe worden organisaties en beleidsplannen gekort en hoe transformeren organisaties zich dan succesvol? De Bruijn, zelf topambtenaar houdt een warm pleidooi voor een soort systematisch empowerment van de verantwoordelijken om de goede keuzen te maken en is tegen de kaasschaaf, het pond-ponds gewijs verdelen van de pijn.
Zijn adagium is dat door een vijftal uitgangspunten centraal te zetten zo’n op empowerment gerichte aanpak mogelijk is. Die uitgangspunten zijn te streven naar gemeenschappelijkheid en een duidelijk doel , de gebruiker van publieke diensten moet centraal staan, tokodenken voorkomen worden, de werkvloer betrokken en tot slot moet het creëren van publieke waarde centraal staan.
Eigenlijk zou het helemaal niet nodig zijn deze nuttige inzichten op te hangen aan de crisis in de overheidsfinanciën. Het lijken op het eerste oog gezonde uitgangspunten voor een eigentijdse publieke organisatie. Wat helaas ontbreekt in de verkenning van de Bruijn is een analyse waarom deze vijf uitgangspunten niet al lang verinnerlijkt zijn in publieke organisaties. Waarom denkt men soms eerder aan de eigen belangen dan die van de gehele keten? Waarom staat de burger niet centraal bij beleidsmakers of ontbreekt doelgerichtheid bij uitvoeringsorganisaties? Is dat bijvoorbeeld door een te veel aan bedrijfsmatigheid - dat veeleer leidt tot het optimaliseren van de eigen deelopdrachten dan integraliteit of publeiek waarden? Of juist door te weinig bedrijfsmatigheid, waardoor de gezamenlijke doelstelling of gebruiker van publieke diensten niet centraal staat. Is ‘tokodenken’ -dat ook heel bindend is naar het eigen team- dan ook per se fout of is bureaupolitiek –los van de vraag van goed of fout- in een bureaucratie nu eenmaal voorstelbaar en tot op zekere hoogte zelfs verdedigbaar zoals VVD-senator Rosenthal ooit eerder betoogde? Helpt het om de overheidsorganisatie 10/15/20% kleiner te maken.
De Bruijn put uit veel recente publicaties en websites maar zou zijn betoog kunnen versterken door een steviger theoretische fundering te zoeken. Een andere optie is nog meer praktijkverhalen ter illustratie toe te voegen. Want waar de theoretische fundering nu ontbreekt, zijn uit eigen praktijk als topambtenaar opgetekende verhalen wel vaak raak en krachtig. Bijvoorbeeld over de eensgezindheid van alle betrokkenen toen de imposante Maeslandkering bij hoogwater gesloten moest worden. Of hoe een bijna mislukte invoering van SAP toch nog ten goede werd gekeerd. Daar is De Bruijn overtuigend in zijn pleidooi voor doelgerichtheid respectievelijk ketendenken. Snel lezen kortom, ter inspiratie bij de komende ombuigingen. En daarna.
Het was vast even spannend voor de uitgever van het boekje van DirkJan de Bruijn of Mark Rutte echt voor 1 juli zijn kabinet gevormd zou hebben. Gelukkig voor hen is het een klassieke formatie geworden van ruim 100 dagen en blijft er ruimte voor een boekje hoe ambtenaren met de komende ombuigingen kunnen omgaan.
Bezuinigen, ombuigen of zoals het tegenwoordig heet in de Miljoennenota ‘consolideren’ is een kunst op zich. Na de politieke toedeling van (kleinere) budgetten moeten er immers nog heel veel nadere keuzen gemaakt worden. Waar en hoe worden organisaties en beleidsplannen gekort en hoe transformeren organisaties zich dan succesvol? De Bruijn, zelf topambtenaar houdt een warm pleidooi voor een soort systematisch empowerment van de verantwoordelijken om de goede keuzen te maken en is tegen de kaasschaaf, het pond-ponds gewijs verdelen van de pijn.
Zijn adagium is dat door een vijftal uitgangspunten centraal te zetten zo’n op empowerment gerichte aanpak mogelijk is. Die uitgangspunten zijn te streven naar gemeenschappelijkheid en een duidelijk doel , de gebruiker van publieke diensten moet centraal staan, tokodenken voorkomen worden, de werkvloer betrokken en tot slot moet het creëren van publieke waarde centraal staan.
Eigenlijk zou het helemaal niet nodig zijn deze nuttige inzichten op te hangen aan de crisis in de overheidsfinanciën. Het lijken op het eerste oog gezonde uitgangspunten voor een eigentijdse publieke organisatie. Wat helaas ontbreekt in de verkenning van de Bruijn is een analyse waarom deze vijf uitgangspunten niet al lang verinnerlijkt zijn in publieke organisaties. Waarom denkt men soms eerder aan de eigen belangen dan die van de gehele keten? Waarom staat de burger niet centraal bij beleidsmakers of ontbreekt doelgerichtheid bij uitvoeringsorganisaties? Is dat bijvoorbeeld door een te veel aan bedrijfsmatigheid - dat veeleer leidt tot het optimaliseren van de eigen deelopdrachten dan integraliteit of publeiek waarden? Of juist door te weinig bedrijfsmatigheid, waardoor de gezamenlijke doelstelling of gebruiker van publieke diensten niet centraal staat. Is ‘tokodenken’ -dat ook heel bindend is naar het eigen team- dan ook per se fout of is bureaupolitiek –los van de vraag van goed of fout- in een bureaucratie nu eenmaal voorstelbaar en tot op zekere hoogte zelfs verdedigbaar zoals VVD-senator Rosenthal ooit eerder betoogde? Helpt het om de overheidsorganisatie 10/15/20% kleiner te maken.
De Bruijn put uit veel recente publicaties en websites maar zou zijn betoog kunnen versterken door een steviger theoretische fundering te zoeken. Een andere optie is nog meer praktijkverhalen ter illustratie toe te voegen. Want waar de theoretische fundering nu ontbreekt, zijn uit eigen praktijk als topambtenaar opgetekende verhalen wel vaak raak en krachtig. Bijvoorbeeld over de eensgezindheid van alle betrokkenen toen de imposante Maeslandkering bij hoogwater gesloten moest worden. Of hoe een bijna mislukte invoering van SAP toch nog ten goede werd gekeerd. Daar is De Bruijn overtuigend in zijn pleidooi voor doelgerichtheid respectievelijk ketendenken. Snel lezen kortom, ter inspiratie bij de komende ombuigingen. En daarna.
dinsdag, september 21, 2010
Lees die Miljoennnota
Column Binnenlands Bestuur dd 24 september 2010
Welgeteld nul keer komt het begrip ombuigen voor in de Miljoenennota, ongelooflijk maar waar. Terwijl er toch 125 keer wordt gesproken over ‘crisis’. De reden? Het nieuwe Haagse buzzword dat uit den treure herhaald wordt is ‘consolideren’ of ‘consolidatie’, maar liefst 65 keer,meer dan er tekstbladzijden zijn. Consolideren, het nieuwe eufemisme voor bezuinigen (oud), ombuigen (fout), besparen (uit). Nederland gaat kortom consolideren als het aan Financiën ligt.
Maar wie er ook minister is, de nota over de toestand van ’s rijks financiën, de echte naam van de Miljoennnota, behoort tot de beste nota’s die het kabinet jaarlijks produceert. Het is een afgewogen samenspel van inzichten uit de wetenschap, beleidsonderzoek en actuele economische data. Vaak is er een zekere reflectie op eerdere (niet zelden achteraf niet correct gebleken) economische en budgettaire veronderstellingen, hetgeen getuigt van heilzame zelfkritiek. Tezamen met nuttige verdiepings’boxen’ en informatieve grafieken behoort ze kortom tot de best leesbare beleidsnota’s. Via de eigen website miljoenennota.prinsjesdag2010.nl kan ze redelijk eenvoudig worden gevonden en doorzocht.
Soms gaan de vlijtige Financiënambtenaren wel ver met verwijzingen, bijvoorbeeld wanneer men naar wetenschappelijke literatuur aanhaalt. Dan wordt in een olijke noot verwezen naar het werk van Max Winkler uit 1933 over buitenlandse staatsobligaties, vast een klassieker - maar dan voor de echte liefhebber die 80 jaar oude werkjes raadpleegt. Relevanter is de verwijzing en benutting van recent beleidsonderzoek zoals van Roel Beetsma over het belang van sterke begrotingsinstituties - al is dat wel een beetje ‘kijk ons eens belangrijk zijn’.
Sterk zijn de gepresenteerde data, vaak in de vorm van informatieve grafieken die groei of krimp van belangrijke kerngegevens als schuld en tekort presenteren, landenvergelijkingen en trendanalyses. Ook de verdiepingsboxen zijn nuttig, zoals de uiteenzetting hoe de bonusstructuur van de plattelandsbanken in Amerika kleine regionale Duitse spaarbanken ten gronde richtte. De Amerikaanse bank hoefde niet meer op de risico’s van hypotheekleningen te letten, maar werd door de afwentelmogelijkheid (aan de Duitser) gedreven door bonussen steeds, roekelozer. Dit terwijl de Duitse bank erg slechte leningen kocht zonder de precieze risico’s te kennen, tot alles klapte. Men had het verhaal ook kunnen vertellen met een Nederlandse bank als ING, Rabo of ABNAmro maar dat was kennelijk te pijnlijk en dichtbij.
Erg belangrijk is de korte passage die uiteenzet dat de beoogde krimp van het EMU-saldo in 2011 veel sneller gaat dan de eis die Europa stelt. De EU vraagt slechts een jaarlijkse daling van 0,75% -zolang een land boven de 3,5% tekort scoort- en een jaardaling van een half procent zolang men tussen de drie en nul noteert. Kortom, volgens Europa mag Nederland van de huidige 4,8 % tekort eind 2010 naar 4% eind 2011, 3,25% eind 2012, 2,5% eind 2013 en 2% eind 2014. Dat is een geleidelijker tempo dan het rechts kabinet in de maak nu beoogt, zeg maar het PvdA-pad.
Per saldo is het daarom jammer dat de magere inhoud dit jaar al uitlekte en deze editie waarschijnlijk vrijwel ongelezen blijft. Er staat nog genoeg relevants in.
Welgeteld nul keer komt het begrip ombuigen voor in de Miljoenennota, ongelooflijk maar waar. Terwijl er toch 125 keer wordt gesproken over ‘crisis’. De reden? Het nieuwe Haagse buzzword dat uit den treure herhaald wordt is ‘consolideren’ of ‘consolidatie’, maar liefst 65 keer,meer dan er tekstbladzijden zijn. Consolideren, het nieuwe eufemisme voor bezuinigen (oud), ombuigen (fout), besparen (uit). Nederland gaat kortom consolideren als het aan Financiën ligt.
Maar wie er ook minister is, de nota over de toestand van ’s rijks financiën, de echte naam van de Miljoennnota, behoort tot de beste nota’s die het kabinet jaarlijks produceert. Het is een afgewogen samenspel van inzichten uit de wetenschap, beleidsonderzoek en actuele economische data. Vaak is er een zekere reflectie op eerdere (niet zelden achteraf niet correct gebleken) economische en budgettaire veronderstellingen, hetgeen getuigt van heilzame zelfkritiek. Tezamen met nuttige verdiepings’boxen’ en informatieve grafieken behoort ze kortom tot de best leesbare beleidsnota’s. Via de eigen website miljoenennota.prinsjesdag2010.nl kan ze redelijk eenvoudig worden gevonden en doorzocht.
Soms gaan de vlijtige Financiënambtenaren wel ver met verwijzingen, bijvoorbeeld wanneer men naar wetenschappelijke literatuur aanhaalt. Dan wordt in een olijke noot verwezen naar het werk van Max Winkler uit 1933 over buitenlandse staatsobligaties, vast een klassieker - maar dan voor de echte liefhebber die 80 jaar oude werkjes raadpleegt. Relevanter is de verwijzing en benutting van recent beleidsonderzoek zoals van Roel Beetsma over het belang van sterke begrotingsinstituties - al is dat wel een beetje ‘kijk ons eens belangrijk zijn’.
Sterk zijn de gepresenteerde data, vaak in de vorm van informatieve grafieken die groei of krimp van belangrijke kerngegevens als schuld en tekort presenteren, landenvergelijkingen en trendanalyses. Ook de verdiepingsboxen zijn nuttig, zoals de uiteenzetting hoe de bonusstructuur van de plattelandsbanken in Amerika kleine regionale Duitse spaarbanken ten gronde richtte. De Amerikaanse bank hoefde niet meer op de risico’s van hypotheekleningen te letten, maar werd door de afwentelmogelijkheid (aan de Duitser) gedreven door bonussen steeds, roekelozer. Dit terwijl de Duitse bank erg slechte leningen kocht zonder de precieze risico’s te kennen, tot alles klapte. Men had het verhaal ook kunnen vertellen met een Nederlandse bank als ING, Rabo of ABNAmro maar dat was kennelijk te pijnlijk en dichtbij.
Erg belangrijk is de korte passage die uiteenzet dat de beoogde krimp van het EMU-saldo in 2011 veel sneller gaat dan de eis die Europa stelt. De EU vraagt slechts een jaarlijkse daling van 0,75% -zolang een land boven de 3,5% tekort scoort- en een jaardaling van een half procent zolang men tussen de drie en nul noteert. Kortom, volgens Europa mag Nederland van de huidige 4,8 % tekort eind 2010 naar 4% eind 2011, 3,25% eind 2012, 2,5% eind 2013 en 2% eind 2014. Dat is een geleidelijker tempo dan het rechts kabinet in de maak nu beoogt, zeg maar het PvdA-pad.
Per saldo is het daarom jammer dat de magere inhoud dit jaar al uitlekte en deze editie waarschijnlijk vrijwel ongelezen blijft. Er staat nog genoeg relevants in.
zondag, september 19, 2010
Leiderschap aub
Column Binnenlands Bestuur dd 10 september 2010
Toen de Miljoenennota 2010 verscheen, nu bijna een jaar geleden, was de kritiek op de plannen niet mals. Kern was dat er geen echte budgettaire of beleidsmatige keuzen werden gemaakt, maar alleen twintig heroverwegingswerkgroepen werden ingesteld. Juist toen er politiek leiderschap nodig was, gaven Balkenende en Bos niet thuis en werd een begroting zonder keuzen gepresenteerd. Dit leidde tot maatschappelijke onrust, omdat iedereen begreep dat er grote beleidswijzigingen zouden komen, maar niemand zeker wist hoe dat burgers en bedrijven concreet zou raken. Zelfs in de grootste crisis sinds de jaren 30 van de vorige eeuw ontbrak het aan onderling vertrouwen en leiderschap om over de eigen partijpolitieke schaduw heen te springen. Er werd wel geopperd dat het beter was dat er vervroegd verkiezingen zouden worden uitgeschreven.
Inmiddels zijn die vervroegde verkiezingen geweest en drie maanden later weten we dat ook de aanstaande Miljoenennota 2011 een zeer beleidsarm karakter zal krijgen. Het spaarloon komt vrij, de verkeersboetes gaan omhoog en de nieuwe keuken wordt tegen laag BTW-tarief geplaatst, Dit was Den Haag, goedenavond. Wat een troonrede zal dat worden, arme Beatrix. Maar gaat de AOW-leeftijd nu defintief omhoog, verandert het ontslagrecht, verdwijnt de studiebeurs, wordt de AWBZ uitgekleed, stijgen de huren, verdwijnt de hypotheekrenteaftrek?
Nog scherper dan een jaar geleden kan de kritiek op politici worden herhaald. Alsof er geen reusachtige economische problemen zijn, wordt de coalitievorming vertraagd door gebrek aan leiderschap, te veel partijpolitieke en te weinig nationaalpolitieke overwegingen. En opnieuw worden de problemen over de schutting gekieperd naar een volgend begrotingsjaar. Dat doet het broze economisch herstel alles behalve goed.
De realiteit is dat er nog maar één coalitie te vormen is die een meerderheid heeft met deelname van drie partijen, een coalitie van VVD, CDA en PvdA. Ook in deze coalitie voor alle drie de partijen uiteindelijk voldoende te halen. De VVD kan de premier leveren en een aantal duidelijke ‘rechtse’ ombuigingen realiseren. De PvdA kan dankzij de aantrekkende groei de totale omvang van de ombuigingen wat beperken en zo haar sociale gezicht tonen. Het CDA kan aantonen dat ze onmisbaar is voor het landsbestuur.
Dat betekent aan de andere kant ook wat inleveren. De VVD kan niet 18 miljard ombuigingen realiseren maar 14-15 miljard is ook immens. De PvdA kan misschien niet de hypotheekrenteaftrek beperken maar via verhoging van het huurwaardefortfait toch materieel iets bereiken. Het CDA kan misschien door de minister van Financien te leveren eigen accenten aanbrengen.
Als de coalitiepartijen elkaar het licht niet in de ogen gunnen, besluiteloos blijven en Nederland in afwachting blijft van kloeke daden, zal dat uiteindelijk de aantrekkelijkheid van buitenpartijen als SP en PVV verder vergroten. Pijnlijke ingrepen zijjn nu gewenst en acceptabel.Doorgaan met het ontwijken van keuzen is het allerslechtse wat we kunnen doen. Alleen snelle maatregelen doen de beleidsonzekerheid over toekomstige maatregelen afnemen. Als burgers en bedrijven duidelijkheid krijgen over wat ze de komende jaren boven het hoofd hangt, ontstaat mogelijk gaandeweg waardering voor de partijen die boven zichzelf uitstijgen en politieke en financieel knopen doorhakken.
Toen de Miljoenennota 2010 verscheen, nu bijna een jaar geleden, was de kritiek op de plannen niet mals. Kern was dat er geen echte budgettaire of beleidsmatige keuzen werden gemaakt, maar alleen twintig heroverwegingswerkgroepen werden ingesteld. Juist toen er politiek leiderschap nodig was, gaven Balkenende en Bos niet thuis en werd een begroting zonder keuzen gepresenteerd. Dit leidde tot maatschappelijke onrust, omdat iedereen begreep dat er grote beleidswijzigingen zouden komen, maar niemand zeker wist hoe dat burgers en bedrijven concreet zou raken. Zelfs in de grootste crisis sinds de jaren 30 van de vorige eeuw ontbrak het aan onderling vertrouwen en leiderschap om over de eigen partijpolitieke schaduw heen te springen. Er werd wel geopperd dat het beter was dat er vervroegd verkiezingen zouden worden uitgeschreven.
Inmiddels zijn die vervroegde verkiezingen geweest en drie maanden later weten we dat ook de aanstaande Miljoenennota 2011 een zeer beleidsarm karakter zal krijgen. Het spaarloon komt vrij, de verkeersboetes gaan omhoog en de nieuwe keuken wordt tegen laag BTW-tarief geplaatst, Dit was Den Haag, goedenavond. Wat een troonrede zal dat worden, arme Beatrix. Maar gaat de AOW-leeftijd nu defintief omhoog, verandert het ontslagrecht, verdwijnt de studiebeurs, wordt de AWBZ uitgekleed, stijgen de huren, verdwijnt de hypotheekrenteaftrek?
Nog scherper dan een jaar geleden kan de kritiek op politici worden herhaald. Alsof er geen reusachtige economische problemen zijn, wordt de coalitievorming vertraagd door gebrek aan leiderschap, te veel partijpolitieke en te weinig nationaalpolitieke overwegingen. En opnieuw worden de problemen over de schutting gekieperd naar een volgend begrotingsjaar. Dat doet het broze economisch herstel alles behalve goed.
De realiteit is dat er nog maar één coalitie te vormen is die een meerderheid heeft met deelname van drie partijen, een coalitie van VVD, CDA en PvdA. Ook in deze coalitie voor alle drie de partijen uiteindelijk voldoende te halen. De VVD kan de premier leveren en een aantal duidelijke ‘rechtse’ ombuigingen realiseren. De PvdA kan dankzij de aantrekkende groei de totale omvang van de ombuigingen wat beperken en zo haar sociale gezicht tonen. Het CDA kan aantonen dat ze onmisbaar is voor het landsbestuur.
Dat betekent aan de andere kant ook wat inleveren. De VVD kan niet 18 miljard ombuigingen realiseren maar 14-15 miljard is ook immens. De PvdA kan misschien niet de hypotheekrenteaftrek beperken maar via verhoging van het huurwaardefortfait toch materieel iets bereiken. Het CDA kan misschien door de minister van Financien te leveren eigen accenten aanbrengen.
Als de coalitiepartijen elkaar het licht niet in de ogen gunnen, besluiteloos blijven en Nederland in afwachting blijft van kloeke daden, zal dat uiteindelijk de aantrekkelijkheid van buitenpartijen als SP en PVV verder vergroten. Pijnlijke ingrepen zijjn nu gewenst en acceptabel.Doorgaan met het ontwijken van keuzen is het allerslechtse wat we kunnen doen. Alleen snelle maatregelen doen de beleidsonzekerheid over toekomstige maatregelen afnemen. Als burgers en bedrijven duidelijkheid krijgen over wat ze de komende jaren boven het hoofd hangt, ontstaat mogelijk gaandeweg waardering voor de partijen die boven zichzelf uitstijgen en politieke en financieel knopen doorhakken.
zaterdag, augustus 14, 2010
Rechtse hobby’s
Column Binnenlands Bestuur dd 27 augustus 2010
Er is geen groter lijden dan het lijden dat men vreest. Toch leidt de vrees voor een rechts kabinet tot -verder anekdotische- initiatieven van de groep die met stickers laat zien welke uitgavenposten ofwel ‘linkse hobby’s’ kunnen verdwijnen als rechts regeert. Op het internet post men bij www.linksehobby.nu/ de voorbeelden. Vooral kunst, cultuur en zorg zouden veel te vrezen hebben van rechts. Maar wanneer is iets een financiële of politieke hobby, hoe kunnen hobby’s ontstaan en tot slot, zijn er ook rechts hobby’s?
Met hobby’s wordt waarschijnlijk gedoeld op uitgavenposten die vooral van één politieke zijde (bijvoorbeeld links) steun hebben maar desondanks toch door de brede volksvertegenwoordiging geaccordeerd zijn. Ergens in het proces van begrotingsonderhandelingen lukt het de minderheid een meerderheid te krijgen voor de eigen ideeën. Hilarisch zijn de Amerikaanse voorbeelden van zogenaamde ‘pork & barrel’ waar politici in ruil voor steun aan een begrotingswet allerlei kleine voordeeltjes voor hun eigen staat er uit slepen. Daar worden hobby’s vooral gerealiseerd als gevolg van het systeem van regionale volksvertegenwoordigers, die eigen belangen realiseren in het begrotingsproces
Maar waarom zouden CDA en VVD ooit ingestemd hebben met het ontstaan van linkse hobby’s? Er lijkt me maar een aannemelijke verklaring. Die is dat ze een klein kwaad gedogen en steun geven aan een linkse hobby om een eigen resultaat te boeken. Wat zijn de rechtse hobby’s? Voor het CDA vast de financiering van het bijzonder onderwijs, BTW-vrijstellingen voor boeren en tuinders, laag BTW-energietarief voor kerken (en moskeeën), de giftenaftrek aan kerken. Voor de VVD de hypotheekrenteaftrek natuurlijk, de JSF (of niet meer?), fiscale faciliteiten voor ondernemers en subsidies voor het bedrijfsleven? Voor Wilders steun aan pro-Israelgroepen?
Komt er een einde aan rechts hobby’s als links regeert en vice versa? Ik denk het niet. De werkelijkheid is dat we in Nederland een oneindig genuanceerd land zijn. Vrijwel alle linkse hobby’s hebben ook de steun van rechts en vice versa. Ook de VVD heeft een diepe verbinding met bijvoorbeeld kunst en cultuur. De helft of meer van de besturen van muziek-, toneel- en dansgezelschappen bestaat uit rechtse stemmers, ex- politici of hun levensgezellen. De VVD had lange tijd als vrijwel enige partij in haar programma staan dat één procent van de rijksuitgaven naar kunst en cultuur moest gaan.
En de gezondsheidszorg dan? Moet die lijden onder rechts? Niet meer dan onder links. Ook onder CDA- en VVD ministers zijn de zorguitgaven tomeloos gegroeid, jaar in, jaar uit, meer dan begroot. En geen enkele CDA- of VVD-minister van Financiën heeft daar een stokje voor kunnen steken, enkele pogingen te spijt. Met de PvdA in het kabinet zou ook op zorg omgebogen worden, met de PVV erbij wordt dat niet per se veel slechter.
Als er al een heuse rechts hobby te noemen valt, is dat om links op de kast te krijgen door vileine, halfware of net onder de gordel geplaatste plaagstootjes. Resultaat gegarandeerd.
Er is geen groter lijden dan het lijden dat men vreest. Toch leidt de vrees voor een rechts kabinet tot -verder anekdotische- initiatieven van de groep die met stickers laat zien welke uitgavenposten ofwel ‘linkse hobby’s’ kunnen verdwijnen als rechts regeert. Op het internet post men bij www.linksehobby.nu/ de voorbeelden. Vooral kunst, cultuur en zorg zouden veel te vrezen hebben van rechts. Maar wanneer is iets een financiële of politieke hobby, hoe kunnen hobby’s ontstaan en tot slot, zijn er ook rechts hobby’s?
Met hobby’s wordt waarschijnlijk gedoeld op uitgavenposten die vooral van één politieke zijde (bijvoorbeeld links) steun hebben maar desondanks toch door de brede volksvertegenwoordiging geaccordeerd zijn. Ergens in het proces van begrotingsonderhandelingen lukt het de minderheid een meerderheid te krijgen voor de eigen ideeën. Hilarisch zijn de Amerikaanse voorbeelden van zogenaamde ‘pork & barrel’ waar politici in ruil voor steun aan een begrotingswet allerlei kleine voordeeltjes voor hun eigen staat er uit slepen. Daar worden hobby’s vooral gerealiseerd als gevolg van het systeem van regionale volksvertegenwoordigers, die eigen belangen realiseren in het begrotingsproces
Maar waarom zouden CDA en VVD ooit ingestemd hebben met het ontstaan van linkse hobby’s? Er lijkt me maar een aannemelijke verklaring. Die is dat ze een klein kwaad gedogen en steun geven aan een linkse hobby om een eigen resultaat te boeken. Wat zijn de rechtse hobby’s? Voor het CDA vast de financiering van het bijzonder onderwijs, BTW-vrijstellingen voor boeren en tuinders, laag BTW-energietarief voor kerken (en moskeeën), de giftenaftrek aan kerken. Voor de VVD de hypotheekrenteaftrek natuurlijk, de JSF (of niet meer?), fiscale faciliteiten voor ondernemers en subsidies voor het bedrijfsleven? Voor Wilders steun aan pro-Israelgroepen?
Komt er een einde aan rechts hobby’s als links regeert en vice versa? Ik denk het niet. De werkelijkheid is dat we in Nederland een oneindig genuanceerd land zijn. Vrijwel alle linkse hobby’s hebben ook de steun van rechts en vice versa. Ook de VVD heeft een diepe verbinding met bijvoorbeeld kunst en cultuur. De helft of meer van de besturen van muziek-, toneel- en dansgezelschappen bestaat uit rechtse stemmers, ex- politici of hun levensgezellen. De VVD had lange tijd als vrijwel enige partij in haar programma staan dat één procent van de rijksuitgaven naar kunst en cultuur moest gaan.
En de gezondsheidszorg dan? Moet die lijden onder rechts? Niet meer dan onder links. Ook onder CDA- en VVD ministers zijn de zorguitgaven tomeloos gegroeid, jaar in, jaar uit, meer dan begroot. En geen enkele CDA- of VVD-minister van Financiën heeft daar een stokje voor kunnen steken, enkele pogingen te spijt. Met de PvdA in het kabinet zou ook op zorg omgebogen worden, met de PVV erbij wordt dat niet per se veel slechter.
Als er al een heuse rechts hobby te noemen valt, is dat om links op de kast te krijgen door vileine, halfware of net onder de gordel geplaatste plaagstootjes. Resultaat gegarandeerd.
vrijdag, augustus 13, 2010
Zin om te bezuinigen?
Column Binnenlands Bestuur dd 6 augustus 2010
Over een week of zes presenteert het kabinet, het demissionaire danwel het nieuwe, de Miljoenennota. Dat moet grondwettelijk nu eenmaal, ook als de coalitieonderhandelingen stokken Een van de zaken waar reikhalzend naar uitgekeken wordt is in welke omvang en op welke posten er wordt bezuinigd. Dát er bezuinigd moet worden is onomstreden. Economen, en politieke partijen discussieerden alleen nog over de vraag hoe snel en in welke omvang dit moest plaatsvinden.
De laatste officiële cijfers zijn van eind mei toen Financiën bekend maakte dat in 2010 de getallen allen met een zes beginnen en eindigen. Het geraamde tekort bedraagt 6,6% van het nationaal inkomen en de schuld loopt op tot 66%.
Historisch gezien zijn dat erg hoge uitslagen. In Europees perspectief valt die omvang echter wel meer mee. Veel landen hebben een hogere schuld, zelfs Duitsland steekt daar nog boven uit. Het tekort van ruim zes procent bevindt zich ongeveer op het Europees gemiddelde, met boven ons de hele club Mediterrannee, de Middellandse Zee landen waar velen deze weken hun vakantie doorbrengen.
In toekomstig perspectief staat Nederland er ook niet heel slecht voor. We vergrijzen en zullen daarvoor moeten ombuigen, maar een groot deel van de toekomstige pensioenen is al kapitaalgedekt en de pensioenleeftijd zal binnenkort formeel worden verhoogd. Die situatie is bepaald gunstiger dan andere landen waar niet altijd een kapitaaldekking is, de pensioenleeftijd lager is en het maatschappelijk verzet tegen verhoging veel groter.
Moet de bezuiniging in Nederland dan wel echt zo snel en omvangrijk? Moesten de onderhandelingen tussen VVD en PvdA nu per se daarop stranden? Waarschijnlijk is dat niet de omvang van de bezuinigingen het echte breekpunt zijn geweest maar de achterliggende staatsopvatting. De VVD streeft een kleinere collectieve sector en lagere belastingen na en kan het breed aanwezige besef dat er moet worden bezuinigd gebruiken om dat te realiseren. Net zoals de PVV in Den Haag de bezuinigingsnoodzaak als alibi gebruikt om kunst- en cultuursubsidies tot onderwerp van aandacht te verklaren.
De crisis en de bezuinigingsnoodzaak wordt kortom gebruikt als alibi om politieke doelen te realiseren. Rutte moet wel voortmaken omdat het crisisbesef snel aan het teruglopen is. Er zullen heel wat speeches nodig zijn om dat besef weer een beetje ‘op te wekken’ dit najaar en voldoende maatschappelijke steun te verzamelen voor verstrekkende maatregelen.
Wel vatbaar voor kritiek is paniekvoetbal, als ondoordachte crisismaatregelen worden voorgesteld zonder dat er een economisch deugdelijke grondslag is. Een voorbeeld daarvan is de opheffing van de blokkade op spaarloon.
Deze maatregel is om twee redenen niet slim gekozen. Economisch is er nauwelijks effect te verwachten. Slechts een deel ervan zal worden gebruikt en wat resteert is geen half of kwart procent van het nationaal inkomen, verwaarloosbaar. Ook de timing deugde niet. Politiek was het slimmer geweest de maatregel onderdeel te maken van een groot en omvangrijk bezuinigingspakket. Nu is het weggegeven door een demissionair kabinet en kan bezuinigingspremier Rutte dat niet meer doen. Een beginnersfout of gebrek aan regie?
Over een week of zes presenteert het kabinet, het demissionaire danwel het nieuwe, de Miljoenennota. Dat moet grondwettelijk nu eenmaal, ook als de coalitieonderhandelingen stokken Een van de zaken waar reikhalzend naar uitgekeken wordt is in welke omvang en op welke posten er wordt bezuinigd. Dát er bezuinigd moet worden is onomstreden. Economen, en politieke partijen discussieerden alleen nog over de vraag hoe snel en in welke omvang dit moest plaatsvinden.
De laatste officiële cijfers zijn van eind mei toen Financiën bekend maakte dat in 2010 de getallen allen met een zes beginnen en eindigen. Het geraamde tekort bedraagt 6,6% van het nationaal inkomen en de schuld loopt op tot 66%.
Historisch gezien zijn dat erg hoge uitslagen. In Europees perspectief valt die omvang echter wel meer mee. Veel landen hebben een hogere schuld, zelfs Duitsland steekt daar nog boven uit. Het tekort van ruim zes procent bevindt zich ongeveer op het Europees gemiddelde, met boven ons de hele club Mediterrannee, de Middellandse Zee landen waar velen deze weken hun vakantie doorbrengen.
In toekomstig perspectief staat Nederland er ook niet heel slecht voor. We vergrijzen en zullen daarvoor moeten ombuigen, maar een groot deel van de toekomstige pensioenen is al kapitaalgedekt en de pensioenleeftijd zal binnenkort formeel worden verhoogd. Die situatie is bepaald gunstiger dan andere landen waar niet altijd een kapitaaldekking is, de pensioenleeftijd lager is en het maatschappelijk verzet tegen verhoging veel groter.
Moet de bezuiniging in Nederland dan wel echt zo snel en omvangrijk? Moesten de onderhandelingen tussen VVD en PvdA nu per se daarop stranden? Waarschijnlijk is dat niet de omvang van de bezuinigingen het echte breekpunt zijn geweest maar de achterliggende staatsopvatting. De VVD streeft een kleinere collectieve sector en lagere belastingen na en kan het breed aanwezige besef dat er moet worden bezuinigd gebruiken om dat te realiseren. Net zoals de PVV in Den Haag de bezuinigingsnoodzaak als alibi gebruikt om kunst- en cultuursubsidies tot onderwerp van aandacht te verklaren.
De crisis en de bezuinigingsnoodzaak wordt kortom gebruikt als alibi om politieke doelen te realiseren. Rutte moet wel voortmaken omdat het crisisbesef snel aan het teruglopen is. Er zullen heel wat speeches nodig zijn om dat besef weer een beetje ‘op te wekken’ dit najaar en voldoende maatschappelijke steun te verzamelen voor verstrekkende maatregelen.
Wel vatbaar voor kritiek is paniekvoetbal, als ondoordachte crisismaatregelen worden voorgesteld zonder dat er een economisch deugdelijke grondslag is. Een voorbeeld daarvan is de opheffing van de blokkade op spaarloon.
Deze maatregel is om twee redenen niet slim gekozen. Economisch is er nauwelijks effect te verwachten. Slechts een deel ervan zal worden gebruikt en wat resteert is geen half of kwart procent van het nationaal inkomen, verwaarloosbaar. Ook de timing deugde niet. Politiek was het slimmer geweest de maatregel onderdeel te maken van een groot en omvangrijk bezuinigingspakket. Nu is het weggegeven door een demissionair kabinet en kan bezuinigingspremier Rutte dat niet meer doen. Een beginnersfout of gebrek aan regie?
maandag, juli 05, 2010
Wendbaarheid
Column Binnenlands Bestuur dd 9 juli 2010
Verleidelijk om een voetbalcolumn te schrijven. Oranje verdringt immers deze dagen zelf de discussies over Paars, even lijkt zelfs het gesomber over de overheidsfinanciën ver weg. Los van het resultaat van Oranje, na de euforie of roes rest er toch weer een geweldige financiële opgave. Net alsin de sport kan dan echter ‘wendbaarheid’, of gebrek daaraan van groot belang blijken te zijn. Wendbaarheid is een halszaak voor een voetballer, maar ook bij de verklaring en verkenning van oplossingen voor de crisis in de overheidsfinanciën is wendbaarheid een belangrijk issue.
Toen in de september 2008 de banken begonnen te wankelen en de economie wereldwijd omsloeg, was het eerste effect op de overheidsfinanciën gering. In 2009 en 2010 is het echter goed misgegaan. De uitgavenkaders werden met respectievelijk 5 en 6 miljard overschreden, de economische krimp van 4% in 2009 leidde tot een fikse belastingderving. Eerst koos het kabinet ervoor niet direct ombuigingen te starten toen de economie kromp om de crisis niet nog verder te verdiepen. Maar de vraag is, beschikken we wel over de wendbaarheid om snel om te buigen - en zo nee, hoe kan dat worden verbeterd?
Drie factoren spelen een rol bij de wendbaarheid. Ten eerste de economendiscussie of het wel verstandig is om snel om te buigen bij een veranderende conjunctuur. Het klassiek antwoord luidde dat extra vraaguitval door overheidsombuigingen de crisis zou verergeren. Daar staat tegenover dat uitgestelde ombuigingen –zoals anno 2010 nu we nog steeds niet weten of en wanneer en waar de ombuigingen neerslaan- leiden tot een lange periode van onzekerheid. Dat schaadt het consumentenvertrouwen en nieuwe bedrijfsinvesteringen en daarmee ook het economisch herstel. Misschien is het daarom toch beter voortaan sneller in te grijpen dan ‘op zien komen spelen’.
Ten tweede speelt de politieke bereidheid om te bezuinigen een rol, waarbij partijen zich soms besluiteloos laten kunnen gijzelen door hun achterban (die niets wil) en de coalitiepartner (die iets anders wil). Vooraf scenario’s maken binnen de coalitie zou dan helpen, bijvoorbeeld afspreken dat áls het tegenzit er volgens vooraf afgesproken schema’s wordt omgebogen. En niet zoals in 2009 pas na de crisis heroverwegingswerkgroepen samenstellen. Die rapporten en voorgenomen besluiten zou je al op de plank moeten hebben en zo snelheid maken in tijden van nood.
Ten derde kunnen institutionele beperkingen snelle ombuigingen verhinderen. Zo lijkt de rijksbegroting soms voor wel 90-95% te bestaan uit aangegane verplichtingen. Wettelijke, contractuele en bestuurlijke aanspraken en afspraken frustreren dan snelle ombuigingen. De oplossing is in wet, contract en bestuurlijke afspraken ruimte vast te leggen om op afspraken terug te komen. Nu kost het soms jaren om van ene eenvoudige subsidieregeling af te komen of volgt een lange bestuurlijke vete als een aan andere overheden gedane bestuurlijke toezegging door de crisis geen gestand gedaan kan worden. Dat moet anders worden ingericht om wendbaarder te worden.
Ons echte Oranje begon net als de paarse onderhandelaars maar weinig wendbaar aan het WK maar groeide snel. Het is te hopen dat de coalitieonderhandelaars ook wendbaar blijken te zijn.
Verleidelijk om een voetbalcolumn te schrijven. Oranje verdringt immers deze dagen zelf de discussies over Paars, even lijkt zelfs het gesomber over de overheidsfinanciën ver weg. Los van het resultaat van Oranje, na de euforie of roes rest er toch weer een geweldige financiële opgave. Net alsin de sport kan dan echter ‘wendbaarheid’, of gebrek daaraan van groot belang blijken te zijn. Wendbaarheid is een halszaak voor een voetballer, maar ook bij de verklaring en verkenning van oplossingen voor de crisis in de overheidsfinanciën is wendbaarheid een belangrijk issue.
Toen in de september 2008 de banken begonnen te wankelen en de economie wereldwijd omsloeg, was het eerste effect op de overheidsfinanciën gering. In 2009 en 2010 is het echter goed misgegaan. De uitgavenkaders werden met respectievelijk 5 en 6 miljard overschreden, de economische krimp van 4% in 2009 leidde tot een fikse belastingderving. Eerst koos het kabinet ervoor niet direct ombuigingen te starten toen de economie kromp om de crisis niet nog verder te verdiepen. Maar de vraag is, beschikken we wel over de wendbaarheid om snel om te buigen - en zo nee, hoe kan dat worden verbeterd?
Drie factoren spelen een rol bij de wendbaarheid. Ten eerste de economendiscussie of het wel verstandig is om snel om te buigen bij een veranderende conjunctuur. Het klassiek antwoord luidde dat extra vraaguitval door overheidsombuigingen de crisis zou verergeren. Daar staat tegenover dat uitgestelde ombuigingen –zoals anno 2010 nu we nog steeds niet weten of en wanneer en waar de ombuigingen neerslaan- leiden tot een lange periode van onzekerheid. Dat schaadt het consumentenvertrouwen en nieuwe bedrijfsinvesteringen en daarmee ook het economisch herstel. Misschien is het daarom toch beter voortaan sneller in te grijpen dan ‘op zien komen spelen’.
Ten tweede speelt de politieke bereidheid om te bezuinigen een rol, waarbij partijen zich soms besluiteloos laten kunnen gijzelen door hun achterban (die niets wil) en de coalitiepartner (die iets anders wil). Vooraf scenario’s maken binnen de coalitie zou dan helpen, bijvoorbeeld afspreken dat áls het tegenzit er volgens vooraf afgesproken schema’s wordt omgebogen. En niet zoals in 2009 pas na de crisis heroverwegingswerkgroepen samenstellen. Die rapporten en voorgenomen besluiten zou je al op de plank moeten hebben en zo snelheid maken in tijden van nood.
Ten derde kunnen institutionele beperkingen snelle ombuigingen verhinderen. Zo lijkt de rijksbegroting soms voor wel 90-95% te bestaan uit aangegane verplichtingen. Wettelijke, contractuele en bestuurlijke aanspraken en afspraken frustreren dan snelle ombuigingen. De oplossing is in wet, contract en bestuurlijke afspraken ruimte vast te leggen om op afspraken terug te komen. Nu kost het soms jaren om van ene eenvoudige subsidieregeling af te komen of volgt een lange bestuurlijke vete als een aan andere overheden gedane bestuurlijke toezegging door de crisis geen gestand gedaan kan worden. Dat moet anders worden ingericht om wendbaarder te worden.
Ons echte Oranje begon net als de paarse onderhandelaars maar weinig wendbaar aan het WK maar groeide snel. Het is te hopen dat de coalitieonderhandelaars ook wendbaar blijken te zijn.
zondag, juni 20, 2010
Drive en daadkracht
Recensie in Binneberijk juli 2010
Er groeit een toenemende onvrede en afkeer over systemen van prestatiebeloning. Daniel Pink denkt een samenhangend alternatief instrumentarium te presenteren om medewerkers te motiveren. Hype of helder idee?
Een goede basisbeloning alleen is onvoldoende om personeel te werven of te prikkelen tot presteren. Daarom gebruiken veel managers ‘de wortel en de stok”. Daniel Pink logenstraft deze ideeën en probeert een alternatief instrumentarium te bieden. Maar eerst even over de wortel end de stok, wat is daar mis mee?
Externe prikkels kunnen mensen motiveren tot presteren. Er zijn hiervan voorbeelden te over. Als teams doelen halen, is er een bonus. Wie als beste presteert krijgt een eindejaarsuitkering, bekende verschijnselen, ook binnen de moderne overheid. Wie niet (meer) mee kan, wacht beëindiging van het contract of een dysfunctioneringstraject en ontslag.
Maar er kleven ook bezwaren aan deze wortles en stokken. Extra beloningen prikkelen wel, maar niet duurzaam, of veroorzaken zelfs prestatieverlies na beëindiging. Denk aan de medewerker die jaren een bonus kreeg en dan eens niet meer, wat een teleurstelling. Externe prikkels kunnen ook de creativiteit of autonomie beperken, men doet louter nog wat er ‘moet ‘en niets meer. Zelfs fraude of onethisch gedrag is denkbaar ‘om de doelen maar te halen’, of een te sterke focus op de korte in plaats van de lange termijndoelen. Pink zet het systematisch de bezwaren tegen wortel en stok uiteen, met veel voorbeelden uit onderzoek en praktijk. Nu kleven aan externe prikkels bezwaren maar het wijdverspreide gebruik ervan laat ook zien dat ze misschien gebruikt worden bij gebrek aan beter. Of heeft Pink een alternatief?
Pink zet helemaal in op het aanspreken van de intrinsieke motivatie van medewerkers. Geen wortel en stok maar de aanwezige potentie van iedereen mobiliseren door de juiste voorwaarden te vervullen. Drie elementen benoemt hij.
Ten eerste ruimte voor autonomie, kansen geven aan medewerkers om op een eigen gekozen plaats op de eigen gekozen wijze te werken aan de opgaven van het team of organisatie. Geen prikklok, tijdscontrole of detailbemoeienis, maar ruimte en tijd om te presteren. Vanuit huis werken, andere werkwijzen uitproberen, in andere werkverbanden of zelfs periodiek aan andere niet direct productieve opgaven werken (vrijwilligerswerk, experimenten), allemaal goed volgens Pink. Managers die de autonomie van medewerkers respecteren en bevorderen, worden royaal terugbetaald in de vorm van langdurig hogere prestaties en een echt committent aan de organisatie.
De tweede factor is ruimte voor meesterschap, managers die uitdagend maar passend werk toedelen aan medewerkers om in een staat van flow te komen, naar het bekende idee van Csikszentmihalyi.
Ten derde is er behoefte aan zingeving, die een context geeft rond autonomie en meesterschap. Het is de erkenning dat medewerkers niet langdurig en diepgaand te winnen zijn voor enkelvoudige doelen als het winststreven, maar zoeken naar organisaties waar ze een persoonlijk commitment aan de doelen en werkwijze kunnen geven, omdat het werk en de nagestreefde delen een behoefte aan zingeving bevredigd. Werken bij de overheid is zo gek nog niet, zo bezien.
Er groeit een toenemende onvrede en afkeer over systemen van prestatiebeloning. Daniel Pink denkt een samenhangend alternatief instrumentarium te presenteren om medewerkers te motiveren. Hype of helder idee?
Een goede basisbeloning alleen is onvoldoende om personeel te werven of te prikkelen tot presteren. Daarom gebruiken veel managers ‘de wortel en de stok”. Daniel Pink logenstraft deze ideeën en probeert een alternatief instrumentarium te bieden. Maar eerst even over de wortel end de stok, wat is daar mis mee?
Externe prikkels kunnen mensen motiveren tot presteren. Er zijn hiervan voorbeelden te over. Als teams doelen halen, is er een bonus. Wie als beste presteert krijgt een eindejaarsuitkering, bekende verschijnselen, ook binnen de moderne overheid. Wie niet (meer) mee kan, wacht beëindiging van het contract of een dysfunctioneringstraject en ontslag.
Maar er kleven ook bezwaren aan deze wortles en stokken. Extra beloningen prikkelen wel, maar niet duurzaam, of veroorzaken zelfs prestatieverlies na beëindiging. Denk aan de medewerker die jaren een bonus kreeg en dan eens niet meer, wat een teleurstelling. Externe prikkels kunnen ook de creativiteit of autonomie beperken, men doet louter nog wat er ‘moet ‘en niets meer. Zelfs fraude of onethisch gedrag is denkbaar ‘om de doelen maar te halen’, of een te sterke focus op de korte in plaats van de lange termijndoelen. Pink zet het systematisch de bezwaren tegen wortel en stok uiteen, met veel voorbeelden uit onderzoek en praktijk. Nu kleven aan externe prikkels bezwaren maar het wijdverspreide gebruik ervan laat ook zien dat ze misschien gebruikt worden bij gebrek aan beter. Of heeft Pink een alternatief?
Pink zet helemaal in op het aanspreken van de intrinsieke motivatie van medewerkers. Geen wortel en stok maar de aanwezige potentie van iedereen mobiliseren door de juiste voorwaarden te vervullen. Drie elementen benoemt hij.
Ten eerste ruimte voor autonomie, kansen geven aan medewerkers om op een eigen gekozen plaats op de eigen gekozen wijze te werken aan de opgaven van het team of organisatie. Geen prikklok, tijdscontrole of detailbemoeienis, maar ruimte en tijd om te presteren. Vanuit huis werken, andere werkwijzen uitproberen, in andere werkverbanden of zelfs periodiek aan andere niet direct productieve opgaven werken (vrijwilligerswerk, experimenten), allemaal goed volgens Pink. Managers die de autonomie van medewerkers respecteren en bevorderen, worden royaal terugbetaald in de vorm van langdurig hogere prestaties en een echt committent aan de organisatie.
De tweede factor is ruimte voor meesterschap, managers die uitdagend maar passend werk toedelen aan medewerkers om in een staat van flow te komen, naar het bekende idee van Csikszentmihalyi.
Ten derde is er behoefte aan zingeving, die een context geeft rond autonomie en meesterschap. Het is de erkenning dat medewerkers niet langdurig en diepgaand te winnen zijn voor enkelvoudige doelen als het winststreven, maar zoeken naar organisaties waar ze een persoonlijk commitment aan de doelen en werkwijze kunnen geven, omdat het werk en de nagestreefde delen een behoefte aan zingeving bevredigd. Werken bij de overheid is zo gek nog niet, zo bezien.
Liberaal of neo-liberaal?
Column Binnenlands Bestuur dd 25 juni 2010
Mark Rutte mag het zeggen. Want welke coalitie er ook gevormd zal worden, zonder de VVD is geen kabinet te smeden. Wordt het een liberale of een neo-liberale koers?
De klassieke liberale staatsopvatting geeft de staat zonodig ruime bevoegdheden, zij het in een beperkt domein. De staatsopvatting is echter positief omdat ze noodzakelijk is voor economische en burgerlijke vrijheden. Als daarvoor de zwaardmacht nodig is, stringente regelgeving of een eigen taakvervulling, het zij zo.
Het is een staatsopvating die niet op gespannen voet hoeft te staan met zijn begrijpelijke pleidooi voor een fikse sanering van de overheidsfinanciën. Immers, door de negatieve economische ontwikkeling mist het rijk sinds 2008 structureel een procent of vijf belastingontvangsten (zo’n 30 miljard), terwijl de uitgaven gewoon zijn doorgegaan.
De klassieke liberale staatsopvatting en bezuinigingsnoodzaak maken een coalitie van VVD en links niet principieel onmogelijk. Zoals werkgevers en werknemers jaarlijks vanuit verschillende vertrekposities afspraken weten te maken over arbeidsvoorwaarden, arbeidsomstandigheden, werkgelegenheidscreatie en pensioenhervormingen, moeten links en rechts daar ook politiek uit kunnen komen. Ook niet-materiële onderwerpen hoeven coalitievorming tussen links en rechts niet in de weg te staat. Waar het dan alleen op aankomt is de politieke wil om een coalitie te sluiten. Met een beetje economische groei en de bereidheid van Cohen wat eerder om te buigen, moet dat mogelijk worden.
De andere, jongere traditie waaraan de VVD schatplichtig is en Rutte uit put, kan worden gekenmerkt als de neoliberale staatsopvatting. In deze opvatting is de staat niet zozeer een noodzakelijk kwaad maar gewoon een kwaad, dat waar mogelijk vervangen moet worden door de markt. Marktwerking wordt gezien als primaire allocatiemechanisme, superieur aan de overheid.
Arrangementen voor ziekte, scholing, zorg, veiligheid en meer moeten niet door de staat worden georganiseerd, maar door burgers zelf. Het is het neo-liberale denken van Frits Bolkestein, en Chicago-economen als Milton Friedman en FED-voorzitter Alan Greenspan. Zij stonden op hun beurt onder invloed van filosofe en publiciste Ayn Rand. De boeken van deze uit Ruslang gevluchte joodse denker zijn in Nederland nauwelijks bekend, maar hebben velen in Amerika diep geraakt. Haar afkeer van de staat, gebaseerd op haar ervaringen in communistisch Rusland zijn vanuit die historie te begrijpen, maar haar denken is bijna extreem te noemen. Niet zozeer verkleining van de staat is haar streven, liefst vernietiging van tot de staat behorende instituties is haar oogmerk. Een radicale breuk met het verleden is volgens Rand nodig om een nieuw, beter begin te maken. Haar staatsidee is terug te vinden bij neo-liberalen en neo-conservatieven die liever ‘regimechange’ met geweld bepleiten, dan de lange weg van de diplomatie of geleidelijkheid. Shocktherapie kortom. Neoliberalen beogen beëindiging van publieke arrangementen als ziektewet, WAO, zorgverzekeringen, AOW en penisoen. Wie dat niet zelf wil of kan afdekken, kan vrijwillig een verzekeringen sluiten of spaarrekening openen bij concurrerende marktpartijen.
Rutte moet kortom kleur bekennen. Gaat hij als klassiek liberaal met links regeren en de staatsfinanciën aanpakken of zoekt hij een neo-liberale koers en maakt hij de staat zelf onderwerp van beleid?
Mark Rutte mag het zeggen. Want welke coalitie er ook gevormd zal worden, zonder de VVD is geen kabinet te smeden. Wordt het een liberale of een neo-liberale koers?
De klassieke liberale staatsopvatting geeft de staat zonodig ruime bevoegdheden, zij het in een beperkt domein. De staatsopvatting is echter positief omdat ze noodzakelijk is voor economische en burgerlijke vrijheden. Als daarvoor de zwaardmacht nodig is, stringente regelgeving of een eigen taakvervulling, het zij zo.
Het is een staatsopvating die niet op gespannen voet hoeft te staan met zijn begrijpelijke pleidooi voor een fikse sanering van de overheidsfinanciën. Immers, door de negatieve economische ontwikkeling mist het rijk sinds 2008 structureel een procent of vijf belastingontvangsten (zo’n 30 miljard), terwijl de uitgaven gewoon zijn doorgegaan.
De klassieke liberale staatsopvatting en bezuinigingsnoodzaak maken een coalitie van VVD en links niet principieel onmogelijk. Zoals werkgevers en werknemers jaarlijks vanuit verschillende vertrekposities afspraken weten te maken over arbeidsvoorwaarden, arbeidsomstandigheden, werkgelegenheidscreatie en pensioenhervormingen, moeten links en rechts daar ook politiek uit kunnen komen. Ook niet-materiële onderwerpen hoeven coalitievorming tussen links en rechts niet in de weg te staat. Waar het dan alleen op aankomt is de politieke wil om een coalitie te sluiten. Met een beetje economische groei en de bereidheid van Cohen wat eerder om te buigen, moet dat mogelijk worden.
De andere, jongere traditie waaraan de VVD schatplichtig is en Rutte uit put, kan worden gekenmerkt als de neoliberale staatsopvatting. In deze opvatting is de staat niet zozeer een noodzakelijk kwaad maar gewoon een kwaad, dat waar mogelijk vervangen moet worden door de markt. Marktwerking wordt gezien als primaire allocatiemechanisme, superieur aan de overheid.
Arrangementen voor ziekte, scholing, zorg, veiligheid en meer moeten niet door de staat worden georganiseerd, maar door burgers zelf. Het is het neo-liberale denken van Frits Bolkestein, en Chicago-economen als Milton Friedman en FED-voorzitter Alan Greenspan. Zij stonden op hun beurt onder invloed van filosofe en publiciste Ayn Rand. De boeken van deze uit Ruslang gevluchte joodse denker zijn in Nederland nauwelijks bekend, maar hebben velen in Amerika diep geraakt. Haar afkeer van de staat, gebaseerd op haar ervaringen in communistisch Rusland zijn vanuit die historie te begrijpen, maar haar denken is bijna extreem te noemen. Niet zozeer verkleining van de staat is haar streven, liefst vernietiging van tot de staat behorende instituties is haar oogmerk. Een radicale breuk met het verleden is volgens Rand nodig om een nieuw, beter begin te maken. Haar staatsidee is terug te vinden bij neo-liberalen en neo-conservatieven die liever ‘regimechange’ met geweld bepleiten, dan de lange weg van de diplomatie of geleidelijkheid. Shocktherapie kortom. Neoliberalen beogen beëindiging van publieke arrangementen als ziektewet, WAO, zorgverzekeringen, AOW en penisoen. Wie dat niet zelf wil of kan afdekken, kan vrijwillig een verzekeringen sluiten of spaarrekening openen bij concurrerende marktpartijen.
Rutte moet kortom kleur bekennen. Gaat hij als klassiek liberaal met links regeren en de staatsfinanciën aanpakken of zoekt hij een neo-liberale koers en maakt hij de staat zelf onderwerp van beleid?
maandag, juni 07, 2010
Als de rook om je hoofd is verdwenen
Column Binnenlands Bestuur dd 11 juni 2010
Met ons weet u waar u aan toe bent, oreerden de politici de afgelopen maand. Maar de dag na de verkiezingen worden verkiezingsprogramma’s al gebruikt om vis in te verpakken. Eerder had ook al gekund, als de inkt niet zo slecht was voor de vis. Want programma’s bleken ook deze keer meer desinformatie te bevatten dat te informeren.
Hoe is het anders mogelijk dat weinigen in de programma’s konden ontdekken wat partijen nu echt willen met de rijksfinanciën, zorgkosten, inkomensregelingen en meer. Het Centraal Planbureau had kruisverhoren nodig om te achterhalen wat men met alle wollige partijtaal bedoelde. Het werd hen niet in dank afgenomen. TV-rubriek Netwerk en Nijenrode dachten de VVD-plannen voor de laagste inkomensgroepen te begrijpen - maar begrepen er echt helemaal niets van, volgens Ruttes VVD. Nyfer en Volkskracht beoogden een koopkrachtplaatje te presenteren maar kregen een draai om de oren van Pechtold. Eén vraag blijft hangen. Als CPB, Nijenrode en Nyfer al niet goed kunnen doorgronden wat partijen bedoelen met de financiën, hoe moet de kiezer dan een keuze maken?
En wat nu als er niet snel een kabinet is? Als de begroting 2011 gewoon wordt opgesteld zonder veel politieke sturing. Als de zittende of misschien uiteindelijk nieuwe coalitie, welke dat ook zal blijken te zijn, eerst of voor een deel de kaasschaaf zal gebruiken. Is dat erg?
Of het nieuwe kabinet nu 10 of 20 miljard moet ombuigen, het maken van keuzen vinden politici lastig. Niet in verkiezingstijd. Dan ‘halveren’ we het OS-budget, de kunstsubsidies, de kinderbijslag of wat al meer. Maar wel als er bestuurd moet worden. Dan kiest men vaak voor het ponds-pondsgewijs verdelen van de pijn. Alle personeelsbudgetten een procent eraf, een taakstelling op externen, procenten besparen op ICT, aanbestedingsmeevallers alvast inboeken, de prijsbijstelling niet uitdelen, scherper inkopen, meer samenwerken, decentralisatiekorting, kostendekkendheid van tarieven vergroten, overhead beperken, snijden in managementlagen, of wat er al niet bedacht wordt. En allemaal neerkomt op een variant van de kaasschaafmethode.
De kaasschaaf is omstreden. Jammer. Want het gebruiken van de kaasschaaf in de vorm van een efficiencykorting is een aansporing om de doelmatigheid en organisatie stelselmatig te verbeteren. Bij gebrek aan concurrentieprikkels of de lokroep van winst, is schaven een redelijk alternatief om overheidsdiensten te dwingen nut en noodzaak van de eigen kosten tegen het licht te houden. Een taakstelling van een of twee procent per jaar lijkt niet veel maar is het wel en heeft ook echt budgettaire effect.
Maar ik zou er twee eisen aan verbinden. Leg één efficiencykorting op, niet allemaal kleine gestapelde taakstellingen op van alles en laat ambtenbaren zelf keuzen maken hoe de taakstelling te realiseren. En ten tweede, schep onder beheer van Financiën zoals de Britten eerder deden een investeringsfonds om ideeën en innovatie te honoreren. Ideeën die eerst even geld kosten, maar in de opvolgende jaren renderen. Geef waar gevraagd dus een beetje budget erbij, onder gelijktijdige inboeking van de meerjarige opbrengsten. Dan gaat zelfs de kaasschaaf meewerken ten goede.
Met ons weet u waar u aan toe bent, oreerden de politici de afgelopen maand. Maar de dag na de verkiezingen worden verkiezingsprogramma’s al gebruikt om vis in te verpakken. Eerder had ook al gekund, als de inkt niet zo slecht was voor de vis. Want programma’s bleken ook deze keer meer desinformatie te bevatten dat te informeren.
Hoe is het anders mogelijk dat weinigen in de programma’s konden ontdekken wat partijen nu echt willen met de rijksfinanciën, zorgkosten, inkomensregelingen en meer. Het Centraal Planbureau had kruisverhoren nodig om te achterhalen wat men met alle wollige partijtaal bedoelde. Het werd hen niet in dank afgenomen. TV-rubriek Netwerk en Nijenrode dachten de VVD-plannen voor de laagste inkomensgroepen te begrijpen - maar begrepen er echt helemaal niets van, volgens Ruttes VVD. Nyfer en Volkskracht beoogden een koopkrachtplaatje te presenteren maar kregen een draai om de oren van Pechtold. Eén vraag blijft hangen. Als CPB, Nijenrode en Nyfer al niet goed kunnen doorgronden wat partijen bedoelen met de financiën, hoe moet de kiezer dan een keuze maken?
En wat nu als er niet snel een kabinet is? Als de begroting 2011 gewoon wordt opgesteld zonder veel politieke sturing. Als de zittende of misschien uiteindelijk nieuwe coalitie, welke dat ook zal blijken te zijn, eerst of voor een deel de kaasschaaf zal gebruiken. Is dat erg?
Of het nieuwe kabinet nu 10 of 20 miljard moet ombuigen, het maken van keuzen vinden politici lastig. Niet in verkiezingstijd. Dan ‘halveren’ we het OS-budget, de kunstsubsidies, de kinderbijslag of wat al meer. Maar wel als er bestuurd moet worden. Dan kiest men vaak voor het ponds-pondsgewijs verdelen van de pijn. Alle personeelsbudgetten een procent eraf, een taakstelling op externen, procenten besparen op ICT, aanbestedingsmeevallers alvast inboeken, de prijsbijstelling niet uitdelen, scherper inkopen, meer samenwerken, decentralisatiekorting, kostendekkendheid van tarieven vergroten, overhead beperken, snijden in managementlagen, of wat er al niet bedacht wordt. En allemaal neerkomt op een variant van de kaasschaafmethode.
De kaasschaaf is omstreden. Jammer. Want het gebruiken van de kaasschaaf in de vorm van een efficiencykorting is een aansporing om de doelmatigheid en organisatie stelselmatig te verbeteren. Bij gebrek aan concurrentieprikkels of de lokroep van winst, is schaven een redelijk alternatief om overheidsdiensten te dwingen nut en noodzaak van de eigen kosten tegen het licht te houden. Een taakstelling van een of twee procent per jaar lijkt niet veel maar is het wel en heeft ook echt budgettaire effect.
Maar ik zou er twee eisen aan verbinden. Leg één efficiencykorting op, niet allemaal kleine gestapelde taakstellingen op van alles en laat ambtenbaren zelf keuzen maken hoe de taakstelling te realiseren. En ten tweede, schep onder beheer van Financiën zoals de Britten eerder deden een investeringsfonds om ideeën en innovatie te honoreren. Ideeën die eerst even geld kosten, maar in de opvolgende jaren renderen. Geef waar gevraagd dus een beetje budget erbij, onder gelijktijdige inboeking van de meerjarige opbrengsten. Dan gaat zelfs de kaasschaaf meewerken ten goede.
zondag, mei 16, 2010
De erfenis van Ronald Reagan
Column Binnenlands Bestuur dd 28 mei 2010
Weet u het nog? November 1980 werd voormalig filmacteur en gouverneur van Californië Ronald Reagan gekozen tot de 40e president van de Verenigde Staten. Hij bleef president van 1981 tot 1989. Maar deed hij het goed?
Reagans erfenis, die dertig jaar na dato nog steeds relevant, is werd vooral gekenmerkt door een neoliberale economische koers. Deze door neo-klassieke economen van de ‘Chicago School of Economics’ voorbereide 'Reaganomics' werden gekenmerkt door afbouw van het staatsbestel, belastingverlagingen om de economische groei te stimuleren en beleid gericht op lage inflatie. Toen Reagan het Witte Huis verliet, was de inflatie op een laag en stabiel peil gebracht en de werkloosheid teruggebracht tot 5,3%. Belastingen werden behalve verlaagd ook vooral verschoven, van belasting op kapitaalinkomsten en hoge inkomens naar belasting op lagere inkomens. Zo daalde het toptarief in de inkomstenbelasting van 70% naar 28%, hetgeen rijken erg baatte.
Reagan communiceerde dit voorstel briljant via de zogenaamde Laffercurve, een theorie die op een papieren servetje past. Als de belastingtarieven te hoog worden, dalen volgens Laffer/Reagan de totale opbrengsten. Door tarieven te verlagen zouden de opbrengsten oplopen, door minder ontduiking, een sterkere prikkel langer te werken en dus economische groei. De eerste belastingverlaging van Reagan in 1981 kostte 3% van het nationaal inkomen, voor ons vandaag de dag bijna 20 miljard euro!
Alle maatregelen tezamen leidden begin jaren tachtig tot een tijdelijke economische opleving, maar deze was niet voldoende om de enorme belastingderving te compenseren. Eind jaren tachtig kende de VS per saldo een sterk toegenomen begrotingstekort , mede door de stijging van defensie-uitgaven en een verviervoudigde staatsschuld. Reagan was geen onverdeeld succes kortom.
Kwalijker dan de gevolgen van Reaganomics voor de VS is de vrijwel kritiekloze navolging ervan in Europa. Een kleine overheid, lage belastingen en deregulering was de receptuur van Reagan die heel breed is nagevolgd. Margareth Thatcher, van 1979-1992 Brits premier, verdiende er haar herverkiezingen mee, haar opvolgers Major, Blair en Brown wandelden in haar voetstappen. In Nederland omarmde behalve de VVD ook het CDA van Lubbers en Ruding in de jaren tachtig dit gedachtegoed dat lange tijd de politieke agenda heeft beheerst. In de jaren negentig en erna stelden de sociaal-democraten er eigenlijk weinig tegenover. De geschiedenis moet nog definitief oordelen over de zogenaamde derde weg van Blair en Bos maar dit gezochte pad tussen neoklassieke Reaganomics en socialistische planning lag dichter bij het eerste dan bij het laatste. Met alle gevolgen vandien.
Nu, in 2010 zien we dat we ten dele de wrange vruchten lukken van dit beleid. De financiële sector is door de ideologie van deregulering en sectoraal toezicht ontspoord. Politici die opperen dat belastingverhoging ook een positief effect kan hebben en bijvoorbeeld bijdragen aan het realiseren van breed gedeelde maatschappelijke ambities en goede publieke dienstverlening worden verketterd. Ook opmerkelijk is dat er nog geen coherent tegengeluid is gekomen van sociaal-democraten of christen-democraten als alternatief voor Reaganomics en zijn mislukte beleid nog steeds navolgers kent. Werk aan de winkel kortom.
Weet u het nog? November 1980 werd voormalig filmacteur en gouverneur van Californië Ronald Reagan gekozen tot de 40e president van de Verenigde Staten. Hij bleef president van 1981 tot 1989. Maar deed hij het goed?
Reagans erfenis, die dertig jaar na dato nog steeds relevant, is werd vooral gekenmerkt door een neoliberale economische koers. Deze door neo-klassieke economen van de ‘Chicago School of Economics’ voorbereide 'Reaganomics' werden gekenmerkt door afbouw van het staatsbestel, belastingverlagingen om de economische groei te stimuleren en beleid gericht op lage inflatie. Toen Reagan het Witte Huis verliet, was de inflatie op een laag en stabiel peil gebracht en de werkloosheid teruggebracht tot 5,3%. Belastingen werden behalve verlaagd ook vooral verschoven, van belasting op kapitaalinkomsten en hoge inkomens naar belasting op lagere inkomens. Zo daalde het toptarief in de inkomstenbelasting van 70% naar 28%, hetgeen rijken erg baatte.
Reagan communiceerde dit voorstel briljant via de zogenaamde Laffercurve, een theorie die op een papieren servetje past. Als de belastingtarieven te hoog worden, dalen volgens Laffer/Reagan de totale opbrengsten. Door tarieven te verlagen zouden de opbrengsten oplopen, door minder ontduiking, een sterkere prikkel langer te werken en dus economische groei. De eerste belastingverlaging van Reagan in 1981 kostte 3% van het nationaal inkomen, voor ons vandaag de dag bijna 20 miljard euro!
Alle maatregelen tezamen leidden begin jaren tachtig tot een tijdelijke economische opleving, maar deze was niet voldoende om de enorme belastingderving te compenseren. Eind jaren tachtig kende de VS per saldo een sterk toegenomen begrotingstekort , mede door de stijging van defensie-uitgaven en een verviervoudigde staatsschuld. Reagan was geen onverdeeld succes kortom.
Kwalijker dan de gevolgen van Reaganomics voor de VS is de vrijwel kritiekloze navolging ervan in Europa. Een kleine overheid, lage belastingen en deregulering was de receptuur van Reagan die heel breed is nagevolgd. Margareth Thatcher, van 1979-1992 Brits premier, verdiende er haar herverkiezingen mee, haar opvolgers Major, Blair en Brown wandelden in haar voetstappen. In Nederland omarmde behalve de VVD ook het CDA van Lubbers en Ruding in de jaren tachtig dit gedachtegoed dat lange tijd de politieke agenda heeft beheerst. In de jaren negentig en erna stelden de sociaal-democraten er eigenlijk weinig tegenover. De geschiedenis moet nog definitief oordelen over de zogenaamde derde weg van Blair en Bos maar dit gezochte pad tussen neoklassieke Reaganomics en socialistische planning lag dichter bij het eerste dan bij het laatste. Met alle gevolgen vandien.
Nu, in 2010 zien we dat we ten dele de wrange vruchten lukken van dit beleid. De financiële sector is door de ideologie van deregulering en sectoraal toezicht ontspoord. Politici die opperen dat belastingverhoging ook een positief effect kan hebben en bijvoorbeeld bijdragen aan het realiseren van breed gedeelde maatschappelijke ambities en goede publieke dienstverlening worden verketterd. Ook opmerkelijk is dat er nog geen coherent tegengeluid is gekomen van sociaal-democraten of christen-democraten als alternatief voor Reaganomics en zijn mislukte beleid nog steeds navolgers kent. Werk aan de winkel kortom.
Europa vraagt kleur te bekennen
Column Binnenlands Bestuur dd 28 mei 2010
Politici die elkaar moeten afrekenen, gaan veel te zacht met elkaar om’, vindt minister van Financiën De Jager. Hij verwijst naar de traagheid waarmee Europa Griekenland heeft gecorrigeerd. Gezocht wordt naar nieuwe instituties, zoals een onafhankelijke Europese toezichthouder, met verstrekkender bevoegdheden, om ontsporende landen in het gareel te krijgen. Commissievoorzitter Barroso kwam direct met ideeën. Bijvoorbeeld Europese beoordeling van nationale begrotingen, voordat deze naar het nationale parlement gaan.
Wat zich nu eigenlijk openbaart, is een aantal tekortkomingen uit de tijd van de invoering van de euro. Deze hoeven Europa en de euro niet fataal te worden, maar vergen wel resolute actie. Wat was er mis?
Ten eerste lijken de destijds gebruikte toetredingscriteria vooral gemaakt met de blik in de achteruitkijkspiegel, in plaats van toekomstgericht. Het criterium EMU-saldo (dat onder de drie procent moest liggen) is bijvoorbeeld een manipuleerbare momentopname . Tal van landen hebben eenmalige trucs benut , zoals de verkoop van staatsbezittingen, met een geflatteerd saldo tot gevolg. De uitgavenomvang en het ontvangstenvolume waren met het oog op de toekomst evenwel structureel uit balans.
Het andere belangrijke criterium, de staatsschuldomvang die 60%van het nationaal inkomen mocht zijn (of hoger maar snel dalend) zegt vooral iets over de in het verleden behaalde resultaten, weinig over de toekomst. Zo zijn landen toegelaten, ook als men kon zien aankomen dat de uitgaven door vergrijzing, pensioen- en zorgkosten enorm zouden gaan stijgen.
Het ontbrak ten tweede aan criteria die iets zeggen over de omvang en structuur van de uitgaven van landen. Landen waar een omvangrijke overheid tot tweederde van het nationaal inkomen opsoupeerden, waren even welkom als landen waar de overheid nog geen derde deel van de economie vormde. Dat scheelt een slok op een borrel bij economische laagconjunctuur.
De weerbaarheid van landen tegen conjuncturele verstoringen en de mate waarin landen gereed waren om toekomstige ontwikkelingen op te vangen, verschilde dus enorm, maar speelde geen rol bij de invoeringscriteria. Belangrijk is nu dat in Europa langs drie wegen wordt geharmoniseerd om een duurzame, sterke eurozone te bewerkstelligen.
De eerste is dat er eisen worden gesteld aan de samenstelling van de nationale begrotingen, met het oog op zeg de komende 20 jaar. Landen die sterk vergrijzen zullen om de toekomstige problemen het hoofd te bieden structureel fors moeten snoeien en bijvoorbeeld pensioenregelingen aanpakken.
Ten tweede zal de overheidssector in omvang beperkt moeten worden, om zo weerbaarder te zijn tegen conjuncturele verstoringen. Er kan een zekere begrotingsreserve worden gecreëerd als ‘rainy day fund’, zonodig te beheren via Brussel.
Ten derde zal inderdaad een strikter toezicht moeten plaatsvinden. Het geopperde idee van jaarlijkse begrotingscontrole is te kortademig, juist de langere termijnperspectieven en onderliggende vraagstukken behoeven afstemming. Dat kun je echter niet overlaten aan een toezichthouder maar vergt politieke stuurmanskunst. Balkenende, Cohen en Rutte moeten daarom hun visie op Nederland in Europa bekend maken. Wie voor een duurzame euro is moet ook zelf scherpe economische en bestuurlijke keuzen maken. Ze hebben tot 9 juni de tijd om kleur bekennen.
Politici die elkaar moeten afrekenen, gaan veel te zacht met elkaar om’, vindt minister van Financiën De Jager. Hij verwijst naar de traagheid waarmee Europa Griekenland heeft gecorrigeerd. Gezocht wordt naar nieuwe instituties, zoals een onafhankelijke Europese toezichthouder, met verstrekkender bevoegdheden, om ontsporende landen in het gareel te krijgen. Commissievoorzitter Barroso kwam direct met ideeën. Bijvoorbeeld Europese beoordeling van nationale begrotingen, voordat deze naar het nationale parlement gaan.
Wat zich nu eigenlijk openbaart, is een aantal tekortkomingen uit de tijd van de invoering van de euro. Deze hoeven Europa en de euro niet fataal te worden, maar vergen wel resolute actie. Wat was er mis?
Ten eerste lijken de destijds gebruikte toetredingscriteria vooral gemaakt met de blik in de achteruitkijkspiegel, in plaats van toekomstgericht. Het criterium EMU-saldo (dat onder de drie procent moest liggen) is bijvoorbeeld een manipuleerbare momentopname . Tal van landen hebben eenmalige trucs benut , zoals de verkoop van staatsbezittingen, met een geflatteerd saldo tot gevolg. De uitgavenomvang en het ontvangstenvolume waren met het oog op de toekomst evenwel structureel uit balans.
Het andere belangrijke criterium, de staatsschuldomvang die 60%van het nationaal inkomen mocht zijn (of hoger maar snel dalend) zegt vooral iets over de in het verleden behaalde resultaten, weinig over de toekomst. Zo zijn landen toegelaten, ook als men kon zien aankomen dat de uitgaven door vergrijzing, pensioen- en zorgkosten enorm zouden gaan stijgen.
Het ontbrak ten tweede aan criteria die iets zeggen over de omvang en structuur van de uitgaven van landen. Landen waar een omvangrijke overheid tot tweederde van het nationaal inkomen opsoupeerden, waren even welkom als landen waar de overheid nog geen derde deel van de economie vormde. Dat scheelt een slok op een borrel bij economische laagconjunctuur.
De weerbaarheid van landen tegen conjuncturele verstoringen en de mate waarin landen gereed waren om toekomstige ontwikkelingen op te vangen, verschilde dus enorm, maar speelde geen rol bij de invoeringscriteria. Belangrijk is nu dat in Europa langs drie wegen wordt geharmoniseerd om een duurzame, sterke eurozone te bewerkstelligen.
De eerste is dat er eisen worden gesteld aan de samenstelling van de nationale begrotingen, met het oog op zeg de komende 20 jaar. Landen die sterk vergrijzen zullen om de toekomstige problemen het hoofd te bieden structureel fors moeten snoeien en bijvoorbeeld pensioenregelingen aanpakken.
Ten tweede zal de overheidssector in omvang beperkt moeten worden, om zo weerbaarder te zijn tegen conjuncturele verstoringen. Er kan een zekere begrotingsreserve worden gecreëerd als ‘rainy day fund’, zonodig te beheren via Brussel.
Ten derde zal inderdaad een strikter toezicht moeten plaatsvinden. Het geopperde idee van jaarlijkse begrotingscontrole is te kortademig, juist de langere termijnperspectieven en onderliggende vraagstukken behoeven afstemming. Dat kun je echter niet overlaten aan een toezichthouder maar vergt politieke stuurmanskunst. Balkenende, Cohen en Rutte moeten daarom hun visie op Nederland in Europa bekend maken. Wie voor een duurzame euro is moet ook zelf scherpe economische en bestuurlijke keuzen maken. Ze hebben tot 9 juni de tijd om kleur bekennen.
dinsdag, mei 04, 2010
Forza Europa
Column Binnenlands Bestuur dd 7 mei 2010
De waarde van Europa wordt in de Griekse crisis goed zichtbaar. Er gaat ruim 100 miljard aan gunstige leningen naar het land, Nederland doet mee voor zo’n 5 miljard. Griekenland is lange tijd bepaald slecht geleid en de reddingsboei die Europa en IMF uitwerpen zal dankbaar aanvaard worden. Goed dat er een Europese Unie en euro s. Zonder EU zou Griekenland snel in een heel negatieve spiraal komen. Toch is de opgave voor de Grieken immens.
Even een vergelijking. Nederland zelf zal ordegrootte 15 miljard moeten bezuinigen om het tekort weer richting de 3% te brengen. Velen noemden dat eerder al behoorlijk veel, het vraagt echte politieke keuzen. Maar als Griekenland zoals nu berekend 11% BBP moet bezuinigen, is dat in Nederlandse omvang bijna 70 miljard. En dat is echt heel erg veel. Zelfs als het Griekse tekort over een jaar of vier binnen de 3% komt, rest een staatsschuld van 150% BBP. Met een bijbehorende rentelast die het land heel lang parten zal spelen. Nogmaals, goed dat er een EU is. Sterker nog, de EU is goed voor Griekenland en de Griekse crisis is om meerdere redenen goed voor de EU.
Door de strengere bejegening vanuit Europa zal Griekenland de komende jaren stevig moeten herstructureren. Dat zal pijn doen maar brengt het land uiteindelijk weer op koers. Oude verworvenheden zullen verdwijnen, een nieuw toekomstvaster stelsel verrijzen. Deze crisis is kortom een keerpunt voor de Griekse staat en samenleving. Veel te kiezen heeft men niet. Er is geen andere instantie om zich nog heen te wenden. Deze regering zal gegeven de te nemen pijnlijke maatregelen komende jaren ongetwijfeld wankelen of vallen, maar ook toekomstige zullen de nieuwe realiteit moeten erkennen: wie mee wil doen met het nieuwe Europa moet financieel solide zijn. Natuurlijk zullen er stemmen in Griekenland opgaan om dan de EU maar te verlaten, maar de prijs daarvan is onnoemlijk veel hoger. Stel je voor, een EU zonder Griekenland maar straks mogelijk met Turkije. Ondenkbaar.
De casus Griekenland is ook goed voor de EU. Ten eerste voor andere landen in een broze budgettaire situatie. De boodschap van deze crisis luidt: pak budgettaire problemen snel aan ,voordat financiële markten het vertrouwen verliezen, de rente oploopt en uiteindelijk IMF en EU komen vertellen welke budgettaire keuzen er gemaakt moeten worden. Lissabon, Madrid en Dublin zijn gewaarschuwd. Ten tweede dwingt Griekenland de ministers van Financiën en regeringsleiders nog steviger afspraken te maken hoe samen te werken en hoe te handelen in noodsituaties. Denkbaar had de bijstand aan Griekenland sneller en meer trefzeker gekund wanneer er al eerder in scenario’s was gedacht en de afgelopen maanden voortvarender gehandeld. Ten derde zal de Griekse situatie ook in de binnenlandse verkiezingsstrijd worden gebruikt in achtereenvolgens het Verenigd Koninkrijk, Nederland en België. Partijen zullen de kiezer nog eens inpeperen dat er flink bezuinigd moet worden om ‘Griekse toestanden’ te voorkomen.
Zo zien we de EU en allerlei vormen van Europese samenwerking steeds meer in belang groeien, ook in noodsituaties. Europa? Best belangrijk.
De waarde van Europa wordt in de Griekse crisis goed zichtbaar. Er gaat ruim 100 miljard aan gunstige leningen naar het land, Nederland doet mee voor zo’n 5 miljard. Griekenland is lange tijd bepaald slecht geleid en de reddingsboei die Europa en IMF uitwerpen zal dankbaar aanvaard worden. Goed dat er een Europese Unie en euro s. Zonder EU zou Griekenland snel in een heel negatieve spiraal komen. Toch is de opgave voor de Grieken immens.
Even een vergelijking. Nederland zelf zal ordegrootte 15 miljard moeten bezuinigen om het tekort weer richting de 3% te brengen. Velen noemden dat eerder al behoorlijk veel, het vraagt echte politieke keuzen. Maar als Griekenland zoals nu berekend 11% BBP moet bezuinigen, is dat in Nederlandse omvang bijna 70 miljard. En dat is echt heel erg veel. Zelfs als het Griekse tekort over een jaar of vier binnen de 3% komt, rest een staatsschuld van 150% BBP. Met een bijbehorende rentelast die het land heel lang parten zal spelen. Nogmaals, goed dat er een EU is. Sterker nog, de EU is goed voor Griekenland en de Griekse crisis is om meerdere redenen goed voor de EU.
Door de strengere bejegening vanuit Europa zal Griekenland de komende jaren stevig moeten herstructureren. Dat zal pijn doen maar brengt het land uiteindelijk weer op koers. Oude verworvenheden zullen verdwijnen, een nieuw toekomstvaster stelsel verrijzen. Deze crisis is kortom een keerpunt voor de Griekse staat en samenleving. Veel te kiezen heeft men niet. Er is geen andere instantie om zich nog heen te wenden. Deze regering zal gegeven de te nemen pijnlijke maatregelen komende jaren ongetwijfeld wankelen of vallen, maar ook toekomstige zullen de nieuwe realiteit moeten erkennen: wie mee wil doen met het nieuwe Europa moet financieel solide zijn. Natuurlijk zullen er stemmen in Griekenland opgaan om dan de EU maar te verlaten, maar de prijs daarvan is onnoemlijk veel hoger. Stel je voor, een EU zonder Griekenland maar straks mogelijk met Turkije. Ondenkbaar.
De casus Griekenland is ook goed voor de EU. Ten eerste voor andere landen in een broze budgettaire situatie. De boodschap van deze crisis luidt: pak budgettaire problemen snel aan ,voordat financiële markten het vertrouwen verliezen, de rente oploopt en uiteindelijk IMF en EU komen vertellen welke budgettaire keuzen er gemaakt moeten worden. Lissabon, Madrid en Dublin zijn gewaarschuwd. Ten tweede dwingt Griekenland de ministers van Financiën en regeringsleiders nog steviger afspraken te maken hoe samen te werken en hoe te handelen in noodsituaties. Denkbaar had de bijstand aan Griekenland sneller en meer trefzeker gekund wanneer er al eerder in scenario’s was gedacht en de afgelopen maanden voortvarender gehandeld. Ten derde zal de Griekse situatie ook in de binnenlandse verkiezingsstrijd worden gebruikt in achtereenvolgens het Verenigd Koninkrijk, Nederland en België. Partijen zullen de kiezer nog eens inpeperen dat er flink bezuinigd moet worden om ‘Griekse toestanden’ te voorkomen.
Zo zien we de EU en allerlei vormen van Europese samenwerking steeds meer in belang groeien, ook in noodsituaties. Europa? Best belangrijk.
Homo submersus
Recensie Binnenberijk, mei 2010
De naam Jacques Presser zal niet bij iedereen een belletje doen rinkelen. Misschien heeft een enkeling ooit de korte roman ‘De nacht der Girondijnen’ op zijn eindlijst gezet. Anderen hebben ooit gehoord over of gelezen in de in twee banden vervatte studie ‘Ondergang, de geschiedenis van de Nederlandse joden tijdens WO II’. Presser (1899-1970) is auteur van beide. Zeer onlangs verscheen van hem een onbekende roman in dagboekvorm, ‘Homo submersus’. Een boek over moed, overmoed en onmacht.
Het boek, dat in de hoop op betere tijden is voltooid in 1944, speelt zich de oorlogsmaanden van de zomer van 1943. Presser schreef het toen hij was ondergedoken op de Veluwe. Eerder dat jaar was zijn jongere vrouw Dé, aan wie het boek is opgedragen, opgepakt en naar Westerbork gestuurd. Dé, 12 jaar jonger dan Presser, was ooit eerder zijn leerling op het Vossiusgymnasium in Amsterdam. Het lot van de gedeporteerde Dé was Presser onbekend, misschien tegen beter weten in. In het boek echter houdt hij de hoop levend dat ze na de oorlog herenigd worden. Aan het einde van Homo submersus belooft de hoofdpersoon het jongere meisje Dé -aan wie hij op zijn onderduikadres bijles geeft- dat hij na de oorlog met haar zal trouwen. Het boek eindigt met : ‘VOOR MIJN LIEVE DÉ.’ Helaas bleek Dé direct na haar deportatie in 1943 te zijn vergast in Sobibor.
Het verder gedeeltelijk autobiografische boek gaat over de problematische lotgevallen van ‘de onderduikende mens’, de ‘Homo submersus’. Hoofdpersoon Kobus verblijft in het boek – net als presser zelf- bij een goedwillende maar naïeve verzetsman, die via zijn netwerk joodse vluchtelingen onder dak brengt en zorgt voor valse persoonsbewijzen en voedselbonnen. Kleine details in het boek worden dan veelzeggend. Dat hij bijvoorbeeld zelfs de sinaasappels die bestemd zijn voor de school onder de ‘gasten’ uitdeelt. Maar kwalijker is zijn roekeloosheid, zijn moeite om geheimen bewaren, gepoch met verzetsdaden, mede om indruk te maken op vrouwen.
In algemene zin worden boeren bij wie joden worden ondergebracht gekwalificeerd als geldschrapers, zwarthandelaren en antisemieten. Onderduikers moeten veel ‘pensiongeld’ betalen, lijden desondanks honger en kou, met zelfmoorden en fatale ontsnappingspogingen tot gevolg. Het plaats grote kanttekeningen bij de ‘moed’ van de (een deel van de ) gezinnen die onderduikers opvangen. Een vriendin schrijft dat ze zich bij een doktersgezin in Friesland laat afbeulen in het huishouden. ‘Ik ben gewoon een slavin’, schrijft ze. ‘Een dienstbode in mijn positie was allang weggelopen. [...] Ik kan nergens heen, en ze weten het.’
Moed en overmoed, goed en kwaad, macht en onmacht, het boek is een verwarrende cocktail van gebeurtenissen en lotgevallen. In Presser/Kobus woorden: ‘Er gebeuren allemaal doodgewone, oerkomische en verschrikkelijke dingen.’
Uiteindelijk laat het boek de lezer achter met veel vragen. Was onderduiken een teken van gebrek aan moed? Waren boeren die onderduikers herbergden moedig of toch vooral uit op eigen gewin? Soms is de geschiedenis onze leermeester, andere keren roept ze alleen maar meer vragen op.
De naam Jacques Presser zal niet bij iedereen een belletje doen rinkelen. Misschien heeft een enkeling ooit de korte roman ‘De nacht der Girondijnen’ op zijn eindlijst gezet. Anderen hebben ooit gehoord over of gelezen in de in twee banden vervatte studie ‘Ondergang, de geschiedenis van de Nederlandse joden tijdens WO II’. Presser (1899-1970) is auteur van beide. Zeer onlangs verscheen van hem een onbekende roman in dagboekvorm, ‘Homo submersus’. Een boek over moed, overmoed en onmacht.
Het boek, dat in de hoop op betere tijden is voltooid in 1944, speelt zich de oorlogsmaanden van de zomer van 1943. Presser schreef het toen hij was ondergedoken op de Veluwe. Eerder dat jaar was zijn jongere vrouw Dé, aan wie het boek is opgedragen, opgepakt en naar Westerbork gestuurd. Dé, 12 jaar jonger dan Presser, was ooit eerder zijn leerling op het Vossiusgymnasium in Amsterdam. Het lot van de gedeporteerde Dé was Presser onbekend, misschien tegen beter weten in. In het boek echter houdt hij de hoop levend dat ze na de oorlog herenigd worden. Aan het einde van Homo submersus belooft de hoofdpersoon het jongere meisje Dé -aan wie hij op zijn onderduikadres bijles geeft- dat hij na de oorlog met haar zal trouwen. Het boek eindigt met : ‘VOOR MIJN LIEVE DÉ.’ Helaas bleek Dé direct na haar deportatie in 1943 te zijn vergast in Sobibor.
Het verder gedeeltelijk autobiografische boek gaat over de problematische lotgevallen van ‘de onderduikende mens’, de ‘Homo submersus’. Hoofdpersoon Kobus verblijft in het boek – net als presser zelf- bij een goedwillende maar naïeve verzetsman, die via zijn netwerk joodse vluchtelingen onder dak brengt en zorgt voor valse persoonsbewijzen en voedselbonnen. Kleine details in het boek worden dan veelzeggend. Dat hij bijvoorbeeld zelfs de sinaasappels die bestemd zijn voor de school onder de ‘gasten’ uitdeelt. Maar kwalijker is zijn roekeloosheid, zijn moeite om geheimen bewaren, gepoch met verzetsdaden, mede om indruk te maken op vrouwen.
In algemene zin worden boeren bij wie joden worden ondergebracht gekwalificeerd als geldschrapers, zwarthandelaren en antisemieten. Onderduikers moeten veel ‘pensiongeld’ betalen, lijden desondanks honger en kou, met zelfmoorden en fatale ontsnappingspogingen tot gevolg. Het plaats grote kanttekeningen bij de ‘moed’ van de (een deel van de ) gezinnen die onderduikers opvangen. Een vriendin schrijft dat ze zich bij een doktersgezin in Friesland laat afbeulen in het huishouden. ‘Ik ben gewoon een slavin’, schrijft ze. ‘Een dienstbode in mijn positie was allang weggelopen. [...] Ik kan nergens heen, en ze weten het.’
Moed en overmoed, goed en kwaad, macht en onmacht, het boek is een verwarrende cocktail van gebeurtenissen en lotgevallen. In Presser/Kobus woorden: ‘Er gebeuren allemaal doodgewone, oerkomische en verschrikkelijke dingen.’
Uiteindelijk laat het boek de lezer achter met veel vragen. Was onderduiken een teken van gebrek aan moed? Waren boeren die onderduikers herbergden moedig of toch vooral uit op eigen gewin? Soms is de geschiedenis onze leermeester, andere keren roept ze alleen maar meer vragen op.
maandag, april 19, 2010
Tussen realisme en stoerheid
Column Binnenlands Bestuur dd 23 april 2010
Kiezers gaan langzaam hun mind opmaken welke politieke boodschap hen het meest aanspreekt. Wordt het de nieuwe stoerheid van rechts, dat twintig miljard of meer op de overheidsuitgaven wil besparen? Of het geluid van links dat stelt miljardenbesparingen wel eenvoudig te bedenken zijn, maar niet makkelijk te realiseren.
De Keynesiaanse boodschap van links is dat de overheid vooral niet te snel en te diep moet snijden. Als zij te resoluut de broekriem aantrekt lopen werkloosheid en uitgaven snel verder op, omat de particuliere sector nog niet het stokje overneemt. Ombuigingen van zeg meer dan tien miljard verergeren in deze visie de crisis. Doseren en een scherp oog houden op de conjunctuur is de linkse sleutel tot herstel, zelfs als dat een nog wat verder oplopende staatsschuld tot gevolg heeft. Het is een realistische boodschap en zal veel kiezers aanspreken. Zeker de middenklasse voor wie bij velen werkloosheid dichtbij komt en vreest voor de aantasting van opgebouwde spaarpotje of zelfs de eigen woning in geval van werkloosheid.
De boodschap van rechts is dat hard bezuinigen weliswaar pijnlijk maar goed verdedigbaar is. Ze baseren zich daarbij evident niet op Keynes die betoogde dat juist in laagconjunctuur de overheid de bestedingen op peil moest houden. Hoewel er nu een aanhoudende laagconjunctuur is, valt er toch desondanks wat voor deze stikte bezuinigingsfilosofie te zeggen. Wanneer de overheid namelijk diep in eigen vlees snijdt, heeft dat een tweeledig effect, zo leert een recente landenstudie van zakenbank Goldman Sachs. Ten eerste scheppen omvangrijke bezuinigingen duidelijkheid voor particulieren en bedrijfsleven. Het kost hen zekerheden als subsidies en toekomstige uitkeringen, maar zodra het totaalpakket bekend is en de pijn genomen, groeit hun vertrouwen in de toekomst. Snel hierna blijkt men weer te gaan consumeren en investeren. Bovendien wordt een land dat scherp en doortastend in eigen vlees snijdt beloont op de kapitaalmarkt in de vorm van een lagere rente op uitstaande leningen. Voordat links dit kunstje imiteert en denkt met belastingverhogingen uit de rode cijfers te komen, zo werkt het helaas niet, integendeel. Alleen echte ombuigingen hebben effecten op vertrouwen end e kapitaalmarkt, belastingverhogingen niet.
Het is natuurlijk het meest waarschijnlijk dat er een weg in het midden gevonden zal worden. Ten eerste omdat we ook nu weer een vrij brede coalitie zullen krijgen waarvoor partijen uit beide kampen nodig zijn. Ten tweede omdat diverse voorgestelde besparingen vooral politieke retoriek lijken. Bijvoorbeeld miljardenbesparingen op de overheidsorganisatie zijn door velen al boterzacht genoemd.
De echte hoop is gevestigd op de groei van de wereldhandel. Alleen een aantrekkende economie schept een basis voor snelle coalitievorming. Als de ramingen wat aantrekken, vindt links een motivatie om wat meer te willen ombuigen. De werkgelegenheid en belastingontvangsten lopen dan immers vanzelf wat op en de overheid hoeft iets minder aanjager van d economie te zijn. Rechts kan er een alibi in ontlenen om de scherpste kantjes van haar voorstellen af te halen.
Overigens blijft ook 12-14 miljard ombuigen best veel. Er blijft wat te kiezen kortom.
Kiezers gaan langzaam hun mind opmaken welke politieke boodschap hen het meest aanspreekt. Wordt het de nieuwe stoerheid van rechts, dat twintig miljard of meer op de overheidsuitgaven wil besparen? Of het geluid van links dat stelt miljardenbesparingen wel eenvoudig te bedenken zijn, maar niet makkelijk te realiseren.
De Keynesiaanse boodschap van links is dat de overheid vooral niet te snel en te diep moet snijden. Als zij te resoluut de broekriem aantrekt lopen werkloosheid en uitgaven snel verder op, omat de particuliere sector nog niet het stokje overneemt. Ombuigingen van zeg meer dan tien miljard verergeren in deze visie de crisis. Doseren en een scherp oog houden op de conjunctuur is de linkse sleutel tot herstel, zelfs als dat een nog wat verder oplopende staatsschuld tot gevolg heeft. Het is een realistische boodschap en zal veel kiezers aanspreken. Zeker de middenklasse voor wie bij velen werkloosheid dichtbij komt en vreest voor de aantasting van opgebouwde spaarpotje of zelfs de eigen woning in geval van werkloosheid.
De boodschap van rechts is dat hard bezuinigen weliswaar pijnlijk maar goed verdedigbaar is. Ze baseren zich daarbij evident niet op Keynes die betoogde dat juist in laagconjunctuur de overheid de bestedingen op peil moest houden. Hoewel er nu een aanhoudende laagconjunctuur is, valt er toch desondanks wat voor deze stikte bezuinigingsfilosofie te zeggen. Wanneer de overheid namelijk diep in eigen vlees snijdt, heeft dat een tweeledig effect, zo leert een recente landenstudie van zakenbank Goldman Sachs. Ten eerste scheppen omvangrijke bezuinigingen duidelijkheid voor particulieren en bedrijfsleven. Het kost hen zekerheden als subsidies en toekomstige uitkeringen, maar zodra het totaalpakket bekend is en de pijn genomen, groeit hun vertrouwen in de toekomst. Snel hierna blijkt men weer te gaan consumeren en investeren. Bovendien wordt een land dat scherp en doortastend in eigen vlees snijdt beloont op de kapitaalmarkt in de vorm van een lagere rente op uitstaande leningen. Voordat links dit kunstje imiteert en denkt met belastingverhogingen uit de rode cijfers te komen, zo werkt het helaas niet, integendeel. Alleen echte ombuigingen hebben effecten op vertrouwen end e kapitaalmarkt, belastingverhogingen niet.
Het is natuurlijk het meest waarschijnlijk dat er een weg in het midden gevonden zal worden. Ten eerste omdat we ook nu weer een vrij brede coalitie zullen krijgen waarvoor partijen uit beide kampen nodig zijn. Ten tweede omdat diverse voorgestelde besparingen vooral politieke retoriek lijken. Bijvoorbeeld miljardenbesparingen op de overheidsorganisatie zijn door velen al boterzacht genoemd.
De echte hoop is gevestigd op de groei van de wereldhandel. Alleen een aantrekkende economie schept een basis voor snelle coalitievorming. Als de ramingen wat aantrekken, vindt links een motivatie om wat meer te willen ombuigen. De werkgelegenheid en belastingontvangsten lopen dan immers vanzelf wat op en de overheid hoeft iets minder aanjager van d economie te zijn. Rechts kan er een alibi in ontlenen om de scherpste kantjes van haar voorstellen af te halen.
Overigens blijft ook 12-14 miljard ombuigen best veel. Er blijft wat te kiezen kortom.
zondag, april 18, 2010
Geef ook geld uit !
Terwijl politieke partijen elkaar overbieden als het gaat om miljardenombuigingen, is het ook goed plannen te blijven maken voor uitgaven. We naderen namelijk het moment dat de Olympische Spelen van Amsterdam 100 jaar achter ons liggen. Moeten de spelen van 2028 naar Nederland?. Kan dat wel uit, zo’n investering in een landje als Nederland? Wat kost het ons, wat baat het ons?
Moderne Olympische Spelen kosten vaak dan 20 miljard euro. In ruil daarvoor trekt het organiserend land 2 weken mondiale aandacht. Maar staan er ook voldoende baten tegenover? Niet per se. München, Montreal en Moskou waren geen financieel succes. Sinds de spelen particulier, op winst gericht zijn geraakt in Los Angeles in 1984 blijken ze beter winstgevend te maken.
De organisatie van de Spelen levert het betreffende land enkele procenten groei op, verspreid over een periode van jaren. Een deel van deze winst wordt behaald tijdens de magische twee weken vol sport en actie. TV-rechten, reclame en ticketverkoop genereren tezamen forse opbrengsten. Buitenlandse bezoekers brengen hotels en restaurants tot leven.
Maar de kosten van de bouw van immense stadions zijn niet licht terug te verdienen. De echte winst moet komen uit het blijvend gebruik van nieuw gebouwde voorzieningen waaronder hoogwaardige infrastructuur en als bijkomende bate een gezonder leef- en sportklimaat.
Nederland kent al een excellent wegennet, hoogwaardig OV maar desondanks blijft er een grote vraag naar extra capaciteit. Bijvoorbeeld hoogfrequent openbaar vervoer tussen steden of verbreding of verlegging van wegen. De OS 2028 zij een uitstekende kans om deze investeringen te realiseren. Niet alleen voor de Spelen, maar juist ook voor erna. De erfenis van de Spelen is dan ook belangrijker dan de Spelen zelf. Door de Spelen niet in of rond een stad te concentreren maar de brede Randstad te gebruiken worden gerichte investeringen in de bouw van accommodaties en infrastructuur mogelijk. Roeien in Amsterdam, voetbal in Rotterdam, atletiek in Utrecht en zwemmen in Eindhoven. Alles binnen een uurtje met excellent OV te bereiken.
Een tweede winstpunt is te behalen als de Spelen ons allen aanzetten bewuster te zijn van een gezonde levensstijl. Nederland vergrijst en ook obesitas laat ons niet onberoerd. Om een -cru gezegd- oudere en dikkere bevolking anno 2028 indringend te bereiken met de boodschap van gezonde leefgewoonten zijn de Spelen een enorme kans. En dan niet alleen moraliseren dát bewegen gezond is, maar positief uitstralen dat sport aangenaam is.
Door zó naar de Spelen te kijken, is eenvoudiger maatschappelijk draagvlak te krijgen voor het organiseren van het evenement. De steun in de samenleving is voor het IOC ook een belangrijke graadmeter in de keuzebepaling. Omdat ook de komende decennia de hoeveelheid vrije tijd zal blijven stijgen is een dus een aantrekkelijk aanbod van hoogwaardige sportvoorzieningen een aantrekkelijk perspectief en kan het jongeren en ouderen verleiden internet even terzijde te leggen.
Het binnenhalen van de Spelen is kortom ook duurzame investeringen in de infrastructuur en gezondheid van Nederland. Welke partij wil daarvoor gaan bij de verkiezingen?
Moderne Olympische Spelen kosten vaak dan 20 miljard euro. In ruil daarvoor trekt het organiserend land 2 weken mondiale aandacht. Maar staan er ook voldoende baten tegenover? Niet per se. München, Montreal en Moskou waren geen financieel succes. Sinds de spelen particulier, op winst gericht zijn geraakt in Los Angeles in 1984 blijken ze beter winstgevend te maken.
De organisatie van de Spelen levert het betreffende land enkele procenten groei op, verspreid over een periode van jaren. Een deel van deze winst wordt behaald tijdens de magische twee weken vol sport en actie. TV-rechten, reclame en ticketverkoop genereren tezamen forse opbrengsten. Buitenlandse bezoekers brengen hotels en restaurants tot leven.
Maar de kosten van de bouw van immense stadions zijn niet licht terug te verdienen. De echte winst moet komen uit het blijvend gebruik van nieuw gebouwde voorzieningen waaronder hoogwaardige infrastructuur en als bijkomende bate een gezonder leef- en sportklimaat.
Nederland kent al een excellent wegennet, hoogwaardig OV maar desondanks blijft er een grote vraag naar extra capaciteit. Bijvoorbeeld hoogfrequent openbaar vervoer tussen steden of verbreding of verlegging van wegen. De OS 2028 zij een uitstekende kans om deze investeringen te realiseren. Niet alleen voor de Spelen, maar juist ook voor erna. De erfenis van de Spelen is dan ook belangrijker dan de Spelen zelf. Door de Spelen niet in of rond een stad te concentreren maar de brede Randstad te gebruiken worden gerichte investeringen in de bouw van accommodaties en infrastructuur mogelijk. Roeien in Amsterdam, voetbal in Rotterdam, atletiek in Utrecht en zwemmen in Eindhoven. Alles binnen een uurtje met excellent OV te bereiken.
Een tweede winstpunt is te behalen als de Spelen ons allen aanzetten bewuster te zijn van een gezonde levensstijl. Nederland vergrijst en ook obesitas laat ons niet onberoerd. Om een -cru gezegd- oudere en dikkere bevolking anno 2028 indringend te bereiken met de boodschap van gezonde leefgewoonten zijn de Spelen een enorme kans. En dan niet alleen moraliseren dát bewegen gezond is, maar positief uitstralen dat sport aangenaam is.
Door zó naar de Spelen te kijken, is eenvoudiger maatschappelijk draagvlak te krijgen voor het organiseren van het evenement. De steun in de samenleving is voor het IOC ook een belangrijke graadmeter in de keuzebepaling. Omdat ook de komende decennia de hoeveelheid vrije tijd zal blijven stijgen is een dus een aantrekkelijk aanbod van hoogwaardige sportvoorzieningen een aantrekkelijk perspectief en kan het jongeren en ouderen verleiden internet even terzijde te leggen.
Het binnenhalen van de Spelen is kortom ook duurzame investeringen in de infrastructuur en gezondheid van Nederland. Welke partij wil daarvoor gaan bij de verkiezingen?
zaterdag, april 03, 2010
Wie is de baas van Nederland?
Column Binnenlands Bestuur dd 9 april 2010
Bij een bezoek aan de VS werd ik ontvangen door een medewerker van het Congres. Tijdens het gesprek zag ik zijn screensaver heen en weer gaan.’ Ours is not to reason why. Ours is just to do - and die.’ Het was een wat mismoedige verzuchting van een klerk, waarschijnlijk een uit de kringen van het leger, stelde ik me voor. Maar ook deze financieel adviseur had zich de spreuk toegeëigend. Waarom eigenlijk? Is de macht of beter : invloed van ambtenaren zo gering als de spreuk doet geloven?
Wie zelfs maar globaal kennis neemt van de 20 ambtelijke heroverwegingsrapporten van pakweg 200 Haagse denkers krijgt toch de indruk dat daar veel denkkracht aanwezig is. En, zo stellen veel commentatoren, er is veel bruikbaars tussen. Ook de reacties van linker en rechterzijde die de voorstellen, de rapporten of zelfs de opstellers afbranden met ‘deze ambtenaren moeten niet op de stoel van de politiek gaan zitten’ erkennen dat de voorstellen ertoe doen. Enige onbescheidenheid past ambtenaren kortom wel. Zij blijven onverstoord het land besturen, ook als kabinetten in impassen komen of demissionair worden. Zij bepalen in hoge mate de beleidsagenda, rangschikken alternatieven en werken het beleid uit.
Maar de politiek dan? Deze weken zijn ook de partijprogramma’s van de partijen beschikbaar gekomen. Zoals ik al vreesde zijn ze tamelijk voorspelbaar met weinig verrassende ideeën. Een deel van de voorstellen lijken vooral voor de bühne, een deel stamt uit de linkse, rechts, of christelijke traditie, maar vooral overheerst een enorme angst om zich te vervreemden van het electorale midden. Wel natuurlijk de electorale knallers als efficiencytaakstellingen op bureaucratie in de zorg, samenvoegen van overheidsdiensten en soms zelfs het schrappen van hele bestuurslagen. Terwijl zulke vermetele plannen aantoonbaar eerst veel wetgeving, overleg en andere moeiten en vooral tijd en geld kosten (dat is zeker) en heel misschien revenuen, maar dat is aantoonbaar onzeker.
Regeren dan toch de ambtenaren? Of toch gewoon de politiek? Blij verrast ben ik met de nieuwe website www.debaasvannederland.nl . Het idee van de website is van ex-politicus Willem Vermeend. De bezoeker krijgt een heel systematisch overzicht van uitgaven en ontvangsten van de Nederlandse regering. Met vervolgens buttons per beleidsveld en een lange rij aan maatregelen. Steeds weer de vraag, moet er nu meer of minder geld hier of daar heen. Welke maatregelen kiest of verwerpt u?
Spannend wordt het als de ‘speler’ , want dat wordt je toch wel een beetje, naar de resultaten gaat. Het totaal van maatregelen wordt namelijk gewogen. Niet naar politieke voorkeuren maar de ‘score’ valt hoger uit naarmate de uitkomsten van alle gekozen maatregelen een betere balans laten zien tussen extra economisch groei, gezonde overheidsfinanciën, extra werkgelegenheid, een sociaal beleid en minder CO2-uitstoot. De beste maatregelenmix kan 1000 punten verdienen - en eeuwige roem. Tot nu toe kom ik niet boven de 700. Maar wacht maar, ik hou vol. Uiteindelijk is de burger de baas van Nederland. Allemaal dus naar die site. Veel leuker dan alleen maar stemmen!
Bij een bezoek aan de VS werd ik ontvangen door een medewerker van het Congres. Tijdens het gesprek zag ik zijn screensaver heen en weer gaan.’ Ours is not to reason why. Ours is just to do - and die.’ Het was een wat mismoedige verzuchting van een klerk, waarschijnlijk een uit de kringen van het leger, stelde ik me voor. Maar ook deze financieel adviseur had zich de spreuk toegeëigend. Waarom eigenlijk? Is de macht of beter : invloed van ambtenaren zo gering als de spreuk doet geloven?
Wie zelfs maar globaal kennis neemt van de 20 ambtelijke heroverwegingsrapporten van pakweg 200 Haagse denkers krijgt toch de indruk dat daar veel denkkracht aanwezig is. En, zo stellen veel commentatoren, er is veel bruikbaars tussen. Ook de reacties van linker en rechterzijde die de voorstellen, de rapporten of zelfs de opstellers afbranden met ‘deze ambtenaren moeten niet op de stoel van de politiek gaan zitten’ erkennen dat de voorstellen ertoe doen. Enige onbescheidenheid past ambtenaren kortom wel. Zij blijven onverstoord het land besturen, ook als kabinetten in impassen komen of demissionair worden. Zij bepalen in hoge mate de beleidsagenda, rangschikken alternatieven en werken het beleid uit.
Maar de politiek dan? Deze weken zijn ook de partijprogramma’s van de partijen beschikbaar gekomen. Zoals ik al vreesde zijn ze tamelijk voorspelbaar met weinig verrassende ideeën. Een deel van de voorstellen lijken vooral voor de bühne, een deel stamt uit de linkse, rechts, of christelijke traditie, maar vooral overheerst een enorme angst om zich te vervreemden van het electorale midden. Wel natuurlijk de electorale knallers als efficiencytaakstellingen op bureaucratie in de zorg, samenvoegen van overheidsdiensten en soms zelfs het schrappen van hele bestuurslagen. Terwijl zulke vermetele plannen aantoonbaar eerst veel wetgeving, overleg en andere moeiten en vooral tijd en geld kosten (dat is zeker) en heel misschien revenuen, maar dat is aantoonbaar onzeker.
Regeren dan toch de ambtenaren? Of toch gewoon de politiek? Blij verrast ben ik met de nieuwe website www.debaasvannederland.nl . Het idee van de website is van ex-politicus Willem Vermeend. De bezoeker krijgt een heel systematisch overzicht van uitgaven en ontvangsten van de Nederlandse regering. Met vervolgens buttons per beleidsveld en een lange rij aan maatregelen. Steeds weer de vraag, moet er nu meer of minder geld hier of daar heen. Welke maatregelen kiest of verwerpt u?
Spannend wordt het als de ‘speler’ , want dat wordt je toch wel een beetje, naar de resultaten gaat. Het totaal van maatregelen wordt namelijk gewogen. Niet naar politieke voorkeuren maar de ‘score’ valt hoger uit naarmate de uitkomsten van alle gekozen maatregelen een betere balans laten zien tussen extra economisch groei, gezonde overheidsfinanciën, extra werkgelegenheid, een sociaal beleid en minder CO2-uitstoot. De beste maatregelenmix kan 1000 punten verdienen - en eeuwige roem. Tot nu toe kom ik niet boven de 700. Maar wacht maar, ik hou vol. Uiteindelijk is de burger de baas van Nederland. Allemaal dus naar die site. Veel leuker dan alleen maar stemmen!
zondag, maart 28, 2010
De invloed van een politicus
Column Binnenberijk, april 2010
Recent zijn mooie biografieën verschenen over belangrijke politieke leiders, als Den Uyl, Van Agt en recenter Luns. Het waren giganten in hun tijd, al is er van hun politieke erfenis vaak niet veel meer over. Enige nederigheid kortom is wel gepast. Toch is de invloed van een politicus ook niet te onderschatten. Zij bepalen de koers van ons land, de verdeling van rechten, de strafbaarheid van gedrag, de ontvangst van subsidies of heffing van belastingen.
Vrij typisch Nederlands is de dominantie van de regering ten opzichte van het parlement en binnen het parlement de nog sterker gevoelde onmacht van oppositiepartijen. Vergeleken met elders is de positie van ons parlement –hoewel wettelijk stevig veranderd- in de praktijk vrij zwak. Ze stelt weinig initiatiefwetten op, amendeert wetsvoorstellen maar in bescheiden mate en wijzigt bijvoorbeeld bij ingediend e begrotingen minder dan een kwart procent van de budgetten per jaar. Binnen het parlement is het een geuzendaad van jewelste als een lid van de oppositiepartijen een motie op zijn naam weet te krijgen. En zelfs dan, een motie op je naam…
Geen wonder daarom dat (inmiddels ex)-parlementariër AJ Boekestijn een andere weg zocht om zijn ideeën te realiseren, een kloek boek. Daarin werkt hij een heel kritische visie uit op het beleid rond ontwikkelingssamenwerking. Hoewel, dat de VVD-er Boekestijn het gevoerde beleid afwijst is natuurlijk geen verrassing. Een vast percentage van de begroting weggeven, landen steunen die linksig zijn, financiering van het overheidsbeleid in opkomend e landen, het zijn allemaal logische redenen voor de VVD om daar tegen te zijn. Verrassend is misschien dat Boekestijn niet zozeer afschaffing bepleit maar wijziging. Gewoon door meer en minder zinvolle of constructieve voorstellen waarover je van mening kan en mag verschillen. Maar die er wel toe doen. En verrassend is dat hij daarvoor de boekvorm koos, geen losse lezingen of parlementaire toespraken. Maar boekschrijvende politici blijven zeldzaam.
Gaat dit boek nu alles veranderen? Dat is niet gezegd. Maar ik verwacht wel dat het de discussie over ontwikkelingssamenwerking aanjaagt. Deze maanden maken politieke partijen hun partijprogramma op en zeker bij de VVD en aanverwante partijen zal men graag uit Boekestijns werk putten. Verder moet het boek een beetje concurreren met de net uitgebrachte heroverwegingsrapporten, waarvan er ook een over internationale hulp gaat.
Dat die rapporten overigens meer invloed hebben is ook niet gezegd. Een grondige studie naar de invloed van heroverwegingsrapporten leerde dat -kort gezegd- een rapport dat geheel tegen de tijdgeest inging zelden hoog scoorde, zelfs als het excellent onderzoek betrof. Een matig rapport daarentegen, zolang het maar de tijdgeest goed aanvoelt, maak grote kans op doorwerking.
De kansen voor de doorwerking van de ideeën van Boekestijn liggen kortom niet geheel of alleen bij hem, maar vooral en eerst bij de stemmers op 9 juni. Die bepalen wie regeert en dat zal meer impact hebben dan welk boek dan ook, alle vlijt ten spijt.
De prijs van een slecht geweten, Arend Jan Boekestijn, ASPEKT 2010
Recent zijn mooie biografieën verschenen over belangrijke politieke leiders, als Den Uyl, Van Agt en recenter Luns. Het waren giganten in hun tijd, al is er van hun politieke erfenis vaak niet veel meer over. Enige nederigheid kortom is wel gepast. Toch is de invloed van een politicus ook niet te onderschatten. Zij bepalen de koers van ons land, de verdeling van rechten, de strafbaarheid van gedrag, de ontvangst van subsidies of heffing van belastingen.
Vrij typisch Nederlands is de dominantie van de regering ten opzichte van het parlement en binnen het parlement de nog sterker gevoelde onmacht van oppositiepartijen. Vergeleken met elders is de positie van ons parlement –hoewel wettelijk stevig veranderd- in de praktijk vrij zwak. Ze stelt weinig initiatiefwetten op, amendeert wetsvoorstellen maar in bescheiden mate en wijzigt bijvoorbeeld bij ingediend e begrotingen minder dan een kwart procent van de budgetten per jaar. Binnen het parlement is het een geuzendaad van jewelste als een lid van de oppositiepartijen een motie op zijn naam weet te krijgen. En zelfs dan, een motie op je naam…
Geen wonder daarom dat (inmiddels ex)-parlementariër AJ Boekestijn een andere weg zocht om zijn ideeën te realiseren, een kloek boek. Daarin werkt hij een heel kritische visie uit op het beleid rond ontwikkelingssamenwerking. Hoewel, dat de VVD-er Boekestijn het gevoerde beleid afwijst is natuurlijk geen verrassing. Een vast percentage van de begroting weggeven, landen steunen die linksig zijn, financiering van het overheidsbeleid in opkomend e landen, het zijn allemaal logische redenen voor de VVD om daar tegen te zijn. Verrassend is misschien dat Boekestijn niet zozeer afschaffing bepleit maar wijziging. Gewoon door meer en minder zinvolle of constructieve voorstellen waarover je van mening kan en mag verschillen. Maar die er wel toe doen. En verrassend is dat hij daarvoor de boekvorm koos, geen losse lezingen of parlementaire toespraken. Maar boekschrijvende politici blijven zeldzaam.
Gaat dit boek nu alles veranderen? Dat is niet gezegd. Maar ik verwacht wel dat het de discussie over ontwikkelingssamenwerking aanjaagt. Deze maanden maken politieke partijen hun partijprogramma op en zeker bij de VVD en aanverwante partijen zal men graag uit Boekestijns werk putten. Verder moet het boek een beetje concurreren met de net uitgebrachte heroverwegingsrapporten, waarvan er ook een over internationale hulp gaat.
Dat die rapporten overigens meer invloed hebben is ook niet gezegd. Een grondige studie naar de invloed van heroverwegingsrapporten leerde dat -kort gezegd- een rapport dat geheel tegen de tijdgeest inging zelden hoog scoorde, zelfs als het excellent onderzoek betrof. Een matig rapport daarentegen, zolang het maar de tijdgeest goed aanvoelt, maak grote kans op doorwerking.
De kansen voor de doorwerking van de ideeën van Boekestijn liggen kortom niet geheel of alleen bij hem, maar vooral en eerst bij de stemmers op 9 juni. Die bepalen wie regeert en dat zal meer impact hebben dan welk boek dan ook, alle vlijt ten spijt.
De prijs van een slecht geweten, Arend Jan Boekestijn, ASPEKT 2010
zaterdag, maart 20, 2010
Geen cijferfetisjisme
Column Binnenlands Bestuur dd 26 maart 2010
Nog geen twee etmalen na het vertrek van Wouter Bos bij Financiën ‘onthulde’ zijn demissionaire opvolger een eerste financiële tegenvaller. Ook 2010 wordt dus een lastig budgettair jaar. Inmiddels komen ook de meerjarensommen beschikbaar van het CPB. Het lijken duizelingwekkende getallen. Zelfs als we niet 35 maar ‘slechts’ 29 miljard moeten ombuigen is dat heel veel. Teruggerekend naar bedragen voor 15 miljoen inwoners is dat bijna 2000 euro, voor een gemiddeld gezin 5-10.000 euro.
Het debat en een regen van cijfers komt langzaam op gang met berekeningen of dat twee of drie kabinetten vergt om te realiseren. En verder waar de miljarden vandaan moeten komen of welke van de voorstellen uit de 20 komende heroverwegingsrapporten eerst en met welke omvang moeten worden gerealiseerd. Alsof zich dat allemaal laat plannen. Geen econoom of politicus zag de bancaire en opvolgende economische van 2008-2009 aankomen, hoe kun je dan maar bij benadering uitrekenen hoe snel je zo’n bedrag kan ombuigen? Schijnzekerheden kortom, te veel gewicht wordt toegekend aan economen die het ook niet helemaal weten. Zo bezien hebben we niet veel geleerd.
Laten we de uitgangssituatie eerst vaststellen. Nederland is en blijft een heel rijk land, ongeveer het 6e van de wereld, met een goede exportpositie en een flink overschot op de betalingsbalans. We kennen een onverwacht lage werkloosheid van 5% en een heel hoge arbeidsproductiviteit. Velen werken kortom, de arbeidsparticipatie is hoog, zij het dat velen ervoor kiezen in deeltijd te werken, een groot vrij specifiek Nederlands goed.
Onze collectieve uitgaven zijn de laatste decennia met 20% BBP teruggebracht tot ver onder de 50%, ze waren ooit eerder bijna 70%. Ook de staatsschuld daalde fors door althans tot de crisis begon. In 2008-2009 is door Nederland echter in korte tijd heel veel geld besteed aan de bankensector, alleen Amerika en Engeland spendeerden meer. Vraag is of dit ‘weggegooid geld’ is of dat de verstrekte leningen worden terugbetaald en de verkregen eigendommen ooit via verkoop tenminste de aankoop evenaren. Wie het weet mag het zeggen, over enkele jaren weten we meer. Maar de twee grote vragen die nu beantwoord moeten worden zijn: hoe timen we de ombuigingen en welke inhoudelijke keuzen worden gemaakt. Het eerste vraagt maatvoering, het tweede moed.
Bij de timingsvraag is de keuze hoe snel de economische stimuleringspakketten worden verruild voor omvangrijke ombuigingen. Te snel beginnen met ombuigen –waar we door de versnelde verkiezingen voor lijken te kiezen- schaadt mogelijk het broze economisch herstel, laksheids en uitstel doet de staatsschuld en rentelasten onnodig verder oplopen. Uiteindelijk komen we hier wel uit, de mengeling van zuur en zoet is jaarlijks te ijken aan de economische ontwikkeling.
Meer zorgen zijn er over de inhoudelijke keuzen. Je buigt geen 29 miljard om met reductie van ambtenaren alleen. Gezondheidszorg, huisbezit, autokosten, bestuurlijke indeling, echte keuzen zijn nodig. De sleutel ligt bij het CDA. Waar andere partijen pijnlijke keuzen durven te maken, stapelen de taboes zich in het midden op. Dan is er leiderschap nodig, geen cijferfetisjisme.
Nog geen twee etmalen na het vertrek van Wouter Bos bij Financiën ‘onthulde’ zijn demissionaire opvolger een eerste financiële tegenvaller. Ook 2010 wordt dus een lastig budgettair jaar. Inmiddels komen ook de meerjarensommen beschikbaar van het CPB. Het lijken duizelingwekkende getallen. Zelfs als we niet 35 maar ‘slechts’ 29 miljard moeten ombuigen is dat heel veel. Teruggerekend naar bedragen voor 15 miljoen inwoners is dat bijna 2000 euro, voor een gemiddeld gezin 5-10.000 euro.
Het debat en een regen van cijfers komt langzaam op gang met berekeningen of dat twee of drie kabinetten vergt om te realiseren. En verder waar de miljarden vandaan moeten komen of welke van de voorstellen uit de 20 komende heroverwegingsrapporten eerst en met welke omvang moeten worden gerealiseerd. Alsof zich dat allemaal laat plannen. Geen econoom of politicus zag de bancaire en opvolgende economische van 2008-2009 aankomen, hoe kun je dan maar bij benadering uitrekenen hoe snel je zo’n bedrag kan ombuigen? Schijnzekerheden kortom, te veel gewicht wordt toegekend aan economen die het ook niet helemaal weten. Zo bezien hebben we niet veel geleerd.
Laten we de uitgangssituatie eerst vaststellen. Nederland is en blijft een heel rijk land, ongeveer het 6e van de wereld, met een goede exportpositie en een flink overschot op de betalingsbalans. We kennen een onverwacht lage werkloosheid van 5% en een heel hoge arbeidsproductiviteit. Velen werken kortom, de arbeidsparticipatie is hoog, zij het dat velen ervoor kiezen in deeltijd te werken, een groot vrij specifiek Nederlands goed.
Onze collectieve uitgaven zijn de laatste decennia met 20% BBP teruggebracht tot ver onder de 50%, ze waren ooit eerder bijna 70%. Ook de staatsschuld daalde fors door althans tot de crisis begon. In 2008-2009 is door Nederland echter in korte tijd heel veel geld besteed aan de bankensector, alleen Amerika en Engeland spendeerden meer. Vraag is of dit ‘weggegooid geld’ is of dat de verstrekte leningen worden terugbetaald en de verkregen eigendommen ooit via verkoop tenminste de aankoop evenaren. Wie het weet mag het zeggen, over enkele jaren weten we meer. Maar de twee grote vragen die nu beantwoord moeten worden zijn: hoe timen we de ombuigingen en welke inhoudelijke keuzen worden gemaakt. Het eerste vraagt maatvoering, het tweede moed.
Bij de timingsvraag is de keuze hoe snel de economische stimuleringspakketten worden verruild voor omvangrijke ombuigingen. Te snel beginnen met ombuigen –waar we door de versnelde verkiezingen voor lijken te kiezen- schaadt mogelijk het broze economisch herstel, laksheids en uitstel doet de staatsschuld en rentelasten onnodig verder oplopen. Uiteindelijk komen we hier wel uit, de mengeling van zuur en zoet is jaarlijks te ijken aan de economische ontwikkeling.
Meer zorgen zijn er over de inhoudelijke keuzen. Je buigt geen 29 miljard om met reductie van ambtenaren alleen. Gezondheidszorg, huisbezit, autokosten, bestuurlijke indeling, echte keuzen zijn nodig. De sleutel ligt bij het CDA. Waar andere partijen pijnlijke keuzen durven te maken, stapelen de taboes zich in het midden op. Dan is er leiderschap nodig, geen cijferfetisjisme.
zondag, maart 07, 2010
Een transparante begroting 2.0 aub
Column Binnenlands Bestuur dd 12 maart 2010
Als we de webdeskundigen mogen geloven wordt alles 2.0. en gaan we de veelvuldigheid van communicatielijnen, want zo begrijp ik 2.0, in al zijn facetten beleven. Dat schept interessante mogelijkheden. Ook voor de overheid liggen er kansen. Foto’s van vermiste kinderen of heterdaadjes gaan naar alle blackberries en webtelefoons in de regio En minder politiespeurders, de foto van de meest gezochten komen snel op het net en de burger zoekt mee. Gat in de weg? Email de lokatie met foto naar maakmijnstraatje.nl. zoals in Engeland al gebruikelijk is en monitor de afhandeling met een muisklik
Maar 2.0 kan ook lastig zijn voor de overheid. Britten kunnen al zien hoe hard hun parlementslid voor hen werkt, wat hij of zij stemde, welke declaratie werd ingediend, of men aanwezig was bij vergaderingen en welke vragen werden ingediend. De burger als Big Brother, richting de parlementsleden.
Burgers kunnen elkaar ook gaan vertellen hoe het er nu echt voor staat met de overheidsdienstverlening. En dan niet op de overheidssite maar op sites van derden. Gedane beloften worden zo controleerbaar. Is de vorstschade aan wegen echt wel volledig gerepareerd? Zijn de wachttijden voor vergunningen teruggebracht? Niet zozeer is nieuw dat burgers terugpraten tegen de overheid, nieuw is het gemak, de snelheid, precisie en omvang waarmee dat kan.
Jammer is dat van dat 2.0 denken nog zo weinig te merken is in de begrotingsbesluitvorming. Wat zou het een goed en levendig debat worden als velen met velen het debat kunnen aangaan over omvang en besteding van de overheidsbudgetten. Daarvoor zijn volgens mij nog een aantal zaken nodig.
Ten eerste moet de overheidsbegroting veel gedetailleerder dan nu op het web worden geplaatst. Er moet kunnen worden doorgeklikt naar een veel concreter niveau dan nu. LNV dat inzicht geeft in de precieze ontvangers van subsidies is wat dit betreft voorbeeldig.
Ten tweede moeten er links worden gelegd tussen begrotingsjaren en geboekte resultaten, zodat per beleidsterrein te zien is waar groei en krimp is, waar vaak geld onbesteed overblijft en of het beleid ‘werkt’. Er zouden tijdreeksanalyses van tenminste 5 jaar beschikbaar moeten komen en links worden gelegd met eigen evaluatierapporten of die van de Algemene Rekenkamer of derden. Ten derde moeten er actuelere uitputtingsgegevens komen, zodat ook tijdens een begrotingsjaar burgers en bedrijven kunnen inspelen op de resterende mogelijkheden voor de aanvraag van subsidies of het doen van voorstellen. Dat scheelt veel bureaucratielasten!
Natuurlijk leidt zoveel openheid ook tot scherpere debatten over besparingsmogelijkheden, zeker gegeven de grote schaarste. Maar dat is de kern van overheid of wel begroting 2.0. Velen gebruiken hun denkkracht om te werken aan betere oplossingen voor morgen, niet allen 20 Haagse groepjes.
De verkiezingsprogramma’s van de (lokale) politieke partijen beloofden qua financiële transparantie niet veel goeds. Toch zal de impuls mede vanuit de partijen moeten komen om echte begrotingstransparantie af te dwingen en zo debat mogelijk maken. Hup schrijvers van verkiezingsprogramma’s, denk eens even 2.0, ook financieel!
Als we de webdeskundigen mogen geloven wordt alles 2.0. en gaan we de veelvuldigheid van communicatielijnen, want zo begrijp ik 2.0, in al zijn facetten beleven. Dat schept interessante mogelijkheden. Ook voor de overheid liggen er kansen. Foto’s van vermiste kinderen of heterdaadjes gaan naar alle blackberries en webtelefoons in de regio En minder politiespeurders, de foto van de meest gezochten komen snel op het net en de burger zoekt mee. Gat in de weg? Email de lokatie met foto naar maakmijnstraatje.nl. zoals in Engeland al gebruikelijk is en monitor de afhandeling met een muisklik
Maar 2.0 kan ook lastig zijn voor de overheid. Britten kunnen al zien hoe hard hun parlementslid voor hen werkt, wat hij of zij stemde, welke declaratie werd ingediend, of men aanwezig was bij vergaderingen en welke vragen werden ingediend. De burger als Big Brother, richting de parlementsleden.
Burgers kunnen elkaar ook gaan vertellen hoe het er nu echt voor staat met de overheidsdienstverlening. En dan niet op de overheidssite maar op sites van derden. Gedane beloften worden zo controleerbaar. Is de vorstschade aan wegen echt wel volledig gerepareerd? Zijn de wachttijden voor vergunningen teruggebracht? Niet zozeer is nieuw dat burgers terugpraten tegen de overheid, nieuw is het gemak, de snelheid, precisie en omvang waarmee dat kan.
Jammer is dat van dat 2.0 denken nog zo weinig te merken is in de begrotingsbesluitvorming. Wat zou het een goed en levendig debat worden als velen met velen het debat kunnen aangaan over omvang en besteding van de overheidsbudgetten. Daarvoor zijn volgens mij nog een aantal zaken nodig.
Ten eerste moet de overheidsbegroting veel gedetailleerder dan nu op het web worden geplaatst. Er moet kunnen worden doorgeklikt naar een veel concreter niveau dan nu. LNV dat inzicht geeft in de precieze ontvangers van subsidies is wat dit betreft voorbeeldig.
Ten tweede moeten er links worden gelegd tussen begrotingsjaren en geboekte resultaten, zodat per beleidsterrein te zien is waar groei en krimp is, waar vaak geld onbesteed overblijft en of het beleid ‘werkt’. Er zouden tijdreeksanalyses van tenminste 5 jaar beschikbaar moeten komen en links worden gelegd met eigen evaluatierapporten of die van de Algemene Rekenkamer of derden. Ten derde moeten er actuelere uitputtingsgegevens komen, zodat ook tijdens een begrotingsjaar burgers en bedrijven kunnen inspelen op de resterende mogelijkheden voor de aanvraag van subsidies of het doen van voorstellen. Dat scheelt veel bureaucratielasten!
Natuurlijk leidt zoveel openheid ook tot scherpere debatten over besparingsmogelijkheden, zeker gegeven de grote schaarste. Maar dat is de kern van overheid of wel begroting 2.0. Velen gebruiken hun denkkracht om te werken aan betere oplossingen voor morgen, niet allen 20 Haagse groepjes.
De verkiezingsprogramma’s van de (lokale) politieke partijen beloofden qua financiële transparantie niet veel goeds. Toch zal de impuls mede vanuit de partijen moeten komen om echte begrotingstransparantie af te dwingen en zo debat mogelijk maken. Hup schrijvers van verkiezingsprogramma’s, denk eens even 2.0, ook financieel!
maandag, februari 22, 2010
Strategische HRM-beleid; een must anno 2010
Recensie Binnenberijk maart 2010
Dit jaar, 2010, is hét jaar geworden voor strategische keuzen in het personeelsmanagement in publieke organisaties. De opgaven zijn immers legio. Binnen departementen en aanverwante organisaties groeit de onzekerheid nu het kabinet is gevallen. Krijgt met straks nieuwe (PVV)bazen? Wat betekenen de verkiezingen en een nieuw kabinet voor het overheidspersoneelsbeleid? Gaan net als in 2006 politieke partijen elkaar overbieden hoeveel minder ambtenaren (en budget) zij wensen? Welke taken worden geschrapt? Hoe ondertussen medewerkers motiveren die met minder collega;s en een denkbaar sobere CAO-ontwikkeling meer werk moeten gaan verzetten. Maar ook : hoe kunnen grote groepen oudere werknemers effectief worden ingezet nu ze door het mogelijk verlengen van de AOW-leeftijd veel langer in dienst blijven? En hoe kan ondertussen het arbeidsmarktprofiel en de wervingskracht van de publieke sector op peil blijven opdat als er even ruimte is instroom van fris bloed en recente kennis kan plaatsvinden? Werk aan de winkel kortom.
Steijn ea willen in het recent verschenen handboek handvatten bieden voor het maken van zulke strategische HRM-afwegingen. Positief is dat ze deze vragen modelmatig en samenhangend benaderen. Hun benadering is dat een tweevoudige opgave is. De eerste is dat de (HRM-)strategiebepaling rekening moet houden met de omgevingsdynamiek. De van publieke organisaties verlangde producten en diensten veranderen immers. En institutionele veranderingen, bijvoorbeeld arbeidsmarktpositie, hogere pensioenleeftijd, minder beta-studenten werken ook door. Deze uiteenlopende externe opgaven moeten vertaald worden in de organisatiestrategie. Er moet bijvoorbeeld meer publieksgericht gewerkt gaan worden, meer internetafhandeling van klantcontacten, meer directe uren gerealiseerd en meer. Hoe dat snel en effectief te realiseren?
De tweede opgaven is intern, waar houding en gedrag van medewerkers bepalend zijn voor het potentieel van de organisatie om de verlangde (veranderende) prestaties daadwerkelijk te leveren.
Organisaties moeten in het model van Steijn steeds weer de vraag en condities van de omgeving matchen met het interne beschikbare HRM-aanbod. En dat werkt volgends Steijn door in de volle breedte van het strategisch HRM-beleid. In de inrichting van de organisatie, de arbeidsmarktstrategie, loopbaan- en employabilitybeleid en meer. Deze zaken zijn kortom geen ‘doel op zich’, of uitvloeisel van trends of modegrillen maar horen samenhangend te worden doordacht. Anderzijds is er bij Steijn ea ook aandacht voor organisatieontwikkeling en het behouden van de medewerkertevredenheid, de sleutel tot presteren.
Een nuttig en bruikbaar boek kortom, maar er blijven ook vragen onbeantwoord. Een paar wil ik wel noemen. Ten eerste ontbreekt diepgaande behandeling van beloningsvraagstukken, zeg maar de Balkenende-normering en aanverwante problematiek. En: werkt prestatiebeloning in de publiek sector nu wel of niet en hoe geef je zo’n systeem dan effectief vorm? Ten tweede, MD- of personeelsontwikkeling, anders dan via opleidingen. Hoe kan -nu de bereidheid van functie te wisselen alom groeit- functieroulatie en mobiliteit optimaal worden benut, zonder dat er een laag van primair procesgerichte ambtenaren of managers ontstaat ’zonder inhoud’. Ten derde, hoe uniformering van arbeidsvoorwaardenregimes enerzijds en differentiatie van loopbaanpaden en beloningen tezamen gestalte kunnen krijgen.
Ruimte voor een even samenhangend boek over tactisch’ HRM-beleid kortom, na dit nuttige eerste.
Dit jaar, 2010, is hét jaar geworden voor strategische keuzen in het personeelsmanagement in publieke organisaties. De opgaven zijn immers legio. Binnen departementen en aanverwante organisaties groeit de onzekerheid nu het kabinet is gevallen. Krijgt met straks nieuwe (PVV)bazen? Wat betekenen de verkiezingen en een nieuw kabinet voor het overheidspersoneelsbeleid? Gaan net als in 2006 politieke partijen elkaar overbieden hoeveel minder ambtenaren (en budget) zij wensen? Welke taken worden geschrapt? Hoe ondertussen medewerkers motiveren die met minder collega;s en een denkbaar sobere CAO-ontwikkeling meer werk moeten gaan verzetten. Maar ook : hoe kunnen grote groepen oudere werknemers effectief worden ingezet nu ze door het mogelijk verlengen van de AOW-leeftijd veel langer in dienst blijven? En hoe kan ondertussen het arbeidsmarktprofiel en de wervingskracht van de publieke sector op peil blijven opdat als er even ruimte is instroom van fris bloed en recente kennis kan plaatsvinden? Werk aan de winkel kortom.
Steijn ea willen in het recent verschenen handboek handvatten bieden voor het maken van zulke strategische HRM-afwegingen. Positief is dat ze deze vragen modelmatig en samenhangend benaderen. Hun benadering is dat een tweevoudige opgave is. De eerste is dat de (HRM-)strategiebepaling rekening moet houden met de omgevingsdynamiek. De van publieke organisaties verlangde producten en diensten veranderen immers. En institutionele veranderingen, bijvoorbeeld arbeidsmarktpositie, hogere pensioenleeftijd, minder beta-studenten werken ook door. Deze uiteenlopende externe opgaven moeten vertaald worden in de organisatiestrategie. Er moet bijvoorbeeld meer publieksgericht gewerkt gaan worden, meer internetafhandeling van klantcontacten, meer directe uren gerealiseerd en meer. Hoe dat snel en effectief te realiseren?
De tweede opgaven is intern, waar houding en gedrag van medewerkers bepalend zijn voor het potentieel van de organisatie om de verlangde (veranderende) prestaties daadwerkelijk te leveren.
Organisaties moeten in het model van Steijn steeds weer de vraag en condities van de omgeving matchen met het interne beschikbare HRM-aanbod. En dat werkt volgends Steijn door in de volle breedte van het strategisch HRM-beleid. In de inrichting van de organisatie, de arbeidsmarktstrategie, loopbaan- en employabilitybeleid en meer. Deze zaken zijn kortom geen ‘doel op zich’, of uitvloeisel van trends of modegrillen maar horen samenhangend te worden doordacht. Anderzijds is er bij Steijn ea ook aandacht voor organisatieontwikkeling en het behouden van de medewerkertevredenheid, de sleutel tot presteren.
Een nuttig en bruikbaar boek kortom, maar er blijven ook vragen onbeantwoord. Een paar wil ik wel noemen. Ten eerste ontbreekt diepgaande behandeling van beloningsvraagstukken, zeg maar de Balkenende-normering en aanverwante problematiek. En: werkt prestatiebeloning in de publiek sector nu wel of niet en hoe geef je zo’n systeem dan effectief vorm? Ten tweede, MD- of personeelsontwikkeling, anders dan via opleidingen. Hoe kan -nu de bereidheid van functie te wisselen alom groeit- functieroulatie en mobiliteit optimaal worden benut, zonder dat er een laag van primair procesgerichte ambtenaren of managers ontstaat ’zonder inhoud’. Ten derde, hoe uniformering van arbeidsvoorwaardenregimes enerzijds en differentiatie van loopbaanpaden en beloningen tezamen gestalte kunnen krijgen.
Ruimte voor een even samenhangend boek over tactisch’ HRM-beleid kortom, na dit nuttige eerste.
zondag, februari 07, 2010
Zijn er lessen geleerd?
Column Binnenlands Bestuur dd 12 februari 2010
De commissie Davids over Irak was spannender dan de commissie De Wit. Opeens was er een vertrouwelijk voorbereid rapport, een persconferentie die zich onverwacht ontwikkelde, en later een nachtelijk debat met als kernvraag of er een les was geleerd.
Bij de commissie De Wit konden we dagelijks ooggetuige zijn van het optreden van de hoofdrolspelers. Ambtenaren, politici, toezichthouders, wetenschappers en bankbestuurders gaven hun visie op algemene en specifieke vragen, waarbij ze niet zelden in persoon onderwerp van debat waren. Maar ook daar lijkt de vraag aan de orde te moeten komen: is er nu een les geleerd? Over de algemene malaise waarin onze economie is verzeild, de wereldwijde bankenproblematiek of de specifieke nationale perikelen rond Fortis, ABNAMRO en ING. Los en vooruitlopend op het commissieantwoord durf ik te zeggen : neen. We lijken te weinig resolute lessen te durven trekken uit de drievoudige crisis. Noch personen noch instituten lijken tot de conclusie te zijn gekomen: dit niet meer. Of: ik niet meer.
Op micro-niveau maakte ik recent iets mee wat hiermee te maken lijkt te hebben. Ik kreeg ter vervulling van een zware vacature zo’n 150 reacties. Dat verraste me niet. Het zijn economisch gezien zware tijden, de functie was in een aantrekkelijke omgeving en blijkbaar aantrekkelijk beprijsd dus veel reacties zijn dan goed voorstelbaar. Maar de verrassing was dat de reacties zo matig waren.
Is Nederland verleerd te solliciteren? Saaie brieven, nauwelijks verrassende CV’s, alle lijkt te zijn gesjabloneerd waardoor nauwelijks één kandidaat -althans op papier- eruit sprong. Menigeen stuurde een standaardCV met een drieregelige briefmotivatie. Diverse CV’s waren in het Engels (te lui om te vertalen?), toegemailde informatieverzoeken bleken zo obligaat dat de helft ervan al in de advertentietekst stond of binnen 2 minuten via het internet te achterhalen was,. Maar belangrijker nog, nauwelijks legden kandidaten een relatie tussen hun eigen kennen en kunnen en de functie-eisen. Kandidaten die ik wel sprak en bijvoorbeeld ergens ontslagen bleken waren nauwelijks in staat enige reflectie te tonen. Nog steeds vond zichzelf geweldig, ervaren, kundig, allround (prima, zo hoort het) maar reflectie op de geknakte loopbaan of een relatie leggen met de nu geformuleerde functie-eisen bleek een hele lastige opgave.
Ligt daar niet te kern van het probleem, ook in de financiële crisis? Zijn we te zelfgenoegzaam geworden, verblind door ooit eerder verrichte grootse daden. Kunnen we wel een relatie leggen tussen wat er echt is gebeurd of benodigd is en onze eigen rol daarin? Dat Rijkman, Wellink en al die anderen een fantastische loopbaan en reputatie hadden tot de start van de crisis is evident. De actuele vraag is of betrokkenen een relatie kunnen leggen tussen wat er moest/moet gebeuren en het eigen optreden. Daarin lijkt een groot onvermogen te bestaan, zowel bij mijn sollicitanten als bij tal van door de commissie De Wit opgeroepen toppers. Als die persoonlijke lessen niet worden getrokken, dan zijn we er nog slechter aan toe dan voor de crisis begon.
De commissie Davids over Irak was spannender dan de commissie De Wit. Opeens was er een vertrouwelijk voorbereid rapport, een persconferentie die zich onverwacht ontwikkelde, en later een nachtelijk debat met als kernvraag of er een les was geleerd.
Bij de commissie De Wit konden we dagelijks ooggetuige zijn van het optreden van de hoofdrolspelers. Ambtenaren, politici, toezichthouders, wetenschappers en bankbestuurders gaven hun visie op algemene en specifieke vragen, waarbij ze niet zelden in persoon onderwerp van debat waren. Maar ook daar lijkt de vraag aan de orde te moeten komen: is er nu een les geleerd? Over de algemene malaise waarin onze economie is verzeild, de wereldwijde bankenproblematiek of de specifieke nationale perikelen rond Fortis, ABNAMRO en ING. Los en vooruitlopend op het commissieantwoord durf ik te zeggen : neen. We lijken te weinig resolute lessen te durven trekken uit de drievoudige crisis. Noch personen noch instituten lijken tot de conclusie te zijn gekomen: dit niet meer. Of: ik niet meer.
Op micro-niveau maakte ik recent iets mee wat hiermee te maken lijkt te hebben. Ik kreeg ter vervulling van een zware vacature zo’n 150 reacties. Dat verraste me niet. Het zijn economisch gezien zware tijden, de functie was in een aantrekkelijke omgeving en blijkbaar aantrekkelijk beprijsd dus veel reacties zijn dan goed voorstelbaar. Maar de verrassing was dat de reacties zo matig waren.
Is Nederland verleerd te solliciteren? Saaie brieven, nauwelijks verrassende CV’s, alle lijkt te zijn gesjabloneerd waardoor nauwelijks één kandidaat -althans op papier- eruit sprong. Menigeen stuurde een standaardCV met een drieregelige briefmotivatie. Diverse CV’s waren in het Engels (te lui om te vertalen?), toegemailde informatieverzoeken bleken zo obligaat dat de helft ervan al in de advertentietekst stond of binnen 2 minuten via het internet te achterhalen was,. Maar belangrijker nog, nauwelijks legden kandidaten een relatie tussen hun eigen kennen en kunnen en de functie-eisen. Kandidaten die ik wel sprak en bijvoorbeeld ergens ontslagen bleken waren nauwelijks in staat enige reflectie te tonen. Nog steeds vond zichzelf geweldig, ervaren, kundig, allround (prima, zo hoort het) maar reflectie op de geknakte loopbaan of een relatie leggen met de nu geformuleerde functie-eisen bleek een hele lastige opgave.
Ligt daar niet te kern van het probleem, ook in de financiële crisis? Zijn we te zelfgenoegzaam geworden, verblind door ooit eerder verrichte grootse daden. Kunnen we wel een relatie leggen tussen wat er echt is gebeurd of benodigd is en onze eigen rol daarin? Dat Rijkman, Wellink en al die anderen een fantastische loopbaan en reputatie hadden tot de start van de crisis is evident. De actuele vraag is of betrokkenen een relatie kunnen leggen tussen wat er moest/moet gebeuren en het eigen optreden. Daarin lijkt een groot onvermogen te bestaan, zowel bij mijn sollicitanten als bij tal van door de commissie De Wit opgeroepen toppers. Als die persoonlijke lessen niet worden getrokken, dan zijn we er nog slechter aan toe dan voor de crisis begon.
Horende blind, ziende doof?
Column Binnenlands Bestuur dd 26 februari 2010
Bij rijk en gemeenten staan veel beleidsgesprekken in het teken van de gevolgen van de crisis en de komende verkiezingen. Kan het beleid voort en blijft het budget in stand? Zou het helpen als rijk en medeoverheden elkaar eens opzochten en naar elkaar luisterden? Vertegenwoordigers van regio’s bepleitten in zo’n bijeenkomst laatst extra financiële middelen voor regionale op preventie gerichte samenwerkingsprojecten die na een moeizame start eindelijk vruchten gaan afwerpen. Bijna autonome organisaties, van rijk, provincie en gemeente uit tal van ketens hebbend e handen ineen geslagen en alle gedane moeite lijkt niet vergeefs. De beleidsuitvoerders zeggen gaandeweg steeds meer resultaat te boeken en zijn zelfs onder een dak zijn gaan werken. De lijntjes tussen organisaties en mensen zijn korter, de interventies sneller, men spreekt elkaar aan op wederzijdse bijstand en onderlinge afspraken worden nagekomen.
De diverse betrokken bestuurders denken nog wat genuanceerder. Wie mag de geboekte winst inboeken en de communicatie verrichten? Wie mag ermee naar de pers? De wethouder van de stad, de burgemeester van de regiogemeente, de bestuurder van de participerende instelling of de minister? Moet dat nieuwe logo nu echt overal op en verliezen uitgeleende medewerkers niet gaandeweg hun identiteit? Worden we op den duur als participanten zelf niet onzichtbaar en dus kwetsbaar?
De rijksvertegenwoordigers horen en zien het allemaal aan en kijkend vol onbegrip naar de verhalen. Samenwerken in de regio is prima, vooral doen. Maar wat levert dat in geld op nu of op langer termijn? Niets, kost het alleen maar geld, waarom doet u het dan? Is er zelfs niet juist sprake van een zekere nieuwe bureaucratie, nu onderlinge afspraken tussen organisaties moeten worden geharmonieerd, vastgelegd, geprotocolleerd en ga zo maar door? En dat nieuwe samenwerkingspand, de extra manager en de koffiejuffrouw op de gang, moeten die niet ook worden betaald? Is het nuttig dat uitvoerende medewerkers twee bazen en twee werkplekken hebben of kost dat allen maar geld?
Of werkt u samen omdat het beleid daardoor effectiever wordt? Is er eigenlijk wel meetbare effectiviteitwinst? Tja, dat blijkt vaak maar lastig te meten, zeker bij preventieprojecten. Mooi verhaal kortom, maar kunt u de doelmatigheid of effectiviteit plausibel maken of aantonen? Neen? Dan houden we u liever aan de eerder gemaakte prestatieafspraken in de diverse departementale kolommen en geven u in overweging geen geld meer in de samenwerkingsprojecten te stoppen maar gewoon de afgesproken prestaties te leveren. En anders volgt er een strafkorting.
De rijksreactie verontrust de regionale pleitbezorgers voor meer middelen. Kan er alleen nog maar iets als het bedrijfsmatig aantoonbaar is? Is er geen vertrouwen in de professionaliteit van de uitvoerders die belastinggeld toch wijselijk besteden, kom toch over de brug en geef ons dat geld.
Jawel, zeggen de rijksvertegenwoordigers. We respecteren jullie beleidsruimte zeer. Niemand beter dan de regio weet wat er echt belangrijk is. Maar als we het goed begrepen koos jullie college vorig jaar voor een nieuw theater, de buurgemeente voor een extra sporthal, de instelling voor een bestuurderssalaris ver boven de Balkenendenorm. Dat is jullie keuze. Maar kom dan niet bij ons aan voor extra middelen voor dit project zonder een begin van een hard verhaal.
Deze dialoog was nog niet af.
Bij rijk en gemeenten staan veel beleidsgesprekken in het teken van de gevolgen van de crisis en de komende verkiezingen. Kan het beleid voort en blijft het budget in stand? Zou het helpen als rijk en medeoverheden elkaar eens opzochten en naar elkaar luisterden? Vertegenwoordigers van regio’s bepleitten in zo’n bijeenkomst laatst extra financiële middelen voor regionale op preventie gerichte samenwerkingsprojecten die na een moeizame start eindelijk vruchten gaan afwerpen. Bijna autonome organisaties, van rijk, provincie en gemeente uit tal van ketens hebbend e handen ineen geslagen en alle gedane moeite lijkt niet vergeefs. De beleidsuitvoerders zeggen gaandeweg steeds meer resultaat te boeken en zijn zelfs onder een dak zijn gaan werken. De lijntjes tussen organisaties en mensen zijn korter, de interventies sneller, men spreekt elkaar aan op wederzijdse bijstand en onderlinge afspraken worden nagekomen.
De diverse betrokken bestuurders denken nog wat genuanceerder. Wie mag de geboekte winst inboeken en de communicatie verrichten? Wie mag ermee naar de pers? De wethouder van de stad, de burgemeester van de regiogemeente, de bestuurder van de participerende instelling of de minister? Moet dat nieuwe logo nu echt overal op en verliezen uitgeleende medewerkers niet gaandeweg hun identiteit? Worden we op den duur als participanten zelf niet onzichtbaar en dus kwetsbaar?
De rijksvertegenwoordigers horen en zien het allemaal aan en kijkend vol onbegrip naar de verhalen. Samenwerken in de regio is prima, vooral doen. Maar wat levert dat in geld op nu of op langer termijn? Niets, kost het alleen maar geld, waarom doet u het dan? Is er zelfs niet juist sprake van een zekere nieuwe bureaucratie, nu onderlinge afspraken tussen organisaties moeten worden geharmonieerd, vastgelegd, geprotocolleerd en ga zo maar door? En dat nieuwe samenwerkingspand, de extra manager en de koffiejuffrouw op de gang, moeten die niet ook worden betaald? Is het nuttig dat uitvoerende medewerkers twee bazen en twee werkplekken hebben of kost dat allen maar geld?
Of werkt u samen omdat het beleid daardoor effectiever wordt? Is er eigenlijk wel meetbare effectiviteitwinst? Tja, dat blijkt vaak maar lastig te meten, zeker bij preventieprojecten. Mooi verhaal kortom, maar kunt u de doelmatigheid of effectiviteit plausibel maken of aantonen? Neen? Dan houden we u liever aan de eerder gemaakte prestatieafspraken in de diverse departementale kolommen en geven u in overweging geen geld meer in de samenwerkingsprojecten te stoppen maar gewoon de afgesproken prestaties te leveren. En anders volgt er een strafkorting.
De rijksreactie verontrust de regionale pleitbezorgers voor meer middelen. Kan er alleen nog maar iets als het bedrijfsmatig aantoonbaar is? Is er geen vertrouwen in de professionaliteit van de uitvoerders die belastinggeld toch wijselijk besteden, kom toch over de brug en geef ons dat geld.
Jawel, zeggen de rijksvertegenwoordigers. We respecteren jullie beleidsruimte zeer. Niemand beter dan de regio weet wat er echt belangrijk is. Maar als we het goed begrepen koos jullie college vorig jaar voor een nieuw theater, de buurgemeente voor een extra sporthal, de instelling voor een bestuurderssalaris ver boven de Balkenendenorm. Dat is jullie keuze. Maar kom dan niet bij ons aan voor extra middelen voor dit project zonder een begin van een hard verhaal.
Deze dialoog was nog niet af.
Abonneren op:
Posts (Atom)