Bijdrage aan PM Den Haag, november 2011
Je zou het iedereen in Den Haag toewensen, de gevolgen van je eigen beleid een tijdje ondergaan. Een soort 'terug naar de werkvloer', waarbij een manager van het hoofdkantoor meeloopt met zijn uitvoerend personeel. Of waarbij een jurist zelf de formulieren moet invullen die hij als regelgever bedacht heeft. Een kamerlid zelf de bezuinigen laten uitleggen aan een ondernemingsraad die door Den Haag op titel van efficiencykorting aan een sector zijn opgelegd. Of beter, de parlementariër lid maken van de ondernemingsraad die wordt geconfronteerd met een snel oplopende korting.Het zou een verrijkende tijd zijn.
Het is een van de redenen dat ik met groot enthousiasme een nieuwe stap heb gezet buiten de rijksoverheid. In mijn Haagse jaren deed ik wat een rijksambtenaar moest doen en switchte regelmatig van beleid naar uitvoering en terug. Bij Financiën werkte ik aan de Miljoenennota en deed onderzoek tot in de haarvaten van de Belastingdienst, zette het fenomeen agentschap op de kaart en begeleide de invoering van het schatkistbankieren Bij Verkeer en Waterstaat en later Rijkswaterstaat werkte ik aan financiële en strategische vragen, hoe houden we Nederland in beweging en hoe moet Rijkswaterstaat zich ontwikkelen om klaar te zijn voor de snel veranderende opgaven. Een van mijn laatste klussen was in opdracht van de SG van het nieuwe ministerie van IenM Siebe Riedstra te bezien hoe de forse kortingtaakstelling van het nieuwe kabinet kon worden geadresseerd. Met grote vreugde stortte ik me met enkele collegadirecteuren op de klus. Er was weinig tijd en ruimte voor nuance, de honderden miljoenen moesten worden gevonden en liefst snel. Maar wanneer wij als directeuren in Den Haag dachten klaar te zijn, begon natuurlijk het echte werk pas, wanneer binnen organisaties moest worden.' doorvertaald' wat door anderen (zoals mij) was verzonnen aan maatregelen.
Nu werk ik als bestuurder van de christelijke hogeschool in Ede die net voor de 8e keer is uitgeroepen tot de beste middelgrote hogeschool van Nederland. Ik heb er plezier van mijn ervaring bij de rijksoverheid en soms last van het beleid. Last in de zin dat het vanuit het rijk niet altijd lukt om recht te doen aan de veelkleurigheid en nuancering van het brede uitvoeringslandschap. Steeds meer worden erg verschillende organisaties die publieke taken uitvoeren op een hoop gegooid, bestuurd via te algemene gesjabloneerde sturingprincipes. Terwijl nu net het karakteristieke van de Nederlandse publieke sector haar variëteit is, worden generieke instrumenten voor de sturing en bekostiging gebruikt. Zo worden agentschappen en zbo's steeds meer identiek bejegend, terwijl ze zo wezenlijk anders zijn. En zo worden hogescholen ook gaandeweg gezien als uitvoeringsorganisaties van het rijk, terwijl ze in een zo wezenlijke andere traditie staan.
Ik juich het toe dat er grenzen worden gesteld aan de beloning van hogeschoolbestuurders, ook de mijne, prima. Of aan de wijze van parkeren van tijdelijk overtollige middelen, voer het schatkistbankieren maar in.
Maar een langstudeerderskorting generiek opleggen aan alle hogescholen,
ongeacht de daadwerkelijke prestaties is weer een veel te generieke maatregel. Dan leiden de goede opleidingen onnodig onder de scholen die niet voldoende onderwijsrendement realiseren. Als sommige hogescholen beter presteren dan anderen, zal en mag dat gevolgen hebben voor de studenteninstroom. Laat dat dan ook gebeuren als beleidsmakers in plaats van te vervallen in een algemene korting.
Het is maar een klein maar symptomatisch voorbeeld. Wanneer we recht weten te doen aan de breedte en variëteit van scholen, instellingen, agentschappen en zbo's houden we ze sterk, innovatief en krachtig. Wanneer we te veel sjabloneren, dreigt grijze eenheidsworst. Dat moeten we maar beter niet willen en doen.
Zo bezien juich ik het zeer toe als meer rijksambtenaren meewerken aan de uitvoering van beleid, waarna ze hun nieuwe verworven inzichten weer gebruiken in Den Haag. Beide kanten zullen daarmee hun voordeel doen.