Column Binnenlands Bestuur dd 28 mei 2010
Politici die elkaar moeten afrekenen, gaan veel te zacht met elkaar om’, vindt minister van Financiën De Jager. Hij verwijst naar de traagheid waarmee Europa Griekenland heeft gecorrigeerd. Gezocht wordt naar nieuwe instituties, zoals een onafhankelijke Europese toezichthouder, met verstrekkender bevoegdheden, om ontsporende landen in het gareel te krijgen. Commissievoorzitter Barroso kwam direct met ideeën. Bijvoorbeeld Europese beoordeling van nationale begrotingen, voordat deze naar het nationale parlement gaan.
Wat zich nu eigenlijk openbaart, is een aantal tekortkomingen uit de tijd van de invoering van de euro. Deze hoeven Europa en de euro niet fataal te worden, maar vergen wel resolute actie. Wat was er mis?
Ten eerste lijken de destijds gebruikte toetredingscriteria vooral gemaakt met de blik in de achteruitkijkspiegel, in plaats van toekomstgericht. Het criterium EMU-saldo (dat onder de drie procent moest liggen) is bijvoorbeeld een manipuleerbare momentopname . Tal van landen hebben eenmalige trucs benut , zoals de verkoop van staatsbezittingen, met een geflatteerd saldo tot gevolg. De uitgavenomvang en het ontvangstenvolume waren met het oog op de toekomst evenwel structureel uit balans.
Het andere belangrijke criterium, de staatsschuldomvang die 60%van het nationaal inkomen mocht zijn (of hoger maar snel dalend) zegt vooral iets over de in het verleden behaalde resultaten, weinig over de toekomst. Zo zijn landen toegelaten, ook als men kon zien aankomen dat de uitgaven door vergrijzing, pensioen- en zorgkosten enorm zouden gaan stijgen.
Het ontbrak ten tweede aan criteria die iets zeggen over de omvang en structuur van de uitgaven van landen. Landen waar een omvangrijke overheid tot tweederde van het nationaal inkomen opsoupeerden, waren even welkom als landen waar de overheid nog geen derde deel van de economie vormde. Dat scheelt een slok op een borrel bij economische laagconjunctuur.
De weerbaarheid van landen tegen conjuncturele verstoringen en de mate waarin landen gereed waren om toekomstige ontwikkelingen op te vangen, verschilde dus enorm, maar speelde geen rol bij de invoeringscriteria. Belangrijk is nu dat in Europa langs drie wegen wordt geharmoniseerd om een duurzame, sterke eurozone te bewerkstelligen.
De eerste is dat er eisen worden gesteld aan de samenstelling van de nationale begrotingen, met het oog op zeg de komende 20 jaar. Landen die sterk vergrijzen zullen om de toekomstige problemen het hoofd te bieden structureel fors moeten snoeien en bijvoorbeeld pensioenregelingen aanpakken.
Ten tweede zal de overheidssector in omvang beperkt moeten worden, om zo weerbaarder te zijn tegen conjuncturele verstoringen. Er kan een zekere begrotingsreserve worden gecreëerd als ‘rainy day fund’, zonodig te beheren via Brussel.
Ten derde zal inderdaad een strikter toezicht moeten plaatsvinden. Het geopperde idee van jaarlijkse begrotingscontrole is te kortademig, juist de langere termijnperspectieven en onderliggende vraagstukken behoeven afstemming. Dat kun je echter niet overlaten aan een toezichthouder maar vergt politieke stuurmanskunst. Balkenende, Cohen en Rutte moeten daarom hun visie op Nederland in Europa bekend maken. Wie voor een duurzame euro is moet ook zelf scherpe economische en bestuurlijke keuzen maken. Ze hebben tot 9 juni de tijd om kleur bekennen.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten