Column Binnenlands Bestuur dd 4 november 2011
Dankzij RTL weten we nu dat de verantwoording over dienstreizen van bestuursorganen en overhedisdiensten weinig gestalte krijgt. Vertegenwoordigers van tal van organisaties blijken peperduur te vliegen, luxe te slapen en gekke declaraties op te voeren, zoals whisky en sigaretten, pensionkosten voor de hond of gewoon de reiskosten van partners. Helpt deze openbaarheid over de besteding van middelen?
Recent onderzocht de Rekenkamer dat het droevig gesteld was met het onderzoek naar nut en noodzaak van programmasubsidies. Ondanks gebrek aan onderbouwing, wordt regelmatig besloten tot voortzetting van geldverslindende subsidies. Laten we geen illusie hebben, de besteding van de eigen uitgaven van overheidsorganisaties beter zou worden onderzocht.
Uitgaven aan salaris, huisvesting, ICT, kantoorartikelen, reis- en verblijfkosten zijn doorgaans sterk gereglementeerd. Dit om ervoor te zorgen dat er geen problemen ontstaan over de rechtmatigheid. Het heeft tot gevolg dan duizenden ambtenaren hun maandelijkse bonnetjes sparen, optellen, inkloppen en indienen. Waarna hun baas de declaratie parafeert, de interne controleafdeling de bonnetjes natelt en de accountant af en toe een steekproefje uitvoert. Dankzij de ondoorgrondelijkheid van regels of onkunde of slecht gedrag halen alle controleurs er nog het nodige uit ook. Maar de doelmatigheid van deze uitgaven is doorgaans ongrijpbaar.
Moest de Haagse afdeling echt deelnemen aan de vergadering in de regio? Iedere maand? Met een of twee man? Moet de reis naar Brussel met of zonder overnachting? Kan een verloren zonnebril worden gedeclareerd? Moet de hele afdeling een Blackberry En moet iedereen een eigen PC? En die dure licentie voor software, is en blijft die nodig? Voor iedereen? En is een laptop nodig als men ook een Blackberry heeft? Zijn Ipads nuttig, nodig, handig of gewoon een aangename luxe?
Deze en duizend-en-een andere vragen zijn ook te stellen voor opleidingen. Of voor reiskosten. Of voor de inhuur van externen. Of personeelsregelingen. En ze mogen ook worden gesteld. Maar nu, na de zoveelste scoop van RTL moeten we ook een paar lessen trekken over de eigen uitgaven van de overheid.
Ten eerste, de rechtmatigheid van deze uitgaven is de grootste zorg niet, die is redelijk afgevangen, de doelmatigheid is de achilleshiel. Ten tweede, de eigen uitgaven van de overheid zijn laag ten opzichte van de programma-uitgaven waardoor ze minder interne aandacht krijgen, wat bedrijfseconomisch gezien te begrijpen is. Ten derde, deze uitgaven zijn echter eenvoudig doelwit van media-onderzoek en mede daarom is een hele secure behandeling noodzakelijk, ieders reputatie en aanzien is ook kostbaar. Ten vierde, de gebruikelijke reflex van verdere reglementering na iedere ‘onthulling’ jaagt wel de kosten op maar niet noodzakelijkerwijs de doelmatigheid. Ten vijfde, beter dan welke regel dan ook is een hoge integriteit in de publieke sector van de politiek en ambtelijke top, voorbeeldgedrag. Het is daarom gewenst dat politieke partijen openheid geven over de besteding van fractiesubsidies en bestedingen van fractieleden. Het is tot slot gewenst om standaard alle declaraties van de departementale top openbaar te maken. Waarom niet?
Een overzicht van publicaties als onderzoeker aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Wil je reageren ? bestebreur@fsw.eur.nl of #bestebreur op Twitter
maandag, oktober 31, 2011
dinsdag, oktober 25, 2011
Aan de andere kant
Bijdrage aan PM Den Haag, november 2011
Je zou het iedereen in Den Haag toewensen, de gevolgen van je eigen beleid een tijdje ondergaan. Een soort 'terug naar de werkvloer', waarbij een manager van het hoofdkantoor meeloopt met zijn uitvoerend personeel. Of waarbij een jurist zelf de formulieren moet invullen die hij als regelgever bedacht heeft. Een kamerlid zelf de bezuinigen laten uitleggen aan een ondernemingsraad die door Den Haag op titel van efficiencykorting aan een sector zijn opgelegd. Of beter, de parlementariër lid maken van de ondernemingsraad die wordt geconfronteerd met een snel oplopende korting.Het zou een verrijkende tijd zijn.
Het is een van de redenen dat ik met groot enthousiasme een nieuwe stap heb gezet buiten de rijksoverheid. In mijn Haagse jaren deed ik wat een rijksambtenaar moest doen en switchte regelmatig van beleid naar uitvoering en terug. Bij Financiën werkte ik aan de Miljoenennota en deed onderzoek tot in de haarvaten van de Belastingdienst, zette het fenomeen agentschap op de kaart en begeleide de invoering van het schatkistbankieren Bij Verkeer en Waterstaat en later Rijkswaterstaat werkte ik aan financiële en strategische vragen, hoe houden we Nederland in beweging en hoe moet Rijkswaterstaat zich ontwikkelen om klaar te zijn voor de snel veranderende opgaven. Een van mijn laatste klussen was in opdracht van de SG van het nieuwe ministerie van IenM Siebe Riedstra te bezien hoe de forse kortingtaakstelling van het nieuwe kabinet kon worden geadresseerd. Met grote vreugde stortte ik me met enkele collegadirecteuren op de klus. Er was weinig tijd en ruimte voor nuance, de honderden miljoenen moesten worden gevonden en liefst snel. Maar wanneer wij als directeuren in Den Haag dachten klaar te zijn, begon natuurlijk het echte werk pas, wanneer binnen organisaties moest worden.' doorvertaald' wat door anderen (zoals mij) was verzonnen aan maatregelen.
Nu werk ik als bestuurder van de christelijke hogeschool in Ede die net voor de 8e keer is uitgeroepen tot de beste middelgrote hogeschool van Nederland. Ik heb er plezier van mijn ervaring bij de rijksoverheid en soms last van het beleid. Last in de zin dat het vanuit het rijk niet altijd lukt om recht te doen aan de veelkleurigheid en nuancering van het brede uitvoeringslandschap. Steeds meer worden erg verschillende organisaties die publieke taken uitvoeren op een hoop gegooid, bestuurd via te algemene gesjabloneerde sturingprincipes. Terwijl nu net het karakteristieke van de Nederlandse publieke sector haar variëteit is, worden generieke instrumenten voor de sturing en bekostiging gebruikt. Zo worden agentschappen en zbo's steeds meer identiek bejegend, terwijl ze zo wezenlijk anders zijn. En zo worden hogescholen ook gaandeweg gezien als uitvoeringsorganisaties van het rijk, terwijl ze in een zo wezenlijke andere traditie staan.
Ik juich het toe dat er grenzen worden gesteld aan de beloning van hogeschoolbestuurders, ook de mijne, prima. Of aan de wijze van parkeren van tijdelijk overtollige middelen, voer het schatkistbankieren maar in.
Maar een langstudeerderskorting generiek opleggen aan alle hogescholen,
ongeacht de daadwerkelijke prestaties is weer een veel te generieke maatregel. Dan leiden de goede opleidingen onnodig onder de scholen die niet voldoende onderwijsrendement realiseren. Als sommige hogescholen beter presteren dan anderen, zal en mag dat gevolgen hebben voor de studenteninstroom. Laat dat dan ook gebeuren als beleidsmakers in plaats van te vervallen in een algemene korting.
Het is maar een klein maar symptomatisch voorbeeld. Wanneer we recht weten te doen aan de breedte en variëteit van scholen, instellingen, agentschappen en zbo's houden we ze sterk, innovatief en krachtig. Wanneer we te veel sjabloneren, dreigt grijze eenheidsworst. Dat moeten we maar beter niet willen en doen.
Zo bezien juich ik het zeer toe als meer rijksambtenaren meewerken aan de uitvoering van beleid, waarna ze hun nieuwe verworven inzichten weer gebruiken in Den Haag. Beide kanten zullen daarmee hun voordeel doen.
Je zou het iedereen in Den Haag toewensen, de gevolgen van je eigen beleid een tijdje ondergaan. Een soort 'terug naar de werkvloer', waarbij een manager van het hoofdkantoor meeloopt met zijn uitvoerend personeel. Of waarbij een jurist zelf de formulieren moet invullen die hij als regelgever bedacht heeft. Een kamerlid zelf de bezuinigen laten uitleggen aan een ondernemingsraad die door Den Haag op titel van efficiencykorting aan een sector zijn opgelegd. Of beter, de parlementariër lid maken van de ondernemingsraad die wordt geconfronteerd met een snel oplopende korting.Het zou een verrijkende tijd zijn.
Het is een van de redenen dat ik met groot enthousiasme een nieuwe stap heb gezet buiten de rijksoverheid. In mijn Haagse jaren deed ik wat een rijksambtenaar moest doen en switchte regelmatig van beleid naar uitvoering en terug. Bij Financiën werkte ik aan de Miljoenennota en deed onderzoek tot in de haarvaten van de Belastingdienst, zette het fenomeen agentschap op de kaart en begeleide de invoering van het schatkistbankieren Bij Verkeer en Waterstaat en later Rijkswaterstaat werkte ik aan financiële en strategische vragen, hoe houden we Nederland in beweging en hoe moet Rijkswaterstaat zich ontwikkelen om klaar te zijn voor de snel veranderende opgaven. Een van mijn laatste klussen was in opdracht van de SG van het nieuwe ministerie van IenM Siebe Riedstra te bezien hoe de forse kortingtaakstelling van het nieuwe kabinet kon worden geadresseerd. Met grote vreugde stortte ik me met enkele collegadirecteuren op de klus. Er was weinig tijd en ruimte voor nuance, de honderden miljoenen moesten worden gevonden en liefst snel. Maar wanneer wij als directeuren in Den Haag dachten klaar te zijn, begon natuurlijk het echte werk pas, wanneer binnen organisaties moest worden.' doorvertaald' wat door anderen (zoals mij) was verzonnen aan maatregelen.
Nu werk ik als bestuurder van de christelijke hogeschool in Ede die net voor de 8e keer is uitgeroepen tot de beste middelgrote hogeschool van Nederland. Ik heb er plezier van mijn ervaring bij de rijksoverheid en soms last van het beleid. Last in de zin dat het vanuit het rijk niet altijd lukt om recht te doen aan de veelkleurigheid en nuancering van het brede uitvoeringslandschap. Steeds meer worden erg verschillende organisaties die publieke taken uitvoeren op een hoop gegooid, bestuurd via te algemene gesjabloneerde sturingprincipes. Terwijl nu net het karakteristieke van de Nederlandse publieke sector haar variëteit is, worden generieke instrumenten voor de sturing en bekostiging gebruikt. Zo worden agentschappen en zbo's steeds meer identiek bejegend, terwijl ze zo wezenlijk anders zijn. En zo worden hogescholen ook gaandeweg gezien als uitvoeringsorganisaties van het rijk, terwijl ze in een zo wezenlijke andere traditie staan.
Ik juich het toe dat er grenzen worden gesteld aan de beloning van hogeschoolbestuurders, ook de mijne, prima. Of aan de wijze van parkeren van tijdelijk overtollige middelen, voer het schatkistbankieren maar in.
Maar een langstudeerderskorting generiek opleggen aan alle hogescholen,
ongeacht de daadwerkelijke prestaties is weer een veel te generieke maatregel. Dan leiden de goede opleidingen onnodig onder de scholen die niet voldoende onderwijsrendement realiseren. Als sommige hogescholen beter presteren dan anderen, zal en mag dat gevolgen hebben voor de studenteninstroom. Laat dat dan ook gebeuren als beleidsmakers in plaats van te vervallen in een algemene korting.
Het is maar een klein maar symptomatisch voorbeeld. Wanneer we recht weten te doen aan de breedte en variëteit van scholen, instellingen, agentschappen en zbo's houden we ze sterk, innovatief en krachtig. Wanneer we te veel sjabloneren, dreigt grijze eenheidsworst. Dat moeten we maar beter niet willen en doen.
Zo bezien juich ik het zeer toe als meer rijksambtenaren meewerken aan de uitvoering van beleid, waarna ze hun nieuwe verworven inzichten weer gebruiken in Den Haag. Beide kanten zullen daarmee hun voordeel doen.
woensdag, oktober 19, 2011
Een subsidiabele column
Column Binnenlands Bestuur dd 21 oktober 2011
Bestuurswetenschappers leggen met enige regelmaat bloot dat subsidies niet werken, wanneer je ze aan strikte maatstaven toetst. Misschien moet je dat toetsen dan ook maar niet doen.
Per jaar geeft het rijk ruim € 6 miljard uit aan een veelheid van subsidies aan burgers, instellingen en bedrijven. De hoop en verwachting is dat die derde er mee doet wat is afgesproken en dat de besteding van het geld het beoogde maatschappelijk effect sorteert. Er moet wel periodiek gemeten worden of de subsidie werkt en het parlement moet daarover worden geïnformeerd, zodat besloten kan worden of de subsidie moet worden stopgezet, bijgesteld of voortgezet.
Dat zijn wel heel veel bestuurswetenschappelijke veronderstellingen in twee zinnen. En die gaan niet op, legde recent de Algemene Rekenkamer weer eens bloot.
Ontvangers van subsidies doen niet namelijk lang niet altijd wat is afgesproken. En het met de subsidie beoogde maatschappelijk effect wordt bepaald niet altijd bereikt. Evaluaties vinden niet of gebrekkig plaats. En ons parlement krijgt bij lange na niet de informatie die nodig is om te beslissen.
Om deze uitspraken te kunnen doen levert de Rekenkamer mooie analyses. Van de 633 subsidieregelingen zijn de afgelopen vijf jaar maar 81 subsidies onderworpen aan een evaluatie. En alleen een minderheid betrof de effectiviteit van de subsidie. En als dan op effectiviteit geëvalueerd werd, is dat volgende de Rekenkamer zelden deugdelijk gebeurd.
Ergo, maar 1/8 van de subsidies is feitelijk geëvalueerd, minder dan de helft van de evaluaties betrof de effectiviteit, dus zeg 1/16. En dan deugde het onderzoek ook niet eens. Dus ruim minder dan 5% van alle subsidies is deugdelijk geëvalueerd op effectiviteit. En dan kwam het voor dat ministers bij wel geëvalueerde subsidies de positieve resultaten rapporteerden, maar kritische niet. Gekleurde informatie noemt de Rekenkamer het, een enorm understatement. Bijvoorbeeld over de subsidie aan de Atlantische Commissie heeft de minister alleen positieve hoofdbevindingen weergegeven, bevindingen die minder positief zijn niet. Maar hoewel ons parlement geen goed beeld kreeg van de van de effectiviteit van subsidies, is toch steeds bij wet of begroting besloten te subsidies voort te zetten.
So far so good. Stoppen ermee, zou de belastingbetaler dan denken. Zes miljard besteden in crisistijden en niet weten wat er met het geld gebeurt, daarvoor is wel een betere bestemming te vinden. Ik denk niet dat dit zal gebeuren. Ook het idee van de Rekenkamer om subsidies automatisch stop te zetten als blijkt dat ze niet effectief zijn, lost weinig op. Er wordt immers nauwelijks deugdelijk geëvalueerd op effectiviteit.
Ik denk dat we moeten erkennen dat subsidies een breed getolereerd smeermiddel zijn, waarmee politieke partijen, departementen en maatschappelijk subsidieontvangers de machine oliën. Een soort stilzwijgend verbond van gever en ontvanger waar niet te veel kritische vragen bij passen. Dus extra onderzoek gaat ook het verschil niet maken. Subsidies krijg je niet weg. Ik toon dat graag aan. Er is vast een subsidie voor mijn onderzoek te vinden.
Bestuurswetenschappers leggen met enige regelmaat bloot dat subsidies niet werken, wanneer je ze aan strikte maatstaven toetst. Misschien moet je dat toetsen dan ook maar niet doen.
Per jaar geeft het rijk ruim € 6 miljard uit aan een veelheid van subsidies aan burgers, instellingen en bedrijven. De hoop en verwachting is dat die derde er mee doet wat is afgesproken en dat de besteding van het geld het beoogde maatschappelijk effect sorteert. Er moet wel periodiek gemeten worden of de subsidie werkt en het parlement moet daarover worden geïnformeerd, zodat besloten kan worden of de subsidie moet worden stopgezet, bijgesteld of voortgezet.
Dat zijn wel heel veel bestuurswetenschappelijke veronderstellingen in twee zinnen. En die gaan niet op, legde recent de Algemene Rekenkamer weer eens bloot.
Ontvangers van subsidies doen niet namelijk lang niet altijd wat is afgesproken. En het met de subsidie beoogde maatschappelijk effect wordt bepaald niet altijd bereikt. Evaluaties vinden niet of gebrekkig plaats. En ons parlement krijgt bij lange na niet de informatie die nodig is om te beslissen.
Om deze uitspraken te kunnen doen levert de Rekenkamer mooie analyses. Van de 633 subsidieregelingen zijn de afgelopen vijf jaar maar 81 subsidies onderworpen aan een evaluatie. En alleen een minderheid betrof de effectiviteit van de subsidie. En als dan op effectiviteit geëvalueerd werd, is dat volgende de Rekenkamer zelden deugdelijk gebeurd.
Ergo, maar 1/8 van de subsidies is feitelijk geëvalueerd, minder dan de helft van de evaluaties betrof de effectiviteit, dus zeg 1/16. En dan deugde het onderzoek ook niet eens. Dus ruim minder dan 5% van alle subsidies is deugdelijk geëvalueerd op effectiviteit. En dan kwam het voor dat ministers bij wel geëvalueerde subsidies de positieve resultaten rapporteerden, maar kritische niet. Gekleurde informatie noemt de Rekenkamer het, een enorm understatement. Bijvoorbeeld over de subsidie aan de Atlantische Commissie heeft de minister alleen positieve hoofdbevindingen weergegeven, bevindingen die minder positief zijn niet. Maar hoewel ons parlement geen goed beeld kreeg van de van de effectiviteit van subsidies, is toch steeds bij wet of begroting besloten te subsidies voort te zetten.
So far so good. Stoppen ermee, zou de belastingbetaler dan denken. Zes miljard besteden in crisistijden en niet weten wat er met het geld gebeurt, daarvoor is wel een betere bestemming te vinden. Ik denk niet dat dit zal gebeuren. Ook het idee van de Rekenkamer om subsidies automatisch stop te zetten als blijkt dat ze niet effectief zijn, lost weinig op. Er wordt immers nauwelijks deugdelijk geëvalueerd op effectiviteit.
Ik denk dat we moeten erkennen dat subsidies een breed getolereerd smeermiddel zijn, waarmee politieke partijen, departementen en maatschappelijk subsidieontvangers de machine oliën. Een soort stilzwijgend verbond van gever en ontvanger waar niet te veel kritische vragen bij passen. Dus extra onderzoek gaat ook het verschil niet maken. Subsidies krijg je niet weg. Ik toon dat graag aan. Er is vast een subsidie voor mijn onderzoek te vinden.
Abonneren op:
Posts (Atom)