Column Binnenlands Bestuur dd 7 mei 2010
De waarde van Europa wordt in de Griekse crisis goed zichtbaar. Er gaat ruim 100 miljard aan gunstige leningen naar het land, Nederland doet mee voor zo’n 5 miljard. Griekenland is lange tijd bepaald slecht geleid en de reddingsboei die Europa en IMF uitwerpen zal dankbaar aanvaard worden. Goed dat er een Europese Unie en euro s. Zonder EU zou Griekenland snel in een heel negatieve spiraal komen. Toch is de opgave voor de Grieken immens.
Even een vergelijking. Nederland zelf zal ordegrootte 15 miljard moeten bezuinigen om het tekort weer richting de 3% te brengen. Velen noemden dat eerder al behoorlijk veel, het vraagt echte politieke keuzen. Maar als Griekenland zoals nu berekend 11% BBP moet bezuinigen, is dat in Nederlandse omvang bijna 70 miljard. En dat is echt heel erg veel. Zelfs als het Griekse tekort over een jaar of vier binnen de 3% komt, rest een staatsschuld van 150% BBP. Met een bijbehorende rentelast die het land heel lang parten zal spelen. Nogmaals, goed dat er een EU is. Sterker nog, de EU is goed voor Griekenland en de Griekse crisis is om meerdere redenen goed voor de EU.
Door de strengere bejegening vanuit Europa zal Griekenland de komende jaren stevig moeten herstructureren. Dat zal pijn doen maar brengt het land uiteindelijk weer op koers. Oude verworvenheden zullen verdwijnen, een nieuw toekomstvaster stelsel verrijzen. Deze crisis is kortom een keerpunt voor de Griekse staat en samenleving. Veel te kiezen heeft men niet. Er is geen andere instantie om zich nog heen te wenden. Deze regering zal gegeven de te nemen pijnlijke maatregelen komende jaren ongetwijfeld wankelen of vallen, maar ook toekomstige zullen de nieuwe realiteit moeten erkennen: wie mee wil doen met het nieuwe Europa moet financieel solide zijn. Natuurlijk zullen er stemmen in Griekenland opgaan om dan de EU maar te verlaten, maar de prijs daarvan is onnoemlijk veel hoger. Stel je voor, een EU zonder Griekenland maar straks mogelijk met Turkije. Ondenkbaar.
De casus Griekenland is ook goed voor de EU. Ten eerste voor andere landen in een broze budgettaire situatie. De boodschap van deze crisis luidt: pak budgettaire problemen snel aan ,voordat financiële markten het vertrouwen verliezen, de rente oploopt en uiteindelijk IMF en EU komen vertellen welke budgettaire keuzen er gemaakt moeten worden. Lissabon, Madrid en Dublin zijn gewaarschuwd. Ten tweede dwingt Griekenland de ministers van Financiën en regeringsleiders nog steviger afspraken te maken hoe samen te werken en hoe te handelen in noodsituaties. Denkbaar had de bijstand aan Griekenland sneller en meer trefzeker gekund wanneer er al eerder in scenario’s was gedacht en de afgelopen maanden voortvarender gehandeld. Ten derde zal de Griekse situatie ook in de binnenlandse verkiezingsstrijd worden gebruikt in achtereenvolgens het Verenigd Koninkrijk, Nederland en België. Partijen zullen de kiezer nog eens inpeperen dat er flink bezuinigd moet worden om ‘Griekse toestanden’ te voorkomen.
Zo zien we de EU en allerlei vormen van Europese samenwerking steeds meer in belang groeien, ook in noodsituaties. Europa? Best belangrijk.
Een overzicht van publicaties als onderzoeker aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Wil je reageren ? bestebreur@fsw.eur.nl of #bestebreur op Twitter
dinsdag, mei 04, 2010
Homo submersus
Recensie Binnenberijk, mei 2010
De naam Jacques Presser zal niet bij iedereen een belletje doen rinkelen. Misschien heeft een enkeling ooit de korte roman ‘De nacht der Girondijnen’ op zijn eindlijst gezet. Anderen hebben ooit gehoord over of gelezen in de in twee banden vervatte studie ‘Ondergang, de geschiedenis van de Nederlandse joden tijdens WO II’. Presser (1899-1970) is auteur van beide. Zeer onlangs verscheen van hem een onbekende roman in dagboekvorm, ‘Homo submersus’. Een boek over moed, overmoed en onmacht.
Het boek, dat in de hoop op betere tijden is voltooid in 1944, speelt zich de oorlogsmaanden van de zomer van 1943. Presser schreef het toen hij was ondergedoken op de Veluwe. Eerder dat jaar was zijn jongere vrouw Dé, aan wie het boek is opgedragen, opgepakt en naar Westerbork gestuurd. Dé, 12 jaar jonger dan Presser, was ooit eerder zijn leerling op het Vossiusgymnasium in Amsterdam. Het lot van de gedeporteerde Dé was Presser onbekend, misschien tegen beter weten in. In het boek echter houdt hij de hoop levend dat ze na de oorlog herenigd worden. Aan het einde van Homo submersus belooft de hoofdpersoon het jongere meisje Dé -aan wie hij op zijn onderduikadres bijles geeft- dat hij na de oorlog met haar zal trouwen. Het boek eindigt met : ‘VOOR MIJN LIEVE DÉ.’ Helaas bleek Dé direct na haar deportatie in 1943 te zijn vergast in Sobibor.
Het verder gedeeltelijk autobiografische boek gaat over de problematische lotgevallen van ‘de onderduikende mens’, de ‘Homo submersus’. Hoofdpersoon Kobus verblijft in het boek – net als presser zelf- bij een goedwillende maar naïeve verzetsman, die via zijn netwerk joodse vluchtelingen onder dak brengt en zorgt voor valse persoonsbewijzen en voedselbonnen. Kleine details in het boek worden dan veelzeggend. Dat hij bijvoorbeeld zelfs de sinaasappels die bestemd zijn voor de school onder de ‘gasten’ uitdeelt. Maar kwalijker is zijn roekeloosheid, zijn moeite om geheimen bewaren, gepoch met verzetsdaden, mede om indruk te maken op vrouwen.
In algemene zin worden boeren bij wie joden worden ondergebracht gekwalificeerd als geldschrapers, zwarthandelaren en antisemieten. Onderduikers moeten veel ‘pensiongeld’ betalen, lijden desondanks honger en kou, met zelfmoorden en fatale ontsnappingspogingen tot gevolg. Het plaats grote kanttekeningen bij de ‘moed’ van de (een deel van de ) gezinnen die onderduikers opvangen. Een vriendin schrijft dat ze zich bij een doktersgezin in Friesland laat afbeulen in het huishouden. ‘Ik ben gewoon een slavin’, schrijft ze. ‘Een dienstbode in mijn positie was allang weggelopen. [...] Ik kan nergens heen, en ze weten het.’
Moed en overmoed, goed en kwaad, macht en onmacht, het boek is een verwarrende cocktail van gebeurtenissen en lotgevallen. In Presser/Kobus woorden: ‘Er gebeuren allemaal doodgewone, oerkomische en verschrikkelijke dingen.’
Uiteindelijk laat het boek de lezer achter met veel vragen. Was onderduiken een teken van gebrek aan moed? Waren boeren die onderduikers herbergden moedig of toch vooral uit op eigen gewin? Soms is de geschiedenis onze leermeester, andere keren roept ze alleen maar meer vragen op.
De naam Jacques Presser zal niet bij iedereen een belletje doen rinkelen. Misschien heeft een enkeling ooit de korte roman ‘De nacht der Girondijnen’ op zijn eindlijst gezet. Anderen hebben ooit gehoord over of gelezen in de in twee banden vervatte studie ‘Ondergang, de geschiedenis van de Nederlandse joden tijdens WO II’. Presser (1899-1970) is auteur van beide. Zeer onlangs verscheen van hem een onbekende roman in dagboekvorm, ‘Homo submersus’. Een boek over moed, overmoed en onmacht.
Het boek, dat in de hoop op betere tijden is voltooid in 1944, speelt zich de oorlogsmaanden van de zomer van 1943. Presser schreef het toen hij was ondergedoken op de Veluwe. Eerder dat jaar was zijn jongere vrouw Dé, aan wie het boek is opgedragen, opgepakt en naar Westerbork gestuurd. Dé, 12 jaar jonger dan Presser, was ooit eerder zijn leerling op het Vossiusgymnasium in Amsterdam. Het lot van de gedeporteerde Dé was Presser onbekend, misschien tegen beter weten in. In het boek echter houdt hij de hoop levend dat ze na de oorlog herenigd worden. Aan het einde van Homo submersus belooft de hoofdpersoon het jongere meisje Dé -aan wie hij op zijn onderduikadres bijles geeft- dat hij na de oorlog met haar zal trouwen. Het boek eindigt met : ‘VOOR MIJN LIEVE DÉ.’ Helaas bleek Dé direct na haar deportatie in 1943 te zijn vergast in Sobibor.
Het verder gedeeltelijk autobiografische boek gaat over de problematische lotgevallen van ‘de onderduikende mens’, de ‘Homo submersus’. Hoofdpersoon Kobus verblijft in het boek – net als presser zelf- bij een goedwillende maar naïeve verzetsman, die via zijn netwerk joodse vluchtelingen onder dak brengt en zorgt voor valse persoonsbewijzen en voedselbonnen. Kleine details in het boek worden dan veelzeggend. Dat hij bijvoorbeeld zelfs de sinaasappels die bestemd zijn voor de school onder de ‘gasten’ uitdeelt. Maar kwalijker is zijn roekeloosheid, zijn moeite om geheimen bewaren, gepoch met verzetsdaden, mede om indruk te maken op vrouwen.
In algemene zin worden boeren bij wie joden worden ondergebracht gekwalificeerd als geldschrapers, zwarthandelaren en antisemieten. Onderduikers moeten veel ‘pensiongeld’ betalen, lijden desondanks honger en kou, met zelfmoorden en fatale ontsnappingspogingen tot gevolg. Het plaats grote kanttekeningen bij de ‘moed’ van de (een deel van de ) gezinnen die onderduikers opvangen. Een vriendin schrijft dat ze zich bij een doktersgezin in Friesland laat afbeulen in het huishouden. ‘Ik ben gewoon een slavin’, schrijft ze. ‘Een dienstbode in mijn positie was allang weggelopen. [...] Ik kan nergens heen, en ze weten het.’
Moed en overmoed, goed en kwaad, macht en onmacht, het boek is een verwarrende cocktail van gebeurtenissen en lotgevallen. In Presser/Kobus woorden: ‘Er gebeuren allemaal doodgewone, oerkomische en verschrikkelijke dingen.’
Uiteindelijk laat het boek de lezer achter met veel vragen. Was onderduiken een teken van gebrek aan moed? Waren boeren die onderduikers herbergden moedig of toch vooral uit op eigen gewin? Soms is de geschiedenis onze leermeester, andere keren roept ze alleen maar meer vragen op.
Abonneren op:
Posts (Atom)