Column Binnenlands Bestuur dd 28 mei 2010
Weet u het nog? November 1980 werd voormalig filmacteur en gouverneur van Californië Ronald Reagan gekozen tot de 40e president van de Verenigde Staten. Hij bleef president van 1981 tot 1989. Maar deed hij het goed?
Reagans erfenis, die dertig jaar na dato nog steeds relevant, is werd vooral gekenmerkt door een neoliberale economische koers. Deze door neo-klassieke economen van de ‘Chicago School of Economics’ voorbereide 'Reaganomics' werden gekenmerkt door afbouw van het staatsbestel, belastingverlagingen om de economische groei te stimuleren en beleid gericht op lage inflatie. Toen Reagan het Witte Huis verliet, was de inflatie op een laag en stabiel peil gebracht en de werkloosheid teruggebracht tot 5,3%. Belastingen werden behalve verlaagd ook vooral verschoven, van belasting op kapitaalinkomsten en hoge inkomens naar belasting op lagere inkomens. Zo daalde het toptarief in de inkomstenbelasting van 70% naar 28%, hetgeen rijken erg baatte.
Reagan communiceerde dit voorstel briljant via de zogenaamde Laffercurve, een theorie die op een papieren servetje past. Als de belastingtarieven te hoog worden, dalen volgens Laffer/Reagan de totale opbrengsten. Door tarieven te verlagen zouden de opbrengsten oplopen, door minder ontduiking, een sterkere prikkel langer te werken en dus economische groei. De eerste belastingverlaging van Reagan in 1981 kostte 3% van het nationaal inkomen, voor ons vandaag de dag bijna 20 miljard euro!
Alle maatregelen tezamen leidden begin jaren tachtig tot een tijdelijke economische opleving, maar deze was niet voldoende om de enorme belastingderving te compenseren. Eind jaren tachtig kende de VS per saldo een sterk toegenomen begrotingstekort , mede door de stijging van defensie-uitgaven en een verviervoudigde staatsschuld. Reagan was geen onverdeeld succes kortom.
Kwalijker dan de gevolgen van Reaganomics voor de VS is de vrijwel kritiekloze navolging ervan in Europa. Een kleine overheid, lage belastingen en deregulering was de receptuur van Reagan die heel breed is nagevolgd. Margareth Thatcher, van 1979-1992 Brits premier, verdiende er haar herverkiezingen mee, haar opvolgers Major, Blair en Brown wandelden in haar voetstappen. In Nederland omarmde behalve de VVD ook het CDA van Lubbers en Ruding in de jaren tachtig dit gedachtegoed dat lange tijd de politieke agenda heeft beheerst. In de jaren negentig en erna stelden de sociaal-democraten er eigenlijk weinig tegenover. De geschiedenis moet nog definitief oordelen over de zogenaamde derde weg van Blair en Bos maar dit gezochte pad tussen neoklassieke Reaganomics en socialistische planning lag dichter bij het eerste dan bij het laatste. Met alle gevolgen vandien.
Nu, in 2010 zien we dat we ten dele de wrange vruchten lukken van dit beleid. De financiële sector is door de ideologie van deregulering en sectoraal toezicht ontspoord. Politici die opperen dat belastingverhoging ook een positief effect kan hebben en bijvoorbeeld bijdragen aan het realiseren van breed gedeelde maatschappelijke ambities en goede publieke dienstverlening worden verketterd. Ook opmerkelijk is dat er nog geen coherent tegengeluid is gekomen van sociaal-democraten of christen-democraten als alternatief voor Reaganomics en zijn mislukte beleid nog steeds navolgers kent. Werk aan de winkel kortom.
Een overzicht van publicaties als onderzoeker aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Wil je reageren ? bestebreur@fsw.eur.nl of #bestebreur op Twitter
zondag, mei 16, 2010
Europa vraagt kleur te bekennen
Column Binnenlands Bestuur dd 28 mei 2010
Politici die elkaar moeten afrekenen, gaan veel te zacht met elkaar om’, vindt minister van Financiën De Jager. Hij verwijst naar de traagheid waarmee Europa Griekenland heeft gecorrigeerd. Gezocht wordt naar nieuwe instituties, zoals een onafhankelijke Europese toezichthouder, met verstrekkender bevoegdheden, om ontsporende landen in het gareel te krijgen. Commissievoorzitter Barroso kwam direct met ideeën. Bijvoorbeeld Europese beoordeling van nationale begrotingen, voordat deze naar het nationale parlement gaan.
Wat zich nu eigenlijk openbaart, is een aantal tekortkomingen uit de tijd van de invoering van de euro. Deze hoeven Europa en de euro niet fataal te worden, maar vergen wel resolute actie. Wat was er mis?
Ten eerste lijken de destijds gebruikte toetredingscriteria vooral gemaakt met de blik in de achteruitkijkspiegel, in plaats van toekomstgericht. Het criterium EMU-saldo (dat onder de drie procent moest liggen) is bijvoorbeeld een manipuleerbare momentopname . Tal van landen hebben eenmalige trucs benut , zoals de verkoop van staatsbezittingen, met een geflatteerd saldo tot gevolg. De uitgavenomvang en het ontvangstenvolume waren met het oog op de toekomst evenwel structureel uit balans.
Het andere belangrijke criterium, de staatsschuldomvang die 60%van het nationaal inkomen mocht zijn (of hoger maar snel dalend) zegt vooral iets over de in het verleden behaalde resultaten, weinig over de toekomst. Zo zijn landen toegelaten, ook als men kon zien aankomen dat de uitgaven door vergrijzing, pensioen- en zorgkosten enorm zouden gaan stijgen.
Het ontbrak ten tweede aan criteria die iets zeggen over de omvang en structuur van de uitgaven van landen. Landen waar een omvangrijke overheid tot tweederde van het nationaal inkomen opsoupeerden, waren even welkom als landen waar de overheid nog geen derde deel van de economie vormde. Dat scheelt een slok op een borrel bij economische laagconjunctuur.
De weerbaarheid van landen tegen conjuncturele verstoringen en de mate waarin landen gereed waren om toekomstige ontwikkelingen op te vangen, verschilde dus enorm, maar speelde geen rol bij de invoeringscriteria. Belangrijk is nu dat in Europa langs drie wegen wordt geharmoniseerd om een duurzame, sterke eurozone te bewerkstelligen.
De eerste is dat er eisen worden gesteld aan de samenstelling van de nationale begrotingen, met het oog op zeg de komende 20 jaar. Landen die sterk vergrijzen zullen om de toekomstige problemen het hoofd te bieden structureel fors moeten snoeien en bijvoorbeeld pensioenregelingen aanpakken.
Ten tweede zal de overheidssector in omvang beperkt moeten worden, om zo weerbaarder te zijn tegen conjuncturele verstoringen. Er kan een zekere begrotingsreserve worden gecreëerd als ‘rainy day fund’, zonodig te beheren via Brussel.
Ten derde zal inderdaad een strikter toezicht moeten plaatsvinden. Het geopperde idee van jaarlijkse begrotingscontrole is te kortademig, juist de langere termijnperspectieven en onderliggende vraagstukken behoeven afstemming. Dat kun je echter niet overlaten aan een toezichthouder maar vergt politieke stuurmanskunst. Balkenende, Cohen en Rutte moeten daarom hun visie op Nederland in Europa bekend maken. Wie voor een duurzame euro is moet ook zelf scherpe economische en bestuurlijke keuzen maken. Ze hebben tot 9 juni de tijd om kleur bekennen.
Politici die elkaar moeten afrekenen, gaan veel te zacht met elkaar om’, vindt minister van Financiën De Jager. Hij verwijst naar de traagheid waarmee Europa Griekenland heeft gecorrigeerd. Gezocht wordt naar nieuwe instituties, zoals een onafhankelijke Europese toezichthouder, met verstrekkender bevoegdheden, om ontsporende landen in het gareel te krijgen. Commissievoorzitter Barroso kwam direct met ideeën. Bijvoorbeeld Europese beoordeling van nationale begrotingen, voordat deze naar het nationale parlement gaan.
Wat zich nu eigenlijk openbaart, is een aantal tekortkomingen uit de tijd van de invoering van de euro. Deze hoeven Europa en de euro niet fataal te worden, maar vergen wel resolute actie. Wat was er mis?
Ten eerste lijken de destijds gebruikte toetredingscriteria vooral gemaakt met de blik in de achteruitkijkspiegel, in plaats van toekomstgericht. Het criterium EMU-saldo (dat onder de drie procent moest liggen) is bijvoorbeeld een manipuleerbare momentopname . Tal van landen hebben eenmalige trucs benut , zoals de verkoop van staatsbezittingen, met een geflatteerd saldo tot gevolg. De uitgavenomvang en het ontvangstenvolume waren met het oog op de toekomst evenwel structureel uit balans.
Het andere belangrijke criterium, de staatsschuldomvang die 60%van het nationaal inkomen mocht zijn (of hoger maar snel dalend) zegt vooral iets over de in het verleden behaalde resultaten, weinig over de toekomst. Zo zijn landen toegelaten, ook als men kon zien aankomen dat de uitgaven door vergrijzing, pensioen- en zorgkosten enorm zouden gaan stijgen.
Het ontbrak ten tweede aan criteria die iets zeggen over de omvang en structuur van de uitgaven van landen. Landen waar een omvangrijke overheid tot tweederde van het nationaal inkomen opsoupeerden, waren even welkom als landen waar de overheid nog geen derde deel van de economie vormde. Dat scheelt een slok op een borrel bij economische laagconjunctuur.
De weerbaarheid van landen tegen conjuncturele verstoringen en de mate waarin landen gereed waren om toekomstige ontwikkelingen op te vangen, verschilde dus enorm, maar speelde geen rol bij de invoeringscriteria. Belangrijk is nu dat in Europa langs drie wegen wordt geharmoniseerd om een duurzame, sterke eurozone te bewerkstelligen.
De eerste is dat er eisen worden gesteld aan de samenstelling van de nationale begrotingen, met het oog op zeg de komende 20 jaar. Landen die sterk vergrijzen zullen om de toekomstige problemen het hoofd te bieden structureel fors moeten snoeien en bijvoorbeeld pensioenregelingen aanpakken.
Ten tweede zal de overheidssector in omvang beperkt moeten worden, om zo weerbaarder te zijn tegen conjuncturele verstoringen. Er kan een zekere begrotingsreserve worden gecreëerd als ‘rainy day fund’, zonodig te beheren via Brussel.
Ten derde zal inderdaad een strikter toezicht moeten plaatsvinden. Het geopperde idee van jaarlijkse begrotingscontrole is te kortademig, juist de langere termijnperspectieven en onderliggende vraagstukken behoeven afstemming. Dat kun je echter niet overlaten aan een toezichthouder maar vergt politieke stuurmanskunst. Balkenende, Cohen en Rutte moeten daarom hun visie op Nederland in Europa bekend maken. Wie voor een duurzame euro is moet ook zelf scherpe economische en bestuurlijke keuzen maken. Ze hebben tot 9 juni de tijd om kleur bekennen.
dinsdag, mei 04, 2010
Forza Europa
Column Binnenlands Bestuur dd 7 mei 2010
De waarde van Europa wordt in de Griekse crisis goed zichtbaar. Er gaat ruim 100 miljard aan gunstige leningen naar het land, Nederland doet mee voor zo’n 5 miljard. Griekenland is lange tijd bepaald slecht geleid en de reddingsboei die Europa en IMF uitwerpen zal dankbaar aanvaard worden. Goed dat er een Europese Unie en euro s. Zonder EU zou Griekenland snel in een heel negatieve spiraal komen. Toch is de opgave voor de Grieken immens.
Even een vergelijking. Nederland zelf zal ordegrootte 15 miljard moeten bezuinigen om het tekort weer richting de 3% te brengen. Velen noemden dat eerder al behoorlijk veel, het vraagt echte politieke keuzen. Maar als Griekenland zoals nu berekend 11% BBP moet bezuinigen, is dat in Nederlandse omvang bijna 70 miljard. En dat is echt heel erg veel. Zelfs als het Griekse tekort over een jaar of vier binnen de 3% komt, rest een staatsschuld van 150% BBP. Met een bijbehorende rentelast die het land heel lang parten zal spelen. Nogmaals, goed dat er een EU is. Sterker nog, de EU is goed voor Griekenland en de Griekse crisis is om meerdere redenen goed voor de EU.
Door de strengere bejegening vanuit Europa zal Griekenland de komende jaren stevig moeten herstructureren. Dat zal pijn doen maar brengt het land uiteindelijk weer op koers. Oude verworvenheden zullen verdwijnen, een nieuw toekomstvaster stelsel verrijzen. Deze crisis is kortom een keerpunt voor de Griekse staat en samenleving. Veel te kiezen heeft men niet. Er is geen andere instantie om zich nog heen te wenden. Deze regering zal gegeven de te nemen pijnlijke maatregelen komende jaren ongetwijfeld wankelen of vallen, maar ook toekomstige zullen de nieuwe realiteit moeten erkennen: wie mee wil doen met het nieuwe Europa moet financieel solide zijn. Natuurlijk zullen er stemmen in Griekenland opgaan om dan de EU maar te verlaten, maar de prijs daarvan is onnoemlijk veel hoger. Stel je voor, een EU zonder Griekenland maar straks mogelijk met Turkije. Ondenkbaar.
De casus Griekenland is ook goed voor de EU. Ten eerste voor andere landen in een broze budgettaire situatie. De boodschap van deze crisis luidt: pak budgettaire problemen snel aan ,voordat financiële markten het vertrouwen verliezen, de rente oploopt en uiteindelijk IMF en EU komen vertellen welke budgettaire keuzen er gemaakt moeten worden. Lissabon, Madrid en Dublin zijn gewaarschuwd. Ten tweede dwingt Griekenland de ministers van Financiën en regeringsleiders nog steviger afspraken te maken hoe samen te werken en hoe te handelen in noodsituaties. Denkbaar had de bijstand aan Griekenland sneller en meer trefzeker gekund wanneer er al eerder in scenario’s was gedacht en de afgelopen maanden voortvarender gehandeld. Ten derde zal de Griekse situatie ook in de binnenlandse verkiezingsstrijd worden gebruikt in achtereenvolgens het Verenigd Koninkrijk, Nederland en België. Partijen zullen de kiezer nog eens inpeperen dat er flink bezuinigd moet worden om ‘Griekse toestanden’ te voorkomen.
Zo zien we de EU en allerlei vormen van Europese samenwerking steeds meer in belang groeien, ook in noodsituaties. Europa? Best belangrijk.
De waarde van Europa wordt in de Griekse crisis goed zichtbaar. Er gaat ruim 100 miljard aan gunstige leningen naar het land, Nederland doet mee voor zo’n 5 miljard. Griekenland is lange tijd bepaald slecht geleid en de reddingsboei die Europa en IMF uitwerpen zal dankbaar aanvaard worden. Goed dat er een Europese Unie en euro s. Zonder EU zou Griekenland snel in een heel negatieve spiraal komen. Toch is de opgave voor de Grieken immens.
Even een vergelijking. Nederland zelf zal ordegrootte 15 miljard moeten bezuinigen om het tekort weer richting de 3% te brengen. Velen noemden dat eerder al behoorlijk veel, het vraagt echte politieke keuzen. Maar als Griekenland zoals nu berekend 11% BBP moet bezuinigen, is dat in Nederlandse omvang bijna 70 miljard. En dat is echt heel erg veel. Zelfs als het Griekse tekort over een jaar of vier binnen de 3% komt, rest een staatsschuld van 150% BBP. Met een bijbehorende rentelast die het land heel lang parten zal spelen. Nogmaals, goed dat er een EU is. Sterker nog, de EU is goed voor Griekenland en de Griekse crisis is om meerdere redenen goed voor de EU.
Door de strengere bejegening vanuit Europa zal Griekenland de komende jaren stevig moeten herstructureren. Dat zal pijn doen maar brengt het land uiteindelijk weer op koers. Oude verworvenheden zullen verdwijnen, een nieuw toekomstvaster stelsel verrijzen. Deze crisis is kortom een keerpunt voor de Griekse staat en samenleving. Veel te kiezen heeft men niet. Er is geen andere instantie om zich nog heen te wenden. Deze regering zal gegeven de te nemen pijnlijke maatregelen komende jaren ongetwijfeld wankelen of vallen, maar ook toekomstige zullen de nieuwe realiteit moeten erkennen: wie mee wil doen met het nieuwe Europa moet financieel solide zijn. Natuurlijk zullen er stemmen in Griekenland opgaan om dan de EU maar te verlaten, maar de prijs daarvan is onnoemlijk veel hoger. Stel je voor, een EU zonder Griekenland maar straks mogelijk met Turkije. Ondenkbaar.
De casus Griekenland is ook goed voor de EU. Ten eerste voor andere landen in een broze budgettaire situatie. De boodschap van deze crisis luidt: pak budgettaire problemen snel aan ,voordat financiële markten het vertrouwen verliezen, de rente oploopt en uiteindelijk IMF en EU komen vertellen welke budgettaire keuzen er gemaakt moeten worden. Lissabon, Madrid en Dublin zijn gewaarschuwd. Ten tweede dwingt Griekenland de ministers van Financiën en regeringsleiders nog steviger afspraken te maken hoe samen te werken en hoe te handelen in noodsituaties. Denkbaar had de bijstand aan Griekenland sneller en meer trefzeker gekund wanneer er al eerder in scenario’s was gedacht en de afgelopen maanden voortvarender gehandeld. Ten derde zal de Griekse situatie ook in de binnenlandse verkiezingsstrijd worden gebruikt in achtereenvolgens het Verenigd Koninkrijk, Nederland en België. Partijen zullen de kiezer nog eens inpeperen dat er flink bezuinigd moet worden om ‘Griekse toestanden’ te voorkomen.
Zo zien we de EU en allerlei vormen van Europese samenwerking steeds meer in belang groeien, ook in noodsituaties. Europa? Best belangrijk.
Homo submersus
Recensie Binnenberijk, mei 2010
De naam Jacques Presser zal niet bij iedereen een belletje doen rinkelen. Misschien heeft een enkeling ooit de korte roman ‘De nacht der Girondijnen’ op zijn eindlijst gezet. Anderen hebben ooit gehoord over of gelezen in de in twee banden vervatte studie ‘Ondergang, de geschiedenis van de Nederlandse joden tijdens WO II’. Presser (1899-1970) is auteur van beide. Zeer onlangs verscheen van hem een onbekende roman in dagboekvorm, ‘Homo submersus’. Een boek over moed, overmoed en onmacht.
Het boek, dat in de hoop op betere tijden is voltooid in 1944, speelt zich de oorlogsmaanden van de zomer van 1943. Presser schreef het toen hij was ondergedoken op de Veluwe. Eerder dat jaar was zijn jongere vrouw Dé, aan wie het boek is opgedragen, opgepakt en naar Westerbork gestuurd. Dé, 12 jaar jonger dan Presser, was ooit eerder zijn leerling op het Vossiusgymnasium in Amsterdam. Het lot van de gedeporteerde Dé was Presser onbekend, misschien tegen beter weten in. In het boek echter houdt hij de hoop levend dat ze na de oorlog herenigd worden. Aan het einde van Homo submersus belooft de hoofdpersoon het jongere meisje Dé -aan wie hij op zijn onderduikadres bijles geeft- dat hij na de oorlog met haar zal trouwen. Het boek eindigt met : ‘VOOR MIJN LIEVE DÉ.’ Helaas bleek Dé direct na haar deportatie in 1943 te zijn vergast in Sobibor.
Het verder gedeeltelijk autobiografische boek gaat over de problematische lotgevallen van ‘de onderduikende mens’, de ‘Homo submersus’. Hoofdpersoon Kobus verblijft in het boek – net als presser zelf- bij een goedwillende maar naïeve verzetsman, die via zijn netwerk joodse vluchtelingen onder dak brengt en zorgt voor valse persoonsbewijzen en voedselbonnen. Kleine details in het boek worden dan veelzeggend. Dat hij bijvoorbeeld zelfs de sinaasappels die bestemd zijn voor de school onder de ‘gasten’ uitdeelt. Maar kwalijker is zijn roekeloosheid, zijn moeite om geheimen bewaren, gepoch met verzetsdaden, mede om indruk te maken op vrouwen.
In algemene zin worden boeren bij wie joden worden ondergebracht gekwalificeerd als geldschrapers, zwarthandelaren en antisemieten. Onderduikers moeten veel ‘pensiongeld’ betalen, lijden desondanks honger en kou, met zelfmoorden en fatale ontsnappingspogingen tot gevolg. Het plaats grote kanttekeningen bij de ‘moed’ van de (een deel van de ) gezinnen die onderduikers opvangen. Een vriendin schrijft dat ze zich bij een doktersgezin in Friesland laat afbeulen in het huishouden. ‘Ik ben gewoon een slavin’, schrijft ze. ‘Een dienstbode in mijn positie was allang weggelopen. [...] Ik kan nergens heen, en ze weten het.’
Moed en overmoed, goed en kwaad, macht en onmacht, het boek is een verwarrende cocktail van gebeurtenissen en lotgevallen. In Presser/Kobus woorden: ‘Er gebeuren allemaal doodgewone, oerkomische en verschrikkelijke dingen.’
Uiteindelijk laat het boek de lezer achter met veel vragen. Was onderduiken een teken van gebrek aan moed? Waren boeren die onderduikers herbergden moedig of toch vooral uit op eigen gewin? Soms is de geschiedenis onze leermeester, andere keren roept ze alleen maar meer vragen op.
De naam Jacques Presser zal niet bij iedereen een belletje doen rinkelen. Misschien heeft een enkeling ooit de korte roman ‘De nacht der Girondijnen’ op zijn eindlijst gezet. Anderen hebben ooit gehoord over of gelezen in de in twee banden vervatte studie ‘Ondergang, de geschiedenis van de Nederlandse joden tijdens WO II’. Presser (1899-1970) is auteur van beide. Zeer onlangs verscheen van hem een onbekende roman in dagboekvorm, ‘Homo submersus’. Een boek over moed, overmoed en onmacht.
Het boek, dat in de hoop op betere tijden is voltooid in 1944, speelt zich de oorlogsmaanden van de zomer van 1943. Presser schreef het toen hij was ondergedoken op de Veluwe. Eerder dat jaar was zijn jongere vrouw Dé, aan wie het boek is opgedragen, opgepakt en naar Westerbork gestuurd. Dé, 12 jaar jonger dan Presser, was ooit eerder zijn leerling op het Vossiusgymnasium in Amsterdam. Het lot van de gedeporteerde Dé was Presser onbekend, misschien tegen beter weten in. In het boek echter houdt hij de hoop levend dat ze na de oorlog herenigd worden. Aan het einde van Homo submersus belooft de hoofdpersoon het jongere meisje Dé -aan wie hij op zijn onderduikadres bijles geeft- dat hij na de oorlog met haar zal trouwen. Het boek eindigt met : ‘VOOR MIJN LIEVE DÉ.’ Helaas bleek Dé direct na haar deportatie in 1943 te zijn vergast in Sobibor.
Het verder gedeeltelijk autobiografische boek gaat over de problematische lotgevallen van ‘de onderduikende mens’, de ‘Homo submersus’. Hoofdpersoon Kobus verblijft in het boek – net als presser zelf- bij een goedwillende maar naïeve verzetsman, die via zijn netwerk joodse vluchtelingen onder dak brengt en zorgt voor valse persoonsbewijzen en voedselbonnen. Kleine details in het boek worden dan veelzeggend. Dat hij bijvoorbeeld zelfs de sinaasappels die bestemd zijn voor de school onder de ‘gasten’ uitdeelt. Maar kwalijker is zijn roekeloosheid, zijn moeite om geheimen bewaren, gepoch met verzetsdaden, mede om indruk te maken op vrouwen.
In algemene zin worden boeren bij wie joden worden ondergebracht gekwalificeerd als geldschrapers, zwarthandelaren en antisemieten. Onderduikers moeten veel ‘pensiongeld’ betalen, lijden desondanks honger en kou, met zelfmoorden en fatale ontsnappingspogingen tot gevolg. Het plaats grote kanttekeningen bij de ‘moed’ van de (een deel van de ) gezinnen die onderduikers opvangen. Een vriendin schrijft dat ze zich bij een doktersgezin in Friesland laat afbeulen in het huishouden. ‘Ik ben gewoon een slavin’, schrijft ze. ‘Een dienstbode in mijn positie was allang weggelopen. [...] Ik kan nergens heen, en ze weten het.’
Moed en overmoed, goed en kwaad, macht en onmacht, het boek is een verwarrende cocktail van gebeurtenissen en lotgevallen. In Presser/Kobus woorden: ‘Er gebeuren allemaal doodgewone, oerkomische en verschrikkelijke dingen.’
Uiteindelijk laat het boek de lezer achter met veel vragen. Was onderduiken een teken van gebrek aan moed? Waren boeren die onderduikers herbergden moedig of toch vooral uit op eigen gewin? Soms is de geschiedenis onze leermeester, andere keren roept ze alleen maar meer vragen op.
Abonneren op:
Posts (Atom)