zondag, januari 16, 2011

De weg van het geld

Column Binnenlands Bestuur dd 21 januari 2011
Wat hebben Schiphol, kinderopvanggroep Catalpa, het Slotervaartziekenhuis en het Rotterdamse oogziekenhuis met elkaar te maken? Zij opereren allemaal in meer of mindere mate in de publiek sfeer. Maar de tijden veranderen. Schiphol is deels in Franse handen. Het oogziekenhuis Rotterdam heeft franchises gevestigd in andere ziekenhuizen. Het Slotervaartziekenhuis is in private handen, Catalpa in bezit van een Amerikaanse investeringsmaatschappij, net als de Afvalverbranding, AVR .
Dat roept interessante vragen op. Bijvoorbeeld, is de continuïteit van de voorziening of de organisatie geborgd? Kan Schiphol krimpen van ‘hub’ tot filiaal van de Fransen als investeringen uitblijven? Zijn patiënten van private ziekenhuizen of franchises slechter af? Is er oog voor maatschappelijke aspecten of stinkt de AVR meer dan vroeger?
In ‘De weg van het geld’ tracht een groep bestuurskundigen (onder andere Mark van Twist en Willemijn Dicke) deze en andere vragen te beantwoorden. Het essay behandelt een relevant onderwerp en er worden veel rake analyses gedaan. Maar compleet is de analyse niet. Er zijn minstens twee zaken die ook belicht moeten worden en die wat tegenwicht bieden tegen een te snelle negatieve benadering van de private sector zoals NRC-publicist Chavannes en hoogleraar Ankersmit regelmatig doen, of het problematiseren van private inbreng in de publieke sector via het opwerpen van duizend-en-een vragen, zoals in het essay.
Ten eerste slinkt de overheidsomvang helemaal niet zo sterk dat voorzieningen in het gedrang komen zonder private financiering. De collectieve sector was, is en blijft zo’n 40% van het nationaal in komen. Daarbinnen vindt wel een verschuiving plaats, die is van alle tijden, maar er blijft ook onder dit kabinet een omvangrijke publieke secor of met publiek geld maatschappelijke sector. Niet louter financiële motieven kortom veroorzaken een groeiende private inbreng in de voortbrenging van publieke goederen en diensten. Er zijn ook andere, inhoudelijke redenen.
De tweede is dat private zeggenschap en bedrijfsmatiger werkwijzen gewoonweg positief kunnen uitwerken op de kwaliteit van publieke voorzieningen. Organisaties kunnen er klantgerichter door worden, beter letten op nut en noodzaak van bestedingen en zoekend naar een beter resultaat kunnen nieuwe ideeën soms ook sneller worden benut. Daar komt bij dat meer privaat mogelijk ook minder publieke bemoeienis kan betekenen. Publieke financiering en zeggenschap hebben namelijk ook geleid tot een overdaad aan regels, betutteling, politieke benoemingen, gedetailleerde accountantsverklaringen en soms tenenkrommende bureaucratie. Als meer private inbreng minder publieke bureaucratie betekent, is die daarom alleen al toe te juichen.
Kortom, aan private financiering, inmenging en zeggenschap kleven mogelijk kwalen, maar aan publieke ook. De merites van beide kunnen beter evenwichtig tegen elkaar worden afgewogen, in plaats van het vooral problematiseren van de ene - of andere. Het Nederlandse middenveld is van oudsher een dynamisch en bont palet van publieke en private arrangementen dat behoorlijk goed presteert. Koester dat, ga waar mogelijk innoveren, maar laat het vooral niet stollen.