Column Binnenlands Bestuur dd 2 december 2011
Het levert interessante televisie op, de verhoren van de commissie de Wit. Ambtenaren als Financiën-topper Bernard ter Haar schitteren er, gerenommeerde bankiers lijken met terugwerkende kracht bepaald niet degene te zijn aan wie je met een gerust hart je spaargeld kon toevertrouwen. Een van de meest schokkende zaken blijft dat de ambtelijke en politieke top, alsook de top van banken, verzekeraars, pensioenfondsen en internationale instellingen, vrijwel volledig overvallen werd door het falend financiële systeem.
Behalve een hele enkele roekeloze bank ergens aan de Amsterdamse grachten of op een verre vakantiebestemming, vielen banken voor 2008 immers nauwelijks om. En omdat de val van LehmanBrothers en de enorme nasleep iedereen overviel, was er natuurlijk ook geen panklare oplossing. Zo werden door de enorme cpmplexiteit en tijdsdruk improviserend verstrekkende beslissingen genomen. Beslissingen tot nationalisatie van banken, splitsingen en fusies, miljardeninjecties en garantiestellingen. Niet eens domme beslissingen overigens, vanuit ons huidige zij het voorlopige weten. Maar eerder een goede gok van Wouter Bos en de zijnen dan een gewogen, op ervaring of scenario’s of studies gebaseerde optimale keuze. In oktober 2008 schreef ik hier:
‘De grootste verliezer is ons parlement. Toen het erop aankwam werden ze slechts achteraf geïnformeerd, zowel toen een miljardenbedrag voor Fortis beschikbaar kwam als toen de hele bank werd overgenomen. Ook toen Icesaveklanten werden gesauveerd en zelfs toen er daarna twintig miljard (of zonodig meer) voor de financiële wereld werd losgemaakt stond het parlement buiten spel. Haar rest slechts een rol in de aftiteling, om de geschiedenis van de recente verwikkelingen in de financiële wereld te documenteren’. Precies waarmee de commissie de Wit nu bezig is.
Je hoeft geen grote ziener te zijn om de analogie en verschillen te zien tussen 2008 en 2011. De bankencrisis uit 2008 werd een beurscrisis en een fikse economische crisis met echte krimp. En die economische crisis werd een landencrisis waarin na Griekenland meer landen het vertrouwen van financiële markten verliezen. De landencrisis is nu een eurocrisis geworden, waarvoor eind 2011 geen bekende oplossing is, geen eerder of elders op deze schaal beproefde methode. Net als in 2008.
En het democratische gehalte van crisisbeslissingen ? Is het een positief teken dat parlementen nu meer betrokken zijn bij het beheersen van de crisis? Is het een verbetering dat ministers-presidenten nu parlementaire instructies meekrijgen hoe te handelen op de Eurotop? We kunnen hoop putten uit het feit dat politieke systemen, met alle feilen, uiteindelijk toch oplossingenmachine blijken te zijn. Waardoor Italië nu een zakenkabinet heeft en België dicht bij een oplossing is. En is het een hoopvol en hoopvol teken dat in Nederland de Pvda het verder door hen verfoeide kabinet om pragmatische redenen toch steunt in de oplossing van de Eurocrisis.
Uiteindelijk ben ik daarom positiever over het lerend vermogen van de politiek in relatie tot financiële crises dan ik eerder in 2008 schreef.
Een overzicht van publicaties als onderzoeker aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Wil je reageren ? bestebreur@fsw.eur.nl of #bestebreur op Twitter
zondag, november 27, 2011
zondag, november 13, 2011
Fusies en illusies
Binnen de boezem van het kabinet kunnen verschillende gedachten naast elkaar bestaan. Bijvoorbeeld over de gewenste schaalgrootte van publieke instellingen. Is groter beter of is te groot verkeerd?
Er bestaan zorgen rond de schaalgrootte van publiek gefinancierde instellingen, bijvoorbeeld scholen. In tien jaar tijd is het aantal basisscholen met een derde gekrompen, vooral door bestuurlijke fusies. Ook het aantal HBO-instellingen kromp met een derde, VO en MBO met ongeveer 10%. Dit is mede de reden voor de komst van een zogenaamde fusietoets, waarin de minister van Onderwijs kritisch beziet of na de schaalvergroting in het onderwijs voldoende keuzevrijheid voor ouders en leerlingen gewaarborgd is. Onderwijsinstellingen die willen fuseren moeten in het vervolg een fusie-effectrapportage opstellen waarin aandacht wordt besteed aan nut en noodzaak van de fusie.
Rond provincies, waterschappen en gemeentelijken is de tendens er ook een van klontering waarbij een voortgaand debat bestaat rond de optimale schaalgrootte en bestuurskracht. Het kabinet stuurt al decennia op opschaling van regionale bestuurslagen, maar de tegenbeweging van burgers uit vooral fusiegemeenten is ook in kracht toegenomen en wil af van de van boven af opgelegde herindelingen en opschaling.
Rond de eigen uitvoeringsorganisaties wil de rijksoverheid nu echter toch weer een beweging van opschaling in gangzetten. Een van de voorstellen rond agentschappen is dat deze bij een jaarbegroting onder de 50 miljoen niet meer moeten worden ingesteld en bestaande worden samengevoegd.
Tegengestelde bewegingen kortom, scholen moeten van het kabinet niet te lichtzinnig verder fuseren, gemeenten (en recentelijk ook ; provincies) als het even kan weer wel, uitvoerende agentschappen nu toch ook.
Het kabinet blijkt nu zelfs vrij precies te kunnen berekenen dat een uitvoeringsdienst minimaal € 50 mln omzet op jaarbasis moet hebben, om efficiënt te kunnen functioneren. Onder die omvang is volgens Financiën de overhead te hoog, ‘vanwege het inrichten van de noodzakelijke administratiesystemen en de controle en toezicht op de organisatie’. Fusie zou het verdwijnen kunnen betekenen van 19 van de bestaande diensten.
Tegen een fusieronde is echter ook heel wat in te brengen. Ten eerste, een dienst die maar één werkstroom heeft kan met een simpele administratie en toezichtstructuur functioneren. Samenvoegen van diensten betekent onontkoombaar een ingewikkelder stelsel. Ten tweede suggereert een ondergrens van 50 miljoen dat het overgrote deel van alle gemeentelijke en provinciale uitvoeringsdiensten -die doorgaans een kleinere omvang hebben- ondoelmatig functioneren. Als dat waar is, slapen gemeenteraden en is er heel veel werk aan de winkel en geld te besparen. Maar is het waar? Ten derde, misschien wel principiëler. Veel van de administratie- en toezichtkosten zijn het gevolg van de eigen gedetailleerde regels die het rijk zichzelf stelt. Zoals de extreem hoge controle- en rechtmatigheidseisen, waarover parlement, regering en Rekenkamer al jaren debatteren. Die vereenvoudigen zou miljoenen opleveren, fusies niet.
Kortom, niet de schaal van diensten bepaalt de kosten, maar de onnodig hoge detailregelgeving. Die laatste afschaffen is beter dan fusies af te dwingen.
Er bestaan zorgen rond de schaalgrootte van publiek gefinancierde instellingen, bijvoorbeeld scholen. In tien jaar tijd is het aantal basisscholen met een derde gekrompen, vooral door bestuurlijke fusies. Ook het aantal HBO-instellingen kromp met een derde, VO en MBO met ongeveer 10%. Dit is mede de reden voor de komst van een zogenaamde fusietoets, waarin de minister van Onderwijs kritisch beziet of na de schaalvergroting in het onderwijs voldoende keuzevrijheid voor ouders en leerlingen gewaarborgd is. Onderwijsinstellingen die willen fuseren moeten in het vervolg een fusie-effectrapportage opstellen waarin aandacht wordt besteed aan nut en noodzaak van de fusie.
Rond provincies, waterschappen en gemeentelijken is de tendens er ook een van klontering waarbij een voortgaand debat bestaat rond de optimale schaalgrootte en bestuurskracht. Het kabinet stuurt al decennia op opschaling van regionale bestuurslagen, maar de tegenbeweging van burgers uit vooral fusiegemeenten is ook in kracht toegenomen en wil af van de van boven af opgelegde herindelingen en opschaling.
Rond de eigen uitvoeringsorganisaties wil de rijksoverheid nu echter toch weer een beweging van opschaling in gangzetten. Een van de voorstellen rond agentschappen is dat deze bij een jaarbegroting onder de 50 miljoen niet meer moeten worden ingesteld en bestaande worden samengevoegd.
Tegengestelde bewegingen kortom, scholen moeten van het kabinet niet te lichtzinnig verder fuseren, gemeenten (en recentelijk ook ; provincies) als het even kan weer wel, uitvoerende agentschappen nu toch ook.
Het kabinet blijkt nu zelfs vrij precies te kunnen berekenen dat een uitvoeringsdienst minimaal € 50 mln omzet op jaarbasis moet hebben, om efficiënt te kunnen functioneren. Onder die omvang is volgens Financiën de overhead te hoog, ‘vanwege het inrichten van de noodzakelijke administratiesystemen en de controle en toezicht op de organisatie’. Fusie zou het verdwijnen kunnen betekenen van 19 van de bestaande diensten.
Tegen een fusieronde is echter ook heel wat in te brengen. Ten eerste, een dienst die maar één werkstroom heeft kan met een simpele administratie en toezichtstructuur functioneren. Samenvoegen van diensten betekent onontkoombaar een ingewikkelder stelsel. Ten tweede suggereert een ondergrens van 50 miljoen dat het overgrote deel van alle gemeentelijke en provinciale uitvoeringsdiensten -die doorgaans een kleinere omvang hebben- ondoelmatig functioneren. Als dat waar is, slapen gemeenteraden en is er heel veel werk aan de winkel en geld te besparen. Maar is het waar? Ten derde, misschien wel principiëler. Veel van de administratie- en toezichtkosten zijn het gevolg van de eigen gedetailleerde regels die het rijk zichzelf stelt. Zoals de extreem hoge controle- en rechtmatigheidseisen, waarover parlement, regering en Rekenkamer al jaren debatteren. Die vereenvoudigen zou miljoenen opleveren, fusies niet.
Kortom, niet de schaal van diensten bepaalt de kosten, maar de onnodig hoge detailregelgeving. Die laatste afschaffen is beter dan fusies af te dwingen.
Abonneren op:
Posts (Atom)