Binnen de boezem van het kabinet kunnen verschillende gedachten naast elkaar bestaan. Bijvoorbeeld over de gewenste schaalgrootte van publieke instellingen. Is groter beter of is te groot verkeerd?
Er bestaan zorgen rond de schaalgrootte van publiek gefinancierde instellingen, bijvoorbeeld scholen. In tien jaar tijd is het aantal basisscholen met een derde gekrompen, vooral door bestuurlijke fusies. Ook het aantal HBO-instellingen kromp met een derde, VO en MBO met ongeveer 10%. Dit is mede de reden voor de komst van een zogenaamde fusietoets, waarin de minister van Onderwijs kritisch beziet of na de schaalvergroting in het onderwijs voldoende keuzevrijheid voor ouders en leerlingen gewaarborgd is. Onderwijsinstellingen die willen fuseren moeten in het vervolg een fusie-effectrapportage opstellen waarin aandacht wordt besteed aan nut en noodzaak van de fusie.
Rond provincies, waterschappen en gemeentelijken is de tendens er ook een van klontering waarbij een voortgaand debat bestaat rond de optimale schaalgrootte en bestuurskracht. Het kabinet stuurt al decennia op opschaling van regionale bestuurslagen, maar de tegenbeweging van burgers uit vooral fusiegemeenten is ook in kracht toegenomen en wil af van de van boven af opgelegde herindelingen en opschaling.
Rond de eigen uitvoeringsorganisaties wil de rijksoverheid nu echter toch weer een beweging van opschaling in gangzetten. Een van de voorstellen rond agentschappen is dat deze bij een jaarbegroting onder de 50 miljoen niet meer moeten worden ingesteld en bestaande worden samengevoegd.
Tegengestelde bewegingen kortom, scholen moeten van het kabinet niet te lichtzinnig verder fuseren, gemeenten (en recentelijk ook ; provincies) als het even kan weer wel, uitvoerende agentschappen nu toch ook.
Het kabinet blijkt nu zelfs vrij precies te kunnen berekenen dat een uitvoeringsdienst minimaal € 50 mln omzet op jaarbasis moet hebben, om efficiënt te kunnen functioneren. Onder die omvang is volgens Financiën de overhead te hoog, ‘vanwege het inrichten van de noodzakelijke administratiesystemen en de controle en toezicht op de organisatie’. Fusie zou het verdwijnen kunnen betekenen van 19 van de bestaande diensten.
Tegen een fusieronde is echter ook heel wat in te brengen. Ten eerste, een dienst die maar één werkstroom heeft kan met een simpele administratie en toezichtstructuur functioneren. Samenvoegen van diensten betekent onontkoombaar een ingewikkelder stelsel. Ten tweede suggereert een ondergrens van 50 miljoen dat het overgrote deel van alle gemeentelijke en provinciale uitvoeringsdiensten -die doorgaans een kleinere omvang hebben- ondoelmatig functioneren. Als dat waar is, slapen gemeenteraden en is er heel veel werk aan de winkel en geld te besparen. Maar is het waar? Ten derde, misschien wel principiëler. Veel van de administratie- en toezichtkosten zijn het gevolg van de eigen gedetailleerde regels die het rijk zichzelf stelt. Zoals de extreem hoge controle- en rechtmatigheidseisen, waarover parlement, regering en Rekenkamer al jaren debatteren. Die vereenvoudigen zou miljoenen opleveren, fusies niet.
Kortom, niet de schaal van diensten bepaalt de kosten, maar de onnodig hoge detailregelgeving. Die laatste afschaffen is beter dan fusies af te dwingen.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten