dinsdag, mei 04, 2010

Homo submersus

Recensie Binnenberijk, mei 2010
De naam Jacques Presser zal niet bij iedereen een belletje doen rinkelen. Misschien heeft een enkeling ooit de korte roman ‘De nacht der Girondijnen’ op zijn eindlijst gezet. Anderen hebben ooit gehoord over of gelezen in de in twee banden vervatte studie ‘Ondergang, de geschiedenis van de Nederlandse joden tijdens WO II’. Presser (1899-1970) is auteur van beide. Zeer onlangs verscheen van hem een onbekende roman in dagboekvorm, ‘Homo submersus’. Een boek over moed, overmoed en onmacht.
Het boek, dat in de hoop op betere tijden is voltooid in 1944, speelt zich de oorlogsmaanden van de zomer van 1943. Presser schreef het toen hij was ondergedoken op de Veluwe. Eerder dat jaar was zijn jongere vrouw Dé, aan wie het boek is opgedragen, opgepakt en naar Westerbork gestuurd. Dé, 12 jaar jonger dan Presser, was ooit eerder zijn leerling op het Vossiusgymnasium in Amsterdam. Het lot van de gedeporteerde Dé was Presser onbekend, misschien tegen beter weten in. In het boek echter houdt hij de hoop levend dat ze na de oorlog herenigd worden. Aan het einde van Homo submersus belooft de hoofdpersoon het jongere meisje Dé -aan wie hij op zijn onderduikadres bijles geeft- dat hij na de oorlog met haar zal trouwen. Het boek eindigt met : ‘VOOR MIJN LIEVE DÉ.’ Helaas bleek Dé direct na haar deportatie in 1943 te zijn vergast in Sobibor.
Het verder gedeeltelijk autobiografische boek gaat over de problematische lotgevallen van ‘de onderduikende mens’, de ‘Homo submersus’. Hoofdpersoon Kobus verblijft in het boek – net als presser zelf- bij een goedwillende maar naïeve verzetsman, die via zijn netwerk joodse vluchtelingen onder dak brengt en zorgt voor valse persoonsbewijzen en voedselbonnen. Kleine details in het boek worden dan veelzeggend. Dat hij bijvoorbeeld zelfs de sinaasappels die bestemd zijn voor de school onder de ‘gasten’ uitdeelt. Maar kwalijker is zijn roekeloosheid, zijn moeite om geheimen bewaren, gepoch met verzetsdaden, mede om indruk te maken op vrouwen.
In algemene zin worden boeren bij wie joden worden ondergebracht gekwalificeerd als geldschrapers, zwarthandelaren en antisemieten. Onderduikers moeten veel ‘pensiongeld’ betalen, lijden desondanks honger en kou, met zelfmoorden en fatale ontsnappingspogingen tot gevolg. Het plaats grote kanttekeningen bij de ‘moed’ van de (een deel van de ) gezinnen die onderduikers opvangen. Een vriendin schrijft dat ze zich bij een doktersgezin in Friesland laat afbeulen in het huishouden. ‘Ik ben gewoon een slavin’, schrijft ze. ‘Een dienstbode in mijn positie was allang weggelopen. [...] Ik kan nergens heen, en ze weten het.’
Moed en overmoed, goed en kwaad, macht en onmacht, het boek is een verwarrende cocktail van gebeurtenissen en lotgevallen. In Presser/Kobus woorden: ‘Er gebeuren allemaal doodgewone, oerkomische en verschrikkelijke dingen.’
Uiteindelijk laat het boek de lezer achter met veel vragen. Was onderduiken een teken van gebrek aan moed? Waren boeren die onderduikers herbergden moedig of toch vooral uit op eigen gewin? Soms is de geschiedenis onze leermeester, andere keren roept ze alleen maar meer vragen op.

Geen opmerkingen: